<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBBRE:2009:BK5751</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T09:21:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BK5751</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Breda" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Breda</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2009-12-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">02/801209-09</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#raadkamer">Raadkamer</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJFS 2010, 68</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBBRE:2009:BK5751">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBBRE:2009:BK5751</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T05:35:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2009-12-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBBRE:2009:BK5751 Rechtbank Breda , 04-12-2009 / 02/801209-09</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBBRE:2009:BK5751:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>appel van de ovj tegen de beslissing van de rc tegen de onmiddellijke invrijheidstelling en onrechtmatigheid van de ivs</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBBRE:2009:BK5751:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>RECHTBANK BREDA</para>
    <para />
    <para />
    <para>Parketnummer: 02/801209-09</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beslissing op het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep in de</para>
      <para>zaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[verdachte],</para>
      <para>geboren op [datum en plaats],</para>
      <para>wonende te   Z.V.W.O.V.H.T.L.,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De procedure.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:</para>
      <para>- de appelakte d.d. 23 november 2009;</para>
      <para>- de appelschriftuur d.d. 23 november 2009;</para>
      <para>- het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer, waaruit blijkt dat de</para>
      <para>  officier van justitie en de raadsman zijn gehoord.</para>
      <para>De betrokkene is niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. De beoordeling.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1.Bij beslissing van 20 november 2009 heeft de RC de inverzekeringstelling</para>
      <para>    van verdachte onrechtmatig geoordeeld en de onmiddellijke</para>
      <para>    invrijheidstelling van verdachte bevolen. Daartoe heeft de RC overwogen</para>
      <para>    dat op basis van het proces-verbaal niet kan worden vastgesteld dat de</para>
      <para>    aanhouding van verdachte rechtmatig is verlopen; niet kan worden</para>
      <para>    vastgesteld dat verdachte voorafgaande aan het wapengebruik op enigerlei</para>
      <para>    wijze is gewaarschuwd, terwijl ook uit niets blijkt dat sprake was van een</para>
      <para>    zodanige dreiging dat het afgeven van een waarschuwing in de gegeven</para>
      <para>    omstandigheden niet tot de mogelijkheden behoorde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> 2.2.De officier van justitie heeft tegen deze beslissing hoger beroep</para>
      <para>    ingesteld bij de raadkamer van de rechtbank. De officier van justitie</para>
      <para>    heeft - kort gezegd-  aangevoerd dat disproportioneel geweld bij de</para>
      <para>    aanhouding in het algemeen geen rechtstreeks verband houdt met de</para>
      <para>    inverzekeringstelling en derhalve niet aan de rechter-commissaris kan</para>
      <para>    worden voorgelegd in het kader van de toetsing van de rechtmatigheid van</para>
      <para>    de inverzekeringstelling. Tijdens de behandeling in raadkamer heeft de</para>
      <para>    officier van justitie daar - onder overlegging van een aanvullend</para>
      <para>    proces-verbaal- aan toegevoegd dat er bovendien wel een waarschuwingsschot</para>
      <para>    is gegeven en dat zeker nog niet kan worden vastgesteld dat er sprake is</para>
      <para>    van disproportioneel geweld. In de loop van de procedure moet dit verder</para>
      <para>    worden uitgezocht, maar niet kan worden gezegd dat er sprake is van een</para>
      <para>    onrechtmatige aanhouding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.3.De raadsman heeft tijdens de behandeling betoogd dat de beslissing van de</para>
      <para>    RC een juiste beslissing is geweest en dat ook al zou uit dit aanvullend</para>
      <para>    proces-verbaal blijken dat een waarschuwingsschot is gelost er niettemin</para>
      <para>    sprake is van disproportioneel geweld en dat gehandeld is in strijd met de</para>
      <para>    ambtsinstructie van de politie en de politiewet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.4.Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een onrechtmatige</para>
      <para>    inverzekeringstelling dient de RC te beoordelen:</para>
      <para>    - of degene die in verzekering is gesteld iemand is te wiens aanzien uit</para>
      <para>      feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van een schuld aan een</para>
      <para>      stafbaar feit voortvloeit;</para>
      <para>    - of er sprake is van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is</para>
      <para>      toegelaten;</para>
      <para>    - of de inverzekeringstelling in het belang van het onderzoek is;</para>
      <para>    - of de met betrekking tot de inverzekeringstelling in de wet neergelegde</para>
      <para>      vormvoorschriften in acht zijn genomen;</para>
