<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBBRE:2005:AT2840</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T14:06:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AT2840</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Breda" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Breda</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2005-03-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">144090 /KG ZA 05-154</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBBRE:2005:AT2840">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBBRE:2005:AT2840</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T22:09:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-03-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBBRE:2005:AT2840 Rechtbank Breda , 24-03-2005 / 144090 /KG ZA 05-154</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBBRE:2005:AT2840:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ter beoordeling staat of eiser (beeldend kunstenaar) 22 jaar geleden aan een vriend twee beelden heeft geschonken of dat sprake was van bruikleen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBBRE:2005:AT2840:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>144090 /KG ZA 05-154	RECHTBANK BREDA</para>
    <para />
    <para>24 maart 2005	Sector Handelsrecht</para>
    <para />
    <para>Voorzieningenrechter </para>
    <para />
    <para>VONNIS IN KORT GEDING</para>
    <para />
    <para>in de zaak van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[eiser],		</para>
      <para>wonende te Lagoa, Portugal,</para>
      <para>e i s e r  bij dagvaarding van 17 maart 2005,</para>
      <para>procureur: mr. P.C.H. Jansen,</para>
    </parablock>
    <para>		</para>
    <para>t e g e n : </para>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>[gedaagde],</para>
      <para>wonende te Dongen,</para>
      <para>g e d a a g d e ,</para>
      <para>i n  p e r s o o n  v e r s c h e n e n .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Het verloop van het geding.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit blijkt uit de navolgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken:</para>
      <para>- de dagvaarding; </para>
      <para>- de pleitnota van mr. Jansen en de door eiser in het geding gebrachte producties;</para>
      <para>- de pleitnota van mr. M.C.J. Heinz, rechtshelper, die namens gedaagde mede het woord heeft gevoerd;</para>
      <para>- de door gedaagde in het geding gebrachte producties.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Het geschil.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser vordert gedaagde, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om </para>
      <para>binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de twee op de bij de dagvaarding overgelegde </para>
      <para>productie 1 afgebeelde houtsculpturen in goede staat aan eiser af te geven zulks op straffe </para>
      <para>van een dwangsom van € 2.500,-- per dag voor iedere dag dat gedaagde in gebrek zal </para>
      <para>blijven aan die verlichting te voldoen en met veroordeling van gedaagde in de kosten van </para>
      <para>het geding. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>3. De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.1</para>
      <para>De voorzieningenrechter gaat uit van de navolgende vaststaande feiten.</para>
      <para>Eiser en gedaagde hebben elkaar als collega's in het onderwijs leren kennen en zijn </para>
      <para>bevriend geraakt en gebleven tot het moment waarop het onderhavige geschil is gerezen.</para>
      <para>Eiser is in 1983 geëmigreerd naar Portugal. Voor zijn vertrek naar Portugal heeft hij in </para>
      <para>1983 een drietal door hem vervaardigde beelden bij gedaagde achtergelaten.</para>
      <para>Omstreeks 1995 is een van die beelden, een betonnen beeld, door gedaagde op verzoek </para>
      <para>van eiser in het bezit van eiser gesteld.</para>
      <para>Op 6 maart 2005 heeft eiser telefonisch contact opgenomen met gedaagde waarbij hij </para>
      <para>gedaagde heeft gevraagd de twee andere beelden af te staan voor een in Portugal </para>
      <para>georganiseerde overzichtstentoonstelling van de kunstwerken van eiser. Gedaagde heeft </para>
      <para>in  dit telefoongesprek ingestemd met afgifte.</para>
