<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBBRE:2011:BR7103</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T22:30:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BR7103</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Breda" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Breda</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2011-09-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">996007-11</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#raadkamer">Raadkamer</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBBRE:2011:BR7103">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBBRE:2011:BR7103</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T08:46:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-09-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBBRE:2011:BR7103 Rechtbank Breda , 08-09-2011 / 996007-11</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBBRE:2011:BR7103:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>bezwaarschrift onthouding stukken (beleggingsfraude)</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBBRE:2011:BR7103:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>RECHTBANK BREDA</para>
    <para />
    <para />
    <para>Parketnummer: 996007-11</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beslissing op het bezwaarschrift ex artikel 32 van het wetboek van</para>
      <para>strafvordering van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[verdachte],</para>
      <para>wonende te [adres]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De procedure.</para>
      <para>De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:</para>
      <para>- het bezwaarschrift;</para>
      <para>- het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer, waaruit blijkt dat de</para>
      <para>  officier van justitie en de raadsman zijn gehoord.</para>
      <para>Verdachte is behoorlijk opgeroepen, doch niet bij de behandeling van het</para>
      <para>bezwaarschrift verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. De beoordeling.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen verdachte, (voormalig) bestuurder van ParTrust Beheer BV, loopt sinds 2</para>
      <para>juni 2010 een strafrechtelijk onderzoek op grond van de verdenking - kort</para>
      <para>gezegd - dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan grootschalige</para>
      <para>beleggingsfraude.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beslissing van 31 mei 2011 heeft de rechtbank het bezwaarschrift van</para>
      <para>verdachte tegen de beslissing van de officier van justitie om processtukken</para>
      <para>te onthouden ongegrond verklaard, omdat - kort gezegd - nog geen sprake was</para>
      <para>van een "criminal charge" zodat verdachte geen aanspraak kon maken op afgifte</para>
      <para>van processtukken (zie LJN: BQ6453).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft bij brief van 27 juli 2011 en 18 augustus 2011</para>
      <para>een aantal processtukken aan de raadsman van verdacht toegezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 2 augustus 2011 heeft de raadsman aan de officier van justitie</para>
      <para>verzocht de tijdens de behandeling van eerdergenoemd bezwaarschrift gedane</para>
      <para>toezegging "dat alle stukken binnen 2 maanden verstrekt zullen worden" na te</para>
      <para>komen en de in zijn brief genoemde stukken af te geven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft in reactie hierop bij brief van 3 augustus</para>
      <para>2011 meegedeeld dat de door de raadsman genoemde stukken vooralsnog in het</para>
      <para>belang van het strafrechtelijk onderzoek worden onthouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting heeft de raadsman herhaald dat de officier van justitie</para>
      <para>alle relevante stukken zoals toegezegd moet afgeven waaronder de stukken van</para>
      <para>de tripartite-overleggen (TPO's) en de rechtshulpverzoeken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft betwist dat door haar tijdens de behandeling</para>
      <para>van het eerste bezwaarschrift de door de raadsman genoemde toezegging is</para>
      <para>gedaan en heeft meegedeeld dat uiterlijk 14 september 2011 "de dan voorhanden</para>
      <para>zijnde processtukken aan de verdediging overgelegd zullen worden, die naar</para>
      <para>redelijke verwachting deel gaan uitmaken van het nog op te stellen</para>
      <para>eind-proces-verbaal". Daarbij stelt de officier van justitie zich op het</para>
      <para>standpunt dat hieronder niet vallen de stukken van het TPO's, omdat deze niet</para>
      <para>als processtuk kunnen worden aangemerkt, en de rechtshulpverzoeken omdat het</para>
      <para>onderzoeksbelang zich hiertegen verzet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De rechtbank overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tussen partijen is niet langer en in geschil - en ook voor de rechtbank staat</para>
      <para>vast - dat thans sprake is van een "criminal charge", nu verdachte inmiddels</para>
      <para>aangehouden en in verzekering gesteld is geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het eerste lid van artikel 30 van het Wetboek van Strafvordering</para>
      <para>staat het openbaar ministerie tijdens het voorbereidend onderzoek de</para>
      <para>verdachte op diens verzoek toe dat hij kennis neemt van de processtukken. Het</para>
      <para>tweede lid van datzelfde artikel biedt het openbaar ministerie de</para>
      <para>mogelijkheid de verdachte de kennisneming van bepaalde processtukken te</para>
      <para>onthouden, indien het belang van het onderzoek dit vordert. In dat geval</para>
      <para>dient de verdachte schriftelijk medegedeeld te worden dat de hem ter inzage</para>
      <para>gegeven stukken niet volledig zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat een beslissing tot het onthouden van</para>
      <para>processtukken slechts met terughoudendheid kan worden genomen vanwege de</para>
      <para>ingrijpende aantasting van de rechten van de verdediging. Een behoorlijke</para>
      <para>procesgang brengt immers met zich mee dat een verdachte kennis moet kunnen</para>
      <para>nemen van de processtukken om zijn verdediging daarop te kunnen baseren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Processtukken zijn die stukken die door de opsporende en vervolgende</para>
      <para>instanties aan het dossier worden toegevoegd. Daarnaast zijn processtukken</para>
      <para>alle stukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beantwoording</para>
      <para>van één van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van</para>
      <para>Strafvordering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de stukken van de TPO's is de rechtbank is van oordeel dat</para>
      <para>de verzochte stukken in beginsel niet behoren tot de processtukken, tenzij er</para>
      <para>zwaarwegende redenen zijn op grond waarvan van die algemene regel moet worden</para>
      <para>afgeweken. Van dergelijke zwaarwegende redenen is vooralsnog onvoldoende</para>
      <para>gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is met betrekking tot de overige processtukken - waaronder de</para>
      <para>rechtshulpverzoeken - van oordeel dat het openbaar ministerie geen concrete</para>
      <para>feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, waaruit zou kunnen blijken dat</para>
      <para>ernstig te vrezen valt dat de verdachte, na kennisneming van de inhoud van de</para>
      <para>onthouden processtukken, de waarheidsvinding ernstig zou kunnen belemmeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie niet voldoende</para>
      <para>aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van het onderzoek onthouding van de</para>
      <para>kennisneming van processtukken vordert en dat het bezwaarschrift daarom</para>
      <para>gegrond dient te worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het vorenstaande kan de vraag of door de officier van justitie</para>
      <para>tijdens de behandeling van het eerste bezwaarschrift bindende toezeggingen</para>
      <para>zijn gedaan over het verstrekken van stukken, onbesproken blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De beslissing.</para>
    <para />
    <para>De rechtbank verklaart het bezwaarschrift gegrond.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven op 8 september 2011 door mr Van Kralingen,</para>
      <para>voorzitter, en mrs Pick en Dekker, rechters in tegenwoordigheid van Jacet,</para>
      <para>griffier.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>