      <para>    - of de inverzekeringstelling niet op andere gronden, bij voorbeeld wegens</para>
      <para>      strijd met de goede procesorde, onrechtmatig is.</para>
      <para>      Daarbij is de rechtbank van oordeel dat  -gelet op onder meer de</para>
      <para>      uitspraak van de HR van 30 maart 2004, NJ 2004, 376-  het bij uitstek</para>
      <para>      aan de RC is rechtsgevolgen te verbinden ten aanzien van de voortzetting</para>
      <para>      van de vrijheidsbeneming indien er sprake is van vormverzuimen in het</para>
      <para>      voorbereidend onderzoek die betrekking hebben op de toepassing van</para>
      <para>      dwangmiddelen. Kern van de zaak is of de RC onderzoekt of er sprake is</para>
      <para>      geweest van een behoorlijk optreden van de autoriteiten die met de</para>
      <para>      opsporing van het strafbare feit zijn belast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.5.Ter toetsing van de rechtbank staat of de RC, gelet op de gegevens die</para>
      <para>    haar ten dienste stonde, en gelet op bovengenoemde criteria, heeft kunnen</para>
      <para>    oordelen dat er sprake is geweest van een onrechtmatige aanhouding en</para>
      <para>    derhalve van een onrechtmatige inverzekeringstelling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.6.De rechtbank stelt voorop dat bij een schietincident als dit door de</para>
      <para>    politie alle prioriteit moet worden gegeven aan het verduidelijken van de</para>
      <para>    omstandigheden waaronder is geschoten. Uiteraard vergt dit een zorgvuldig</para>
      <para>    onderzoek en er mogen niet te voorbarig conclusies worden getrokken. De</para>
      <para>    rechtbank stelt evenwel vast dat op het moment dat de RC zich een oordeel</para>
      <para>    moest vormen over de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling er zich</para>
      <para>    slechts een kort proces-verbaal in het dossier bevond waarin stond vermeld</para>
      <para>    dat een verdachte met een geweldsmiddel was aangehouden. Het dossier</para>
      <para>    bevatte geen verdere informatie over de vraag onder welke omstandigheden</para>
      <para>    er was geschoten en waarom. Inmiddels waren er ruim twee dagen verstreken.</para>
      <para>    Genoeg tijd om een proces-verbaal te maken, waarin door de betreffende</para>
      <para>    politieagenten was geverbaliseerd wat er tijdens de aanhouding was</para>
      <para>    gebeurd. Tijdens het verhoor door de RC bevond verdachte zich in het</para>
      <para>    ziekenhuis. Hij was ten gevolge van een politiekogel gewond geraakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>    Uit de overige processen-verbaal maakt de rechtbank op dat er een ramkraak</para>
      <para>    had plaatsgevonden aan de Noordhaven te Zevenbergen. De auto waarin</para>
      <para>    verdachte zich bevond is door de politie aangehouden omdat bij de politie</para>
      <para>    het vermoeden bestond dat die auto bij deze ramkraak betrokken was. Deze</para>
      <para>    auto is vervolgens klemgereden. In de auto zaten drie mannen, allen</para>
      <para>    droegen een bivakmuts. Uit het door de officier van justitie in hoger</para>
      <para>    beroep overgelegde proces-verbaal zit een wat gedetailleerder</para>
      <para>    proces-verbaal. Hieruit maakt de rechtbank op dat twee van de drie mannen</para>
      <para>    vervolgens probeerden aan de aanhouding te ontkomen door weg te vluchten.</para>
      <para>    Hierbij is door de politie -na een waarschuwingsschot- geschoten;</para>
      <para>    verdachte is hierdoor gewond geraakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.7.Gelet op het hiervoorgenoemde criteria is de rechtbank van oordeel dat de</para>
      <para>    RC heeft kunnen oordelen dat op basis van de naar voorliggende stukken</para>
      <para>    niet kon worden vastgesteld dat de aanhouding rechtmatig was en er dus</para>
      <para>    sprake is geweest van een onrechtmatige aanhouding en dus van een</para>
      <para>    onrechtmatige inverzekeringstelling. Immers uit de haar ten dienste</para>
      <para>    staande gegevens kon zij niet afleiden onder welke omstandigheden</para>
      <para>    verdachte gewond was geraakt. Wel werd ze geconfronteerd met een door een</para>
      <para>    politiekogel verwonde verdachte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.8.Daarbij merkt de rechtbank op of er sprake is van disproportioneel geweld</para>
      <para>    dan wel of er sprake is van een handeling door de politie die tegen de</para>
      <para>    ambtsinstructie en de politiewet indruist op dit ogenblik niet definitief</para>
      <para>    is vast te stellen. Daarvoor is de informatie te gering en is nader</para>
      <para>    onderzoek nodig.</para>
      <para>    Ook met het nadere proces-verbaal dat door de officier van justitie is</para>
      <para>    overgelegd kan dit niet worden vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.9.Het hoger beroep dient mitsdien te worden verworpen.</para>
    <para />
    <para />
    <para>3. De beslissing.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verwerpt het door de officier van justitie ingestelde hoger</para>
      <para>beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven op 4 december 2009 door mr Janssen, voorzitter,</para>
      <para>en mrs Rijken en van Breugel, rechters in tegenwoordigheid van Jacet, griffier.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>