<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2015:4285</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T00:44:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-04-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2015-04-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C-09-484638 KG ZA 15-331</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2015:4285">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2015:4285</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-05-13T11:29:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-05-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2015:4285 Rechtbank Den Haag , 08-04-2015 / C-09-484638 KG ZA 15-331</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2015:4285:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kort geding van beslagene tegen deurwaarder. Niet-ontvankelijk in vordering tot opheffing beslag. Daarvoor moet niet de deurwaarder, maar de beslaglegger/schuldeiser worden gedagvaard. Afwijzing vordering tot bepaling van een beslagvrije voet. Procedure bij de kantonrechter ex artikel 475f is de daarvoor aangewezen procedure.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2015:4285:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank den haag</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Handel - voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak- / rolnummer: C/09/484638 / KG ZA 15/331</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van 8 april 2015</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser],</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>advocaat mr. C.I. Zaad te Den Haag,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid <emphasis role="bold">Gerechtsdeurwaarderskantoor Nassauplein B.V.</emphasis>, onder meer handelend onder de naam <emphasis role="bold">[X, Y en Z] gerechtsdeurwaarders en incassobureau,</emphasis></para>
      <para>gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>verschenen in de personen van mevrouw mr. S. Ghazizadeh en de heer W.G. van der Velde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 3 april 2015 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Gedaagde heeft op 27 januari 2015 op verzoek van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WAGTD B.V., gevestigd te Den Haag (hierna: WAGTD), op grond van een vonnis van 14 maart 2012, gewezen in een zaak van WAGTD tegen [eiser], executoriaal derdenbeslag gelegd (hierna: het beslag). Het beslag is gelegd op alle vorderingen die eiser heeft op de heer [B] en mevrouw [A] (de derde-beslagenen), meer in het bijzonder op de door hen aan eiser verschuldigde huurpenningen. Hierbij is door gedaagde aangezegd dat de beslagvrije voet nihil is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Enkele jaren geleden heeft eiser tegen gedaagde een procedure gevoerd bij de sector kanton van deze rechtbank, waarin hij de kantonrechter heeft verzocht de beslagvrije voet vast te stellen op € 1.232,08 per maand in plaats van op het op dat moment geldende bedrag van € 632,08 per maand. Dit heeft geresulteerd in een beschikking van 26 juli 2012, waarin de kantonrechter de beslagvrije voet heeft vastgesteld op € 1.032,08. Daartoe heeft de kantonrechter onder meer overwogen dat zij aanleiding ziet om de inkomsten uit huur van  € 600,- per maand deels buiten beschouwing te laten bij de vaststelling van de beslagvrije voet, en wel tot een bedrag van € 400,- per maand. Het betreffende loonbeslag is geëindigd doordat eiser bij de betrokken werkgever uit dienst is getreden in februari 2014.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Eiser vordert, zakelijk weergegeven:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">primair</emphasis> te bepalen dat het beslag onrechtmatig is en dat dit dient te worden opgeheven, op straffe van verbeurte van een dwangsom;</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">subsidiair</emphasis> een beslagvrije voet te bepalen, waarnaar gedaagde het beslag dient aan te passen;</para>
        <para>met veroordeling van gedaagde in de proceskosten, de nakosten, de advocaatkosten en de boetekosten van het beslag.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Daartoe voert eiser, samengevat, het volgende aan. Gedaagde dient rekening te houden met een beslagvrije voet. Eiser heeft de huurpenningen waar beslag op is gelegd immers nodig voor de betaling van zijn hypotheeklasten. Zijn totale inkomsten bedragen namelijk € 2.250,- per maand (een salaris van € 1.144,- per maand, € 656,- per maand aan huurinkomsten betreffende de verhuur van zijn onderverdieping aan de heer [B] en € 450,- per maand aan huurinkomsten betreffende de verhuur van de zolderdieping aan mevrouw [C]). Hiertegenover staan maandelijkse lasten van € 2.375,- (onder meer zijnde een hypotheeklast van € 1.786,- per maand, ziektekostenpremie, belastingen en aflossingen van schulden). Eiser komt derhalve maandelijks geld tekort en door het beslag op de huurpenningen komt hij in grote financiële problemen. Gedaagde is hiervan op de hoogte, als ook van hetgeen in 2012 in de beschikking is bepaald. Met de uitkomst daarvan dient thans ook rekening te worden gehouden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling van het geschil</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Eiser kan niet in zijn primaire vordering worden ontvangen. De beslaglegger en dus de wederpartij van eiser is immers de schuldeiser, zijnde WAGTD, en niet gedaagde. Gedaagde voert de beslaglegging slechts uit in opdracht van WAGTD. Niet valt in te zien dat en waarom de omstandigheid dat gedaagde ter zitting is verschenen dit anders maakt, zoals eiser heeft betoogd. Gedaagde is immers ter zitting verschenen om een                   niet-ontvankelijkheidsverweer te voeren, zoals zij overigens ook reeds voor de zitting aan eiser heeft aangekondigd. Evenmin kunnen de door eiser aangevoerde omstandigheden dat WAGTD woonplaats heeft gekozen bij gedaagde en dat gedaagde blijkbaar bevoegd was om namens WAGTD met eiser te onderhandelen en zij de beslagvrije voet bepaalt, tot een ander oordeel leiden. Dit alles maakt gedaagde immers nog niet de wederpartij van eiser in dit executiegeschil.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Verder is gebleken dat eiser reeds een verzoekschrift ex artikel 475f van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft ingediend bij de kantonrechter van deze rechtbank. Dat is de aangewezen procedure om te bewerkstelligen wat eiser met zijn subsidiaire vordering beoogt. Voor het treffen van een dergelijke voorziening in kort geding is alleen plaats in spoedeisende gevallen, waarin de uitkomst van de procedure bij de kantonrechter niet kan worden afgewacht. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is in dit geval, waarin de mondelinge behandeling van het verzoek bij de kantonrechter is gepland op 8 april 2015, zijnde vijf dagen na de zitting in dit kort geding, zo heeft eiser desgevraagd ter zitting verklaard. De enkele vermelding door eiser van zijn maandelijkse inkomsten en lasten, de stelling dat hij in financiële nood zit en dat de hypotheeknemer hem aanspreekt op zijn betalingsachterstand, is daartoe onvoldoende.       De voorzieningenrechter heeft hierbij tevens in aanmerking genomen dat genoegzaam is gebleken dat eiser heeft nagelaten om aan gedaagde voldoende inzicht te geven in zijn recente inkomsten en lasten, die sinds 2012 in ieder geval voor wat betreft zijn inkomsten uit dienstbetrekking zijn gewijzigd. Dat lag wel op de weg van eiser en daarbij kon hij niet volstaan met een verwijzing naar bij gedaagde bekende gegevens uit 2012 en naar de door eiser reeds aan andere deurwaarders verstrekte informatie. De subsidiaire vordering zal derhalve worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Nu gedaagde in persoon heeft geprocedeerd, zal ingevolge artikel 238 Rv een bedrag aan reis-, verblijf- en verletkosten worden toegekend, welk bedrag zal worden vastgesteld op € 408,-.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn primaire vordering;</para>
    <para />
    <para>- wijst het subsidiair gevorderde af;</para>
    <para />
    <para>- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.021,--, waarvan € 613,-- aan griffierecht en € 408,- aan reis-, verblijf- en verletkosten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2015. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>ts</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>