<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBBRE:2012:BW6812</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T10:14:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BW6812</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Breda" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Breda</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-05-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09/42 S</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBBRE:2012:BW6812">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBBRE:2012:BW6812</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T10:14:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-05-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBBRE:2012:BW6812 Rechtbank Breda , 15-05-2012 / 09/42 S</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBBRE:2012:BW6812:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBBRE:2012:BW6812:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>RECHTBANK BREDA</para>
      <para>Team insolventierecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Faillissementsnummer: 09/42 S</para>
    <para />
    <para>gezien het ter griffie ingekomen verzoek van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>mr. P.C.H. Jansen,</para>
      <para>advocaat,</para>
      <para>kantoorhoudende te Roosendaal,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>in de hoedanigheid van bewindvoerder in de bij beschikking van deze Rechtbank d.d. 30 december 2009 aan:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[partij X]</para>
      <para>geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],</para>
      <para>woonadres:  [adres]</para>
      <para>handelend onder de naam [bedrijfsnaam]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Het verloop van de procedure.</para>
    <para />
    <para>Aan [partij X] is definitief surseance van betaling verleend voor de periode van 30 december 2009 tot 30 juni 2011. Bij beschikking van deze rechtbank van 25 augustus 2011 is de definitief verleende surseance ingetrokken en [partij X] in staat van faillissement verklaard. [partij X] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in haar beschikking van 11 oktober 2011 voornoemde beschikking van de rechtbank vernietigd voorzover daarin [partij X] in staat van faillissement is verklaard, nu de rechtbank [partij X] niet een termijn heeft gegund om een verzoek tot toepassing van de schuldsanering in te dienen, dat dan behandeld dient te worden voorafgaande aan de beslissing omtrent de faillietverklaring. </para>
      <para>Hierbij overweegt het Gerechtshof in r.o. 3.8. dat indien het verzoek van [partij X] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen, de rechtbank zich dient te buigen over de vraag of ambtshalve faillietverklaring aangewezen is. </para>
      <para>Het Gerechtshof overweegt voorts in r.o. 3.9. dat “het gevolg van deze beslissing is dat de surseance van betaling gehandhaafd blijft, artikel 242 lid 4 Fw ”. Vervolgens verwijst het Gerechtshof de zaak naar de rechtbank voor verdere afdoening waaronder de behandeling van het verzoek van [partij X] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bij vonnis van 19 december 2011 is het verzoek van [partij X] om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken, afgewezen. [partij X] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 13 maart 2012 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Hiertegen is geen cassatie ingesteld, waardoor dit arrest onherroepelijk is geworden op 21 maart 2012. </para>
    <para />
    <para>2. Het verzoek.</para>
    <para />
    <para>Bij brief van 20 maart 2012 verzoekt mr. Jansen de surseance in te trekken onder gelijktijdige faillietverklaring. Mr. Jansen stelt zich hierbij op het standpunt dat de surseance, gelet op de inhoud van de beschikking van het Gerechtshof van 11 oktober 2011, nog doorloopt. Het verzoek is besproken ter zitting van 17 april 2012. </para>
    <para />
    <para>3. De beoordeling.</para>
    <para />
    <para>Centraal staat de vraag of er thans (na vernietiging faillissement) nog sprake is van een surceance van betaling. </para>
    <para />
    <para>Ingevolge artikel artikel 242 lid 4 Fw geldt dat indien bij intrekking surseance de faillietverklaring niet wordt uitgesproken, “dan blijft de surseance gehandhaafd tot de beschikking van de rechtbank in kracht van gewijsde is gegaan”. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat tegen de beschikking van het Gerechtshof van 11 oktober 2011 geen cassatie is ingesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit tot gevolg dat, anders dan mr. Jansen stelt, de surseance reeds op 19 oktober 2011 is geëindigd.   </para>
      <para>Weliswaar overweegt het Gerechtshof in r.o. 3.9 dat het gevolg “van deze beslissing is dat de surseance van betaling gehandhaafd blijft, artikel 242 lid 4 Fw”, maar de rechtbank begrijpt uit deze overweging, dat het Gerechtshof de handhaving van de surseance ziet als logisch gevolg van het niet in stand blijven van het faillissement. De rechtbank is met het Gerechtshof van oordeel dat het gevolg van de vernietiging van het faillissement inderdaad is dat de surseance gehandhaafd blijft. Echter, in dit geval is de surseance inmiddels geëindigd op 19 oktober 2011, nu de beschikking van de rechtbank op die datum in de kracht van gewijsde is gegaan. De rechtbank acht hierbij tevens van belang dat het Gerechtshof in r.o. 3.3. overweegt dat zij met de rechtbank van oordeel is dat het verzoek tot verlenging en handhaving van de surseance dient te worden afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ter zitting niet is gebleken dat [partij X] zijn schuldeisers een akkoord kan aanbieden, een concreet voorstel hiertoe ontbreekt. Er is niet gebleken van enig vooruitzicht dat [partij X] na verloop van tijd de schuldeisers kan bevredigen.  </para>
    <para />
    <para>Gelet op het vorenstaande concludeert de rechtbank dat er thans geen surseance meer bestaat en zij derhalve niet toekomt aan ambtshalve faillietverklaring. Het verzoek van mr. Jansen is derhalve niet-ontvankelijk. </para>
    <para />
    <para>Het salaris en de forfaitaire verschotten van de bewindvoerder zullen bij separate beschikking nader worden bepaald. </para>
    <para />
    <para>4. De beslissing.</para>
    <para />
    <para>De Rechtbank:</para>
    <para />
    <para>verklaart het verzoek van mr. Jansen, om de surseance in te trekken onder gelijktijdige faillietverklaring van [partij X], niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <para>Deze beschikking is gewezen door mr. Boerma en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 mei 2012, in tegenwoordigheid van mr. Lambregts-Brouwers als griffier.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>