<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2014:15955</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-11T00:30:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-12-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-11-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09/857339-14</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2014:15955">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2014:15955</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-12-23T13:44:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-01-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2014:15955 Rechtbank Den Haag , 13-11-2014 / 09/857339-14</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2014:15955:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>artt. 30-34 WvSv. De rechter-commissaris geeft aan dat hij het in belang van het onderzoek nodig acht dat de officier van justitie de verzochte gegevensdragers met daarop de camerabeelden binnen 14 dagen na dagtekening van deze beslissing verstrekt aan de raadsman.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2014:15955:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>Be$chikking</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer : 09/857339-14</para>
      <para>RC-nummer : 14/3193</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beschikking op een bezwaarschrift ex artikel 32, lid 4, van het Wetboek van Strafvordering in de</para>
      <para>zaak tegen de verdachte:</para>
      <para>
        [verdachte]
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]1976</para>
      <para>wonende te [adres]</para>
      <para>thans verblijvende: [penitentiaire inrichting].</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>PROCESGANG:</title>
    <parablock>
      <para>Op 25 september 2014 heeft de raadsman van verdachte de officier van justitie gevraagd om</para>
      <para>camerabeelden te verstrekken op een gegevensdrager. Gezien het feit dat de raadsman op 3 oktober 2014</para>
      <para>nog geen reactie van de officier van justitie had ontvangen, heeft de raadsman dit beschouwd als een</para>
      <para>fictieve weigering om aan dit verzoek te voldoen. Tevens heeft de raadsman in zijn brief van 8 oktober</para>
      <para>2014 aangegeven dat de foto’s van het letsel van cliënt nog steeds niet toegevoegd zijn aan het dossier en</para>
      <para>evenmin stukken van het LUMC, betreffende de medische situatie van cliënt, aan dit dossier zijn</para>
      <para>toegevoegd. Tegen deze achtergrond heeft de raadsman op 3 oktober 2014 een bezwaarschrift ex artikel 32,</para>
      <para>vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering ingediend bij de rechter-commissaris.</para>
      <para>Een afschrift van het bezwaarschrift is gezonden aan de officier van justitie en haar is gevraagd haar</para>
      <para>zienswijze op het bezwaarschrift schriftelijk mede te delen aan de rechter-commissaris. Op 22 oktober 2014</para>
      <para>heeft de rechter-commissaris de reactie van de officier van justitie ontvangen, inhoudende dat dat de</para>
      <para>raadsman voor de zitting reeds alle beelden heeft kunnen bekijken. De officier van justitie heeft in deze</para>
      <para>reactie verder aangegeven zich te verzetten tegen verstrekking van de beelden op een gegevensdrager, nu</para>
      <para>op de beelden ook derden te zien zijn waarvan de privacy, bij verstrekking van de beelden, geschonden zou</para>
      <para>worden. Voorts heeft de officier van justitie te kennen gegeven dat de raadsman weliswaar reeds</para>
      <para>gelegenheid heeft gehad de beelden op de rechtbank te bekijken, maar dat hij dit nogmaals kan doen indien</para>
      <para>hij dit wenst. De officier van justitie heeft tegen die achtergrond aangegeven geen belang te zien bij het</para>
      <para>verstrekken van de beelden. Ten aanzien van de stukken van het LUMC heeft de officier van justitie aan</para>
      <para>gegeven dat deze stukken reeds opgevraagd zijn bij het LUMC, maar dat het Openbaar Ministerie</para>
      <para>afhankelijk is van het LUMC om deze stukken te verstrekken.</para>
      <para>De inhoud van de reactie van de officier van justitie is op 22 oktober 2014 medegedeeld aan de raadsman</para>
      <para>van de verdachte. De raadsman heeft hierop gereageerd, inhoudende dat uit het besluit processtukken in</para>
      <para>strafzaken van 15 december 2011, kan worden afgeleid dat de enkele vrees dat procestukken door de</para>
      <para>verdediging openbaar zouden kunnen worden gemaakt op zichzelf niet als een voldoende zwaarwegend</para>
      <para>belang kan worden aangemerkt om af te zien van het verstrekken van stukken. Daarnaast zou schending</para>
      <para>van privacy in dit verband geen reden kunnen zijn om stukken te weigeren. Deze grond (bescherming</para>
      <para>persoonlijke levenssfeer) dient immers ter voorkoming dat afschriften of gegevensdragers (zoals</para>