      <para>Vervolgens heeft de echtgenote van gedaagde op 11 maart 2005 het navolgende bericht </para>
      <para>per e-mail aan eiser verzonden:</para>
      <para>Naar aanleiding van het telefoongesprek van afgelopen zondag stuur ik je dit bericht. </para>
      <para>Kees vertelde wat jullie afgesproken hadden, maar ik vind dat niet zo'n goed idee. Deze </para>
      <para>objecten staan op een prominente plaats in ons huis en ik vind dat ze daar moeten blijven </para>
      <para>staan. Helaas, Willem maar jouw expositie zal daar niet minder om zijn. Je hebt de </para>
      <para>laatste tijd toch niet stilgezeten !!</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft vervolgens bij brief van zijn raadsman van 14 maart 2005 het standpunt </para>
      <para>ingenomen eigenaar te zijn van de beelden, dat deze onder de titel van bruikleen of </para>
      <para>bewaarneming aan gedaagde waren afgestaan en gedaagde gesommeerd de beelden terug </para>
      <para>te geven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.2</para>
      <para>Het spoedeisend belang van eiser acht de voorzieningenrechter gegeven door het belang </para>
      <para>van eiser zijn gehele artistieke oeuvre aan het publiek te kunnen presenteren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.3</para>
      <para>Eiser stelt dat hij de beelden in 1983 ten titel van bruikleen of ten titel van bewaargeving </para>
      <para>bij gedaagde heeft achtergelaten. Grondslag van de vordering in het lichaam van de </para>
      <para>dagvaarding is dit door eiser gestelde eigendomsrecht en de inmiddels geëindigde </para>
      <para>overeenkomst van bruikleen dan wel bewaargeving.</para>
      <para>Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft eiser als primaire grondslag </para>
      <para>aangevoerd de op 5 maart 2005 tussen partijen overeengekomen bruikleenovereenkomst </para>
      <para>waarin gedaagde zich heeft verplicht om de beelden voor de duur van de expositie in </para>
      <para>Portugal af te staan aan eiser. Subsidiair beroept eiser zich op zijn eigendomsrecht, </para>
      <para>stellende dat de beelden aan gedaagde in bruikleen dan wel bewaargeving zijn afgestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.4</para>
      <para>Gedaagde verweert zich met de stelling dat eiser in 1983 het betonnen beeld in bruikleen </para>
      <para>heeft gegeven maar de beide houten beelden aan hem heeft geschonken zodat deze zijn </para>
      <para>eigendom zijn.</para>
      <para>Gedaagde erkent toegezegd te hebben de beelden in bruikleen af te staan doch wenst </para>
      <para>daaraan thans zekerheidstelling in de vorm van een bankgarantie tot een bedrag van </para>
      <para>€ 2.500,00 te verbinden als voorwaarde voor het geval eiser de beelden na het einde van </para>
      <para>de expositie niet zou retourneren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>3.5</para>
      <para>Uit de antwoorden van gedaagde op de vragen van de voorzieningenrechter is gebleken </para>
      <para>dat eiser -volgens gedaagden- in het telefoongesprek van 5 maart 2005 desgevraagd aan </para>
      <para>gedaagde heeft bevestigd dat gedaagde zich eigenaar mag noemen van de beelden en dat </para>
      <para>hij de beelden na afloop van de expositie zou teruggeven. Gedaagde heeft voorts </para>
      <para>meegedeeld dat na afloop van dat telefoongesprek bij zijn echtgenote aarzelingen zijn </para>
      <para>gerezen over de vraag of eiser ook woord zou houden. Die aarzelingen heeft gedaagde </para>
      <para>vervolgens overgenomen, zo heeft hij verklaard, en dit was de reden voor het verzenden </para>
      <para>van de hiervoor geciteerde e-mail. Gedaagde heeft niet kunnen verklaren waarop die </para>
      <para>aarzelingen waren gebaseerd.</para>
      <para>Voor de voorzieningenrechter is onbegrijpelijk dat eiser reeds op dat moment, gegeven de </para>
      <para>hechte vriendschapsrelatie tussen partijen, dergelijke gedachten heeft ontwikkeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.6</para>
      <para>Op grond van het in art. 3:109 BW bepaalde wordt gedaagde geacht de beelden voor </para>
      <para>zichzelf te houden. Om die reden zal het in een eventuele bodemprocedure aan eiser zijn </para>
