<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBBRE:2008:BG2033</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-30T19:56:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBBRE:2008:3399</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BG2033</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Breda" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Breda</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2008-09-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 07/5450</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHSHE:2010:BM5101" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2010:BM5101, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2009/8.3.2</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2008-2261</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2008103002</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBBRE:2008:BG2033">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBBRE:2008:BG2033</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T03:41:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2008-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBBRE:2008:BG2033 Rechtbank Breda , 24-09-2008 / AWB 07/5450</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBBRE:2008:BG2033:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Belanghebbende is advocaat en heeft in het verleden een seksuele relatie onderhouden met een vroegere cliënte</para>
      <para />
      <para>Hij heeft over het onderhavige jaar € 112.500 aan haar betaald. Belanghebbende stelt dat hij tot deze betalingen is gedwongen en dat deze voortvloeien uit </para>
      <para />
      <para>chantage, afpersing en oplichting door de vroegere cliente.  Volgens belanghebbende is sprake van ondernemingskosten. De inspecteur betwist de aftrek. </para>
      <para />
      <para> </para>
      <para />
      <para>De rechtbank oordeelt dat indien een advocaat een seksuele relatie aangaat met een van zijn cliënten, dit niet plaatsvindt binnen de kaders van de zakelijke verhouding die een advocaat met zijn cliënt(e) onderhoudt. Het aangaan van een dergelijke relatie is het toegeven aan of streven naar persoonlijke behoeftenbevrediging, hetgeen uitsluitend plaatsvindt in de privésfeer en naar zijn aard geen verband houdt met de door belanghebbende uitgeoefende onderneming. Vast staat dat de door belanghebbende gedane betalingen voortvloeien uit het feit dat hij een seksuele relatie onderhield. Die betalingen zijn in beginsel dan ook geen kosten die ten laste van de winst uit de onderneming kunnen worden gebracht. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat en in hoeverre de gedane betalingen niet in de privésfeer zijn gelegen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBBRE:2008:BG2033:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>RECHTBANK BREDA</para>
      <para>Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer</para>
      <para>Procedurenummer: AWB 07/5450</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraakdatum: 24 september 2008</para>
    <para />
    <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[belanghebbende], wonende te [woonplaats],</para>
      <para>eiser,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de inspecteur van de Belastingdienst,</para>
      <para>verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en inspecteur.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De bestreden uitspraak op bezwaar </para>
      <para>De uitspraak van de inspecteur van 23 november 2007 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2003 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting </para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2008 te [woonplaats]. </para>
      <para>Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede de inspecteur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para> </para>
    <para>1.	Beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para />
    <para>2.	Gronden</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1.	Belanghebbende is advocaat. Hij heeft in het verleden een seksuele relatie </para>
      <para>onderhouden met een vroegere cliënte van zijn advocatenkantoor, [cliente]. Belanghebbende heeft over het onderhavige jaar € 112.500 aan [cliente] betaald. Belanghebbende stelt dat hij tot deze betalingen is gedwongen en dat deze voortvloeien uit chantage, afpersing en oplichting door [cliente]. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2.	Volgens belanghebbende dienen voornoemde betalingen als ondernemingskosten </para>
      <para>ten laste van zijn inkomen te worden gebracht, omdat deze strekken tot het voorkomen van schadelijke publiciteit voor zijn onderneming. De inspecteur betwist de aftrek en stelt zich op het standpunt dat de oorzaak van de betalingen in de privé-sfeer is gelegen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.3.	Indien een advocaat een seksuele relatie aangaat met een van zijn cliënten, vindt dit niet plaats binnen de kaders van de zakelijke verhouding die een advocaat met zijn cliënt(e) onderhoudt. Het aangaan van een dergelijke relatie is het toegeven aan of streven naar persoonlijke behoeftenbevrediging, hetgeen uitsluitend plaatsvindt in de privésfeer en naar zijn aard geen verband houdt met de door belanghebbende uitgeoefende onderneming. Vast staat dat de door belanghebbende gedane betalingen voortvloeien uit het feit dat hij een seksuele relatie onderhield met [cliente]. Die betalingen zijn in beginsel dan ook geen kosten die ten laste van de winst uit de onderneming kunnen worden gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met hetgeen hij heeft gesteld en bijgebracht, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat en in hoeverre de gedane betalingen niet in de privésfeer zijn gelegen.</para>
    <para />
    <para>2.4.	Voorzover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de betalingen als alimentatie in aanmerking kunnen worden genomen, kan hem dit niet baten, nu het kind ter zake waarvan de betalingen zijn verricht, niet belanghebbendes kind blijkt te zijn. Van een onderhoudsverplichting in de zin van artikel 6.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is dan geen sprake, althans dat is niet aannemelijk geworden.</para>
    <para />
    <para>2.5.	Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>2.6.	De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan op 24 september 2008 door mr. W. Brouwer, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.</para>
    <para />
    <para>Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: </para>
    <para />
    <para>Rechtsmiddel</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, </para>
      <para>5201 CZ ’s-Hertogenbosch.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:</para>
      <para>1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
      <para>2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      <para> 	a. de naam en het adres van de indiener;</para>
      <para>	b. een dagtekening;</para>
      <para> 	c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;</para>
      <para> 	d. de gronden van het hoger beroep.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>