      <para>bijvoorbeeld kinderpornobestanden) kunnen worden vermenigvuldigd, verspreid of openbaar gemaakt. Tot</para>
      <para>slot heeft de raadsman aangegeven bereid te zijn een verklaring te ondertekenen dat hij de gegevensdrager</para>
      <para>zal retourneren aan het Openbaar Ministerie zodra de strafzaak is afgelopen en dat hij de gegevens niet aan</para>
      <para>derden zal verstrekken.</para>
      <para>Op 7 november 2014 heeft de officier van justitie, in reactie op hetgeen de raadsman naar voren heeft</para>
      <para>gebracht in zijn laatste bericht, laten weten dat zij coulancehalve in deze specifieke zaak bereid is om de</para>
      <para>beelden van de lift, tijdelijk, ter beschikking te stellen. Hierbij heeft zij wel aangegeven dat de raadsman</para>
      <para>dan zou moeten tekenen voor het feit dat hij de beelden weer zal inleveren en dat hij de beelden niet naar</para>
      <para>buiten zal brengen. De officier van justitie heeft zich wel verzet tegen verstrekking van de beelden van het</para>
      <para>winkelcentrtim, nu op deze beelden meerdere personen (derden) zichtbaar zijn. De raadsman kan deze</para>
      <para>beelden evenwel onbeperkt bekijken op het paleis van justitie te Den Haag, aldus de officier van justitie.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>BEOORDELING VAN HET BEZWAARSCHRIFT:</title>
    <parablock>
      <para>Tot de processtukken behoren alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen</para>
      <para>beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn, behoudens het bepaalde in artikel 149b van het</para>
      <para>Wetboek van Strafvordering. Voorop moet worden gesteld dat uitgangspunt is dat de verdachte</para>
      <para>kennisneemt van processtukken. Gezien het feit dat van het bekijken van de onderhavige beelden</para>
      <para>processen-verbaal zijn opgemaakt, welke zijn opgenomen in het procesdossier, dienen deze beelden te</para>
      <para>worden aangemerkt als processtukken. Overigens lijkt hierover tussen partijen ook geen discussie te</para>
      <para>bestaan.</para>
      <para>Op grond van artikel 32, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de verdachte van de stukken</para>
      <para>waarvan hem de kennisneming is toegestaan, ten parkette of ter griffie afschrift krijgen (...).</para>
      <para>Op grond van artikel 32, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de officier van justitie in de</para>
      <para>daar genoemde gevallen bepalen dat van bepaalde stukken of gedeelten daarvan geen afschrift wordt</para>
      <para>verstrekt.</para>
      <para>Op grond van artikel 137 Wetboek van Strafvordering wordt onder de bevoegdheid tot kennisneming van</para>
      <para>processtukken begrepen die tot kennisneming van stukken die op gegevensdragers zijn opgenomen en</para>
      <para>vastgelegd.</para>
      <para>Ten aanzien van strekking en omvang van het bepaalde in artikel 32, tweede lid, van het Wetboek van</para>
      <para>Strafvordering zijn in de Memorie van Toelichting een aantal voorbeelden beschreven. “Indien het belang</para>
      <para>van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer dit verbiedt dan wel zwaarwichtige gronden aan het</para>
      <para>algemeen belang ontleend zich daartegen verzetten, moet de officier van justitie het verstrekken van</para>
      <para>afschriften kunnen tegenhouden.” Daarbij is het voorbeeld van kinderporno-grafisch materiaal genoemd,</para>
      <para>waarbij wordt aangetekend dat het belang om verdere verspreiding of openbaarmaking van gevoelige</para>
      <para>informatie tegen te gaan, in bepaalde gevallen zwaarder kan wegen dan het belang van de verdachte om in</para>
      <para>de ruimst mogelijke zin, namelijk door het krijgen van een afschrift, te kunnen beschikken over de inhoud</para>
      <para>van het procesdossier.</para>
      <para>In de nota naar aanleiding van verslag merkt de Minister op (naar aanleiding van het verschil in redactie</para>
      <para>tussen de artikelen 34, vierde lid jo 1 87d, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering): “De</para>
      <para>weigeringsgronden van artikel 32,tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn anders geformuleerd</para>
      <para>omdat zij alleen betrekking hebben op beperkingen die ongeoorloofde verspreiding van gevoelige</para>
      <para>processtukken willen tegengaan.”</para>
      <para>Gelet op de wetgeschiedenis (MvT, 3246$, nr. 3 pagina 34/35) is op de vraag hoe op gegevensdragers</para>
      <para>vastgelegde ‘stukken’ afschrift kan worden verkregen geen algemeen antwoord voorhanden gelet op de</para>
      <para>grote variëteit aan moderne gegevensdragers. Een en ander zal naar omstandigheden moeten worden</para>
      <para>beoordeeld. Uitgesproken is voorts dat het gewenst is voor het verstrekken van afschrift in een</para>
      <para>elektronische omgeving te voorzien in nadere normering, bij voorbeeld op het punt van de authenticiteit en</para>
