<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBBRE:2006:BG7104</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-10-13T11:14:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBBRE:2006:77</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBBRE:2006:2030</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBBRE:2006:2364</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BG7104</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Breda" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Breda</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2006-12-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 06/3156</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBBRE:2006:BG7104">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBBRE:2006:BG7104</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T03:54:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2008-12-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBBRE:2006:BG7104 Rechtbank Breda , 21-12-2006 / AWB 06/3156</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBBRE:2006:BG7104:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>geen samenvatting</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBBRE:2006:BG7104:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>RECHTBANK BREDA</para>
      <para>Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer</para>
      <para>Procedurenummer: AWB 06/3156</para>
      <para>Uitspraakdatum: 21 december 2006</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen</para>
    <para />
    <para>[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.</para>
    <para />
    <para>Eiser en verweerder worden hierna aangeduid als respectievelijk belanghebbende en de inspecteur.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De bestreden uitspraken op bezwaar </para>
      <para>De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 4 mei 2006 op de bezwaren van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor de jaren 2001 en 2002 opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar belastbaar inkomens van respectievelijk:</para>
      <para>-	2001: uit werk en woning (hierna: box 1) van € 57.677, waarbij de persoonsgebonden aftrek per 31 december 2001 is vastgesteld op € 244.729, uit aanmerkelijk belang (hierna: box 2) van € 29.950 en uit sparen en beleggen (hierna: box 3) van € 19.383;</para>
      <para>-	2002: uit box 1 van € 14.503, waarbij de persoonsgebonden aftrek per 31 december 2002 is vastgesteld op € 247.338 en uit box 3 van € 6.851.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zitting </para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2006 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde, alsmede, de inspecteur.</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <para />
    <para>1.	Beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para />
    <para>2.	Gronden</para>
    <para />
    <para>2.1. Belanghebbende en zijn echtgenote hebben op 15 augustus 2000 een monumentenpand, bekend als “[pand]” te [woonplaats] (hierna: het pand) gekocht voor een bedrag van          ƒ 2.391.393. Het pand is gerenoveerd voor een bedrag van in totaal ƒ 4.547.888. Vanaf 8 december 2001 verhuurden belanghebbende en zijn echtgenote een gedeelte van het pand aan [BV] (hierna: de B.V.), van welke vennootschap zij beiden 50% van de aandelen bezitten. Tussen partijen is niet in geschil dat de aankoop- en renovatiekosten van het aan de B.V. verhuurde gedeelte van het pand (hierna het winkelgedeelte van het pand) € 1.560.215 bedragen. Het winkelgedeelte van het pand is op de openingsbalans opgenomen tegen de getaxeerde waarde van € 1.300.000. </para>
    <para />
    <para>2.2. Belanghebbende en zijn echtgenote stellen dat het verschil tussen beide laatstgenoemde bedragen, ad € 260.215, vermeerderd met de aan het winkelgedeelte van het pand toe te rekenen deel van de financieringsrente dat tijdens de bouwperiode is betaald, ad € 25.206, in totaal derhalve € 285.421, is aan te merken als aanloopverlies. Van dit bedrag zou € 250.042 aftrekbaar zijn in box 1, waarvan 50%, dus € 125.021, is toe te rekenen aan belanghebbende. Volgens belanghebbende resulteert dit in een verrekenbaar verlies in box 1 per 31 december 2001 van € 72.270 en per 31 december 2002 van € 65.598. Het bedrag aan te verrekenen persoonsgebonden aftrek zou per 31 december 2001 € 299.186 en per 31 december 2002      € 305.993 belopen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.3. In de uitspraken op bezwaar zijn de aanslagen over 2001 en 2002 als volgt vastgesteld:</para>
      <para>-	2001: belastbaar inkomen uit box 1 verlaagd tot € 52.751, waarbij de persoonsgebonden aftrek per 31 december 2001 is vastgesteld op € 246.435, belastbaar inkomen uit box 2 gehandhaafd op € 29.950 en belastbaar inkomen uit box 3 verhoogd tot € 24.534;</para>
      <para>-	2002: belastbaar inkomen uit box 1 verlaagd tot € 6.672, waarbij de persoonsgebonden aftrek per 31 december 2002 is vastgesteld op € 246.570 en belastbaar inkomen uit box 3 verhoogd tot € 17.155.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.4. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende in 2001 een aanloopverlies in aanmerking mag nemen tot een bedrag van € 125.021 en of, in verband daarmee, het bedrag aan te verrekenen persoonsgebonden aftrek per 31 december 2001 en per 31 december 2002 dient te worden verhoogd.</para>
    <para />
    <para>2.5. De rechtbank overweegt dat de terbeschikkingstelling van een vermogensbestanddeel pas als werkzaamheid in de zin van artikel 3.91, eerste lid, onderdeel a van de Wet IB 2001 kwalificeert op het moment dat hiermee vermogen rendabel wordt gemaakt. In het onderhavige geval is dit moment gelegen op 8 december 2001, aangezien het winkelgedeelte van het pand vanaf dát moment aan de B.V. werd verhuurd. Van 1 januari 2001 tot 8 december 2001 viel het winkelgedeelte van het pand derhalve in box 3. De aan het winkelgedeelte van het pand toe te rekenen kosten konden in box 3 niet in aftrek worden gebracht en kunnen dan ook geen aanloopverlies met zich meebrengen. Vóór 1 januari 2001 viel het winkelgedeelte van het pand onder de vermogensbelasting en ook toen konden de kosten niet worden afgetrokken, zodat ook de periode vóór 1 januari 2001 geen aanloopverlies mee kan brengen.</para>
    <para />
    <para>2.6. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>2.7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan op 21 december 2006 door mr. D. Hund, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.</para>
    <para />
    <para>Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: </para>
    <para />
    <para>Rechtsmiddel</para>
    <para />
    <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:</para>
      <para>1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
      <para>2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      <para> 	a. de naam en het adres van de indiener;</para>
      <para>	b. een dagtekening;</para>
      <para>c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;</para>
      <para>d. de gronden van het hoger beroep.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>