      <para>het door hem gestelde eigendomsrecht te bewijzen. Eiser zal daartoe dus dienen aan te </para>
      <para>tonen dat hij de beelden in 1983 ten titel van bruikleen of bewaargeving heeft afgestaan. </para>
      <para>Dit bewijs is thans nog niet voorhanden zodat de vordering op de subsidiaire grondslag </para>
      <para>niet kan slagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.7</para>
      <para>Ofschoon, zoals hiervoor onder 3.4 is overwogen, menselijkerwijs gesproken </para>
      <para>onbegrijpelijk is dat gedaagde zonder enige aanleiding argwanend is geworden en om die </para>
      <para>reden zijn aanvankelijke onvoorwaardelijke instemming met bruikleen voor de duur van </para>
      <para>de expositie in Portugal, nadien afhankelijk heeft gesteld van het stellen van zekerheid, </para>
      <para>dient thans vastgesteld te worden dat eiser zich inmiddels op het standpunt stelt eigenaar </para>
      <para>te zijn gebleven van de beelden. Desgevraagd heeft de raadsman van eiser ter zitting ook </para>
      <para>meegedeeld na revindicatoir beslag een vordering tot afgifte in te zullen stellen. </para>
      <para>Een onvoorwaardelijke toezegging de beelden na de expositie opnieuw in bezit te stellen </para>
      <para>van gedaagde heeft eiser (bij monde van zijn raadsman) niet gedaan.</para>
      <para>Gegeven de huidige situatie, waarnaar de vordering beoordeeld dient te worden, is de </para>
      <para>vrees van gedaagde dat de beelden na afloop van de expositie niet geretourneerd zullen </para>
      <para>worden, hoewel aanvankelijk volstrekt ongegrond, thans niet langer denkbeeldig.</para>
      <para>In deze omstandigheden kan van gedaagde niet langer gevergd worden de toezegging </para>
      <para>gestand te doen zonder enige zekerheid.</para>
      <para>Ofschoon de beelden volgens gedaagde een waarde vertegenwoordigen van € 2.500,-- </para>
      <para>acht de voorzieningenrechter zekerheid tot een bedrag van € 1.000,-- voldoende. </para>
      <para>De slotsom van al het voorgaande is dat de vordering toewijsbaar is, echter met dien </para>
      <para>verstande dat eiser een teruggaveplicht zal worden opgelegd en gedaagde eerst tot afgifte </para>
      <para>gehouden is nadat eiser zekerheid heeft gesteld tot een bedrag van € 1.000,00, aldus zoals </para>
      <para>hierna in de beslissing te vermelden.</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <para />
    <para>4. De kosten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde zal in de kosten worden veroordeeld nu het ontstaan van de geschillen aan zijn </para>
      <para>handelwijze is toe te rekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De beslissing in kort geding.</para>
    <para />
    <para>De voorzieningenrechter </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt gedaagde binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, nadat eiser zekerheid </para>
      <para>heeft gesteld tot een bedrag van € 1.000,-- in de vorm van een bankgarantie, de twee op </para>
      <para>de bij dagvaarding overgelegde productie 1 afgebeelde houtsculpturen in goede staat aan </para>
      <para>eiser af te geven, onder gehoudenheid van eiser de beelden na afloop van de expositie, </para>
      <para>doch uiterlijk op 1 oktober 2005, weer bij gedaagde af te leveren;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat gedaagde een dwangsom verbeurt van €  500,-- per dag dat hij in gebreke </para>
      <para>blijft aan voormelde veroordeling te voldoen, met bepaling dat aan dwangsommen </para>
      <para>maximaal € 10.000,-- kan worden verbeurd; </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt gedaagde partij in de kosten van het geding deze voorzover aan de zijde van </para>
      <para>de wederpartij gevallen tot op heden begroot op €  1.145,60, waaronder begrepen een </para>
      <para>bedrag van € 816,00 aan salaris;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    <para />
    <para>weigert het meer of anders gevorderde.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.G.M. van der Weide, voorzieningenrechter, en bij </para>
      <para>vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van donderdag 24 </para>
      <para>maart 2005, in tegenwoordigheid van mr. D.G.E.C.Th. Schütz, waarnemend griffier.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>