<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2014:5982</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T01:51:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-02-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C-09-459609 KG ZA 14-117</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2014:5982">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2014:5982</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-06-11T15:24:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-06-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2014:5982 Rechtbank Den Haag , 27-02-2014 / C-09-459609 KG ZA 14-117</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2014:5982:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eisers vorderden in kort geding de Staat te verbieden om op strafrechtelijke gronden over te gaan tot ontruiming van door hen gekraakte panden.De panden zijn inmiddels verkocht aan een derde, die ontruimd moet opleveren en zorgdragen voor de sloop van op het terrein aanwezige opstallen. Vzr heeft met het oof op de proportionaliteit gedaagde bij tussenvonnis gelast om aan te tonen dat aan alle voorwaarden om tot sloop over te kunnen gaan is voldaan. De Staat heeft nadien voldoende aannemelijk gemaakt dat op korte termijn met de sloopwerkzaamheden kan worden aangevangen. Verbod tot ontuiming is afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2014:5982:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank den haag</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Handel - voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak- / rolnummer: C/09/459609 / KG ZA 14-117</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in kort geding van 27 februari 2014</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>
      [A],</title>
    <parablock>
      <para>2.<emphasis role="bold"> [B],</emphasis></para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>eisers,</para>
      <para>advocaat mr. E. Tamas te Den Haag,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staat der Nederlanden (</emphasis>Ministerie van Veiligheid en Justitie)<emphasis role="bold">,</emphasis></para>
      <para>zetelend te Den Haag,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. M.M.C. van Graafeiland te Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[A] c.s.’ en ‘de Staat’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verder verloop van de procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij tussenvonnis van 14 februari 2014 heeft de voorzieningenrechter de Staat gelast de onder punt 3.4 van dat tussenvonnis bedoelde stukken te verstrekken. Bij brief van 24 februari 2014 heeft de Staat enkele aanvullende producties in het geding gebracht, waarna de voorzieningenrechter een nieuwe zittingsdatum heeft bepaald op 25 februari 2014. Voor de terechtzitting heeft de Staat nog een aantal aanvullende producties overgelegd. Partijen hebben hun standpunten tijdens die terechtzitting nader toegelicht. Op 27 februari 2014 heeft de voorzieningenrechter door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De Staat heeft, zoals hem was gelast, aanvullende stukken in het geding gebracht ter onderbouwing van zijn stellingen. Uit deze stukken volgt dat er laatstelijk op 13 februari 2014 inspecties zijn uitgevoerd en dat er op 14 februari 2014 een (aangepast) asbestinventarisatie rapport type A is opgesteld. Dit rapport is op 17 februari 2014 bij de gemeente ingediend. De gemeente heeft de ontvangst daarvan bevestigd en heeft bij brief van 17 februari 2014 te kennen gegeven dat Ycatch op de door haar geplande datum met de sloopwerkzaamheden kan aanvangen. Dat de gemeente, zoals [projectontwikkelaar] ter terechtzitting van 12 februari 2014 heeft meegedeeld, al eerder zou hebben ingestemd met de start van de sloopwerkzaamheden, berust volgens de Staat op een misvatting. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Naar verder onweersproken vast is komen te staan zijn de panden met de nummers [nummer, a] en [nummer, e], al dan niet gedeeltelijk, bij [A] c.s. in gebruik. Dit betreft een deel van een loods en een woning. Deze panden worden door partijen respectievelijk ook aangeduid als de bouwdelen D en B. Ten aanzien van bouwdeel D (de woning) dient volgens de Staat nog een aanvullend type A-onderzoek te worden uitgevoerd voordat met de sloopwerkzaamheden kan worden gestart. In verband met de aanwezigheid van [A] c.s. in de woning heeft daar nog geen zogenaamd destructief onderzoek kunnen plaatsvinden. Dit onderzoek heeft tot gevolg dat de woning onbewoonbaar wordt. In bouwdeel B heeft volgens de Staat inmiddels wel destructief onderzoek kunnen plaatsvinden. De Staat heeft betoogd dat het aanvullende type A-onderzoek in de woning zal worden uitgevoerd op de dag van de ontruiming. Indien geen monsters genomen hoeven te worden zal het rapport één dag later zijn afgerond en in geval dit wel nodig is binnen twee weken na de ontruiming, waarna de sloop kan plaatsvinden, aldus de Staat.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [A] c.s. hebben voormelde gang van zaken niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken. De bezwaren van [A] c.s. tegen de voorgenomen ontruiming richten zich veeleer op het niet op de juiste wijze handelen van de gemeente, in die zin dat de van toepassing zijnde regelgeving en de geldende termijnen volgens [A] c.s. niet in acht zijn genomen. Wat daar echter ook van zij, de gemeente is geen partij in de onderhavige procedure. Aan de orde zijn de belangen van [A] c.s. tegenover de belangen van de Staat, waarbij de Staat mag afgaan op de door de gemeente verleende toestemming om de sloopwerkzaamheden aan te vangen. Daarbij heeft te gelden dat zelfs in het geval de gemeente niet (geheel) op formeel correcte wijze heeft gehandeld, dit de Staat in de gegeven situatie niet kan worden tegengeworpen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Een en ander leidt tot de conclusie dat de (sloop)werkzaamheden op zeer korte termijn kunnen aanvangen. Vast is immers komen te staan dat de gemeente toestemming heeft gegeven om de sloopwerkzaamheden aan te vangen en door [A] c.s. is ook niet weersproken dat zij de panden dienen te verlaten, alvorens het benodigde onderzoek kan worden verricht. Dit brengt met zich dat een strafrechtelijke ontruiming in het onderhavige geval de proportionaliteitseis kan doorstaan, zodat het door [A] c.s. gevorderde wordt afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [A] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- wijst het gevorderde af;</para>
    <para />
    <para>- veroordeelt [A] c.s. in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.424,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 608,-- aan griffierecht;</para>
    <para />
    <para>- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    <para>Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2014. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>hf</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>