<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2015:4870</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-10-23T15:54:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-04-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-04-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/486622 / KG RK 15-805</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2015:4870">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2015:4870</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-10-23T15:54:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-04-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2015:4870 Rechtbank Den Haag , 28-04-2015 / C/09/486622 / KG RK 15-805</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2015:4870:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek tot wraking van kantonrechter wegens ter zitting gestelde vragen en het niet toelaten van bewijs wordt afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2015:4870:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="e3b43294-9cee-4825-ad1e-bdcbe629835b" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="156a8e6b-fde7-4136-8d73-ddb2bece5ef1" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>beslissing</para>
    <bridgehead role="bold">WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Meervoudige wrakingskamer</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Wrakingnummer 2015/31</emphasis>
      </para>
      <para>zaak-/rekestnummer: C/09/486622/ KG RK 15-805</para>
      <para>registratienummer kanton: 2858537 MB VERZ 14-2079</para>
      <para>CJIB-nummer: [CJIB-nummer]</para>
      <para>datum beschikking: 28 april 2015</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BESLISSING</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht, in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoeker]
        </emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoeker;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>strekkende tot wraking van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>	mr. C.W.D. Bom, </para>
      <para>kantonrechter in de rechtbank Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belanghebbende is de officier van justitie. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>De voorgeschiedenis en het procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan [verzoeker] is een sanctie opgelegd voor het overschrijden van de binnen de bebouwde kom geldende maximumsnelheid op de Oude Haagweg te Den Haag. Nadat de officier van justitie het door [verzoeker] hiertegen ingestelde beroep heeft afgewezen, heeft [verzoeker] de sanctie ter toetsing voorgelegd aan de kantonrechter. Op 27 maart 2015 heeft de behandeling ter zitting ten overstaan van de kantonrechter plaatsgevonden, waarna de procedure is aangehouden. De wrakingskamer heeft kennisgenomen van het proces-verbaal van de zitting. Bij brief van 2 april 2015, ter griffie ontvangen op 8 april 2015, heeft [verzoeker] een verzoek tot wraking van de kantonrechter gedaan. De kantonrechter heeft op 15 april 2015 schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 20 april 2015 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. [verzoeker] is verschenen. De kantonrechter en de belanghebbende zijn niet verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het standpunt van verzoeker</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan het wrakingsverzoek is - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. De rechter heeft ten onrechte niet ingegrepen toen de officier van justitie de niet relevante vraag stelde of de locatie op een door de officier van justitie getoonde foto niet kennelijk binnen de bebouwde kom is. Vervolgens heeft de kantonrechter zelf nog vijf keer deze vraag gesteld, waarbij hij ten minste één keer een foto omhoog hield van een locatie die niet de flitslocatie betrof. Daarbij komt dat de kantonrechter het door [verzoeker] ingebrachte bewijs niet wilde bekijken, terwijl hij de door de officier van justitie ingebrachte foto’s wel heeft bekeken. De kantonrechter hoopte volgens [verzoeker] kennelijk dat hij de gestelde vraag positief zou beantwoorden, zodat de kantonrechter de zaak op grond daarvan in het voordeel van de officier van justitie zou kunnen afdoen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het standpunt van de kantonrechter</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter berust niet in de wraking. Volgens de kantonrechter heeft hij meerdere keren en aan de hand van een uitdraai van Google Streetview aan [verzoeker] gevraagd of hij naar zijn gevoel op de betreffende locatie binnen de bebouwde kom reed, maar [verzoeker] ontweek telkens het antwoord op de vraag. Omdat de kantonrechter door de verklaringen van [verzoeker] al was gaan twijfelen aan de juistheid van de stelling van de officier van justitie dat [verzoeker] binnen de bebouwde kom reed, heeft hij de officier van justitie opgedragen een aanvullend proces-verbaal op te maken. Gelet hierop alsmede gelet op het feit dat het niet aan [verzoeker] is om zijn onschuld te bewijzen maar aan de officier van justitie is om te bewijzen dat een overtreding is begaan, heeft de kantonrechter geweigerd het door [verzoeker] aangeboden bewijs te bekijken. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat het aan de kantonrechter is om de zitting te leiden, waarbij hij de regie voert en waarbij hij vrij is te bepalen welke vragen van de officier van justitie hij toelaat en welke vragen hij zelf relevant acht voor zijn oordeel over de zaak. De kantonrechter heeft daarbij een grote vrijheid omtrent zijn aanpak. Dat de kantonrechter een vraag van de officier van justitie heeft toegestaan die volgens verzoeker niet relevant en in strijd met het recht is, maakt – wat hier ook van zij – niet dat de rechter vooringenomen is, dan wel dat de schijn van partijdigheid is gewekt. Dat de kantonrechter dezelfde vraag meerdere malen heeft gesteld en daarbij mogelijk een foto van een andere locatie dan de flitslocatie omhoog zou hebben gehouden, maakt dit niet anders. Het staat de kantonrechter in beginsel immers vrij om door te vragen en een partij te confronteren met door een wederpartij overgelegde stukken. Niet is gebleken dat er sprake is van bijkomende omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Dat de kantonrechter het door verzoeker aangeboden bewijs niet heeft willen bekijken, acht de wrakingskamer evenmin grond voor toewijzing voor het wrakingsverzoek. De kantonrechter heeft hiermee immers blijk gegeven het uitgangspunt te hanteren dat het aan de officier van justitie is om te bewijzen dat verzoeker een overtreding heeft begaan, zodat de wrakingskamer niet inziet dat de kantonrechter door aldus te handelen vooringenomen zou zijn, dan wel de schijn van partijdigheid zou hebben gewekt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>De door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 3. weergegeven geven dan ook geen grond te vrezen dat het de kantonrechter aan onpartijdigheid ontbreekt noch is ten aanzien van hem de schijn van partijdigheid gewekt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wrakingskamer:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- wijst het verzoek tot wraking af;</para>
    <para />
    <para>- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;</para>
    <para />
    <para>- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan: </para>
    <parablock>
      <para>		•	de verzoeker;</para>
      <para>•	de officier van justitie, t.a.v. M.G.A. van der Linden;</para>
      <para>•	de kantonrechter mr. C.W.D. Bom. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mrs. D. Aarts, H.M.D. de Jong en M. Soffers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.I. Geerling als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2015, en bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste rechter.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>