      <para>integriteit van digitale afschriften. Artikel 32, vierde lid, biedt daarvoor een basis, aldus de Memorie van</para>
      <para>Toelichting.</para>
      <para>Op grond van artikel 32, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering is tot stand gekomen het Besluit</para>
      <para>van 15 december 2011, houdende regels inzake het procesdossier en de kennisneming en verstrekking van</para>
      <para>afschriften van processtukken gedurende het voorbereidende onderzoek (verder: het Besluit). Gezien de</para>
      <para>toelichting bij het Besluit (pagina 9/10) is uitgangspunt dat processtukken waarvan de kennisneming is</para>
      <para>toegestaan, in beginsel altijd in afschrift moeten worden verstrekt. De situatie dat kan worden volstaan met</para>
      <para>inzage van de processtukken zonder het verstrekken van afschriften is en blijft beperkt tot de situatie als</para>
      <para>bedoeld in artikel 32, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Voorts is gewezen op de rol en de</para>
      <para>verantwoordelijkheid van de raadsman ten aanzien van in afschrift ontvangen processtukken. Daarbij is</para>
      <para>opgemerkt dat artikel 32 Wetboek van Strafvordering en de Gedragsregels van de Nederlandse Orde van</para>
      <para>Advocaten waarborgen bevatten tegen een ongeoorloofde openbaarmaking van stukken uit het</para>
      <para>procesdossier. Tot slot wordt benadrukt dat de enkele vrees dat processtukken door de verdediging</para>
      <para>openbaar zouden kunnen worden gemaakt, op zichzelf niet als een voldoende zwaarwegend belang kan</para>
      <para>worden aangemerkt om af te zien van het verstrekken van afschriften.</para>
      <para>De beoordeling van het onderhavige bezwaarschrift draait om de vraag of het verstrekken van een afschrift</para>
      <para>als verzocht in strijd komt met het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Gelet op het</para>
      <para>voorgaande is daarbij relevant of het verstrekken van het gevraagde afschrift kan leiden tot ongeoorloofde</para>
      <para>openbaarmaking van gevoelige informatie. Daarbij dient het belang om een dergelijke openbaarmaking te</para>
      <para>voorkomen, te tvorden afgewogen tegen het belang dat verdachten in de ruimste zin kunnen kennisnemen</para>
      <para>van de inhoud van het procesdossier. In de onderhavige zaak is sprake van camerabeelden waarop naast de</para>
      <para>verdachte, tevens derden te zien zijn, die aldus de officier van justitie, niet betrokken zijn bij het incident.</para>
      <para>Het gaat daarbij enerzijds om beelden, opgenomen in een lift en anderzijds om beelden opgenomen in een</para>
      <para>openbaar winkelcentrum. Zonder nadere motivering is niet op voorhand duidelijk, dat het enkel zichtbaar</para>
      <para>zijn op dergelijke camerabeelden, als gevoelige informatie aangemerkt dient te worden. Voorts dient ervan</para>
      <para>uit te worden gegaan dat de hiervoor genoemde Gedragsregels in beginsel een waarborg bieden tegen</para>
      <para>ongeoorloofde openbaarmaking van processtukken door de verdediging, in welk licht de verdediging</para>
      <para>tevens uitdrukkelijk heeft aangegeven de gegevensdrager te retourneren aan de officier van justitie zodra,</para>
      <para>zo begrijpt de rechter-commissaris, in de zaak onherroepelijk is beslist alsmede dat hij deze gegevensdrager</para>
      <para>niet aan derden zal vertrekken en, zo begrijpt de rechter-commissaris, dus ook niet zal vermenigvuldigen.</para>
      <para>Gelet op het voorgaande dient derhalve in dit geval het belang, dat de verdachten in de ruimste zin kennis</para>
      <para>kunnen nemen van de inhoud van het procesdossier. te prevaleren. Nu ook overigens niet is gebleken van</para>
      <para>feiten of omstandigheden die het verstrekken van afschriften als verzocht in de weg staan dient het bezwaar</para>
      <para>gegrond te worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING:</title>
    <parablock>
      <para>De rechter-commissaris verklaart het bezwaarschrift GEGROND en draagt de officier van justitie op</para>
      <para>kennisneming te verlenen van de verzochte processtukken aan de verdachte. De rechter-commissaris geeft</para>
      <para>aan dat hij het in belang van het onderzoek nodig acht dat de officier van justitie de verzochte</para>
      <para>gegevensdragers met daarop de camerabeelden binnen 14 dagen na dagtekening van deze beslissing</para>
      <para>verstrekt aan de raadsman. Ten aanzien van de stukken van het LUMC zal de officier van justitie de</para>
      <para>stukken dienen te verstrekken zodra deze ontvangen worden vanuit het LUMC.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven te Den Haag op 13 november 2014 door</para>
      <para>mr. O.M. Harms,</para>
      <para>rechter-commissaris.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>