<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBBRE:1999:AA4821</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T03:04:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA4821</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Breda" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Breda</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-10-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/1716 GEMWT COO VV, 99/171 GEMWT, 99/1811 GEMWT</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBBRE:1999:AA4821">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBBRE:1999:AA4821</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:58:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2004-03-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBBRE:1999:AA4821 Rechtbank Breda , 26-10-1999 / 99/1716 GEMWT COO VV, 99/171 GEMWT, 99/1811 GEMWT</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBBRE:1999:AA4821:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBBRE:1999:AA4821:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>99 / 1716 GEMWT COO VV	President van de Arrondissementsrechtbank te Breda 99 / 1717 GEMWT  99 / 1811 GEMWT COO VV 99 / 1812 GEMWT 	 </para>
    <para />
    <para>Uitgesproken d.d.: 26 oktober 1999 </para>
    <para />
    <para>UITSPRAAK inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht  (Awb), tevens uitspraak in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb </para>
    <para />
    <para>in het geding tussen: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A Holding B N.V. (hierna:A), te B,</para>
      <para>mr. J.J.P. de Voort, gemachtigde, C Nederland N.V. (hierna:C), te B,</para>
      <para>mr. L.M. Koenraad, gemachtigde,</para>
      <para>verzoeksters, </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en </para>
    <para />
    <para>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, te Breda,  verweerder. </para>
    <para />
    <para> </para>
    <para />
    <para>1. Procesverloop: </para>
    <para />
    <para>Bij besluiten van 8 april 1999 heeft verweerder A (eigenaar), C (huurder)  en D Beheer BV (onderhuurder; hierna: D) aangeschreven binnen acht  weken de illegale aanbouw aan het pand […]Markt 4-6-8 te B te verwijderen en  de voorgevel van het pand te herstellen in de oorspronkelijke staat op verbeurte van  een dwangsom van f 15.000,- voor iedere maand of deel daarvan dat niet aan de  aanschrijving is voldaan met een maximum van f 150.000,-. De termijn is bij besluit  van 26 mei 1999 verlengd tot zes weken na de beslissing op het ingediende  bezwaarschrift. </para>
    <para />
    <para>Bij besluiten van 20 september 1999 heeft verweerder de aan C en D  gerichte besluiten ingetrokken en de bezwaren van A ongegrond verklaard.  Tegen de ongegrondverklaring van de bezwaren (hierna: het bestreden besluit)  hebben A en C beroep ingesteld bij deze rechtbank bij brieven van  28 september 1999 respectievelijk 11 oktober 1999. Bij brieven van gelijke data  hebben zij zich tevens tot de president gewend met een verzoek tot het treffen van een  voorlopige voorziening. Bij besluit van 19 oktober 1999 heeft verweerder de  begunstigingstermijn verlengd tot 1 maart 2000. </para>
    <para />
    <para>De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 22 oktober 1999. A is verschenen bij gemachtigde mr. H.J. van der Wal. C is verschenen bij gemachtigde mr. L.M. Koenraad. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. P.L.J. Verhoef. </para>
    <para />
    <para>2. Beoordeling: </para>
    <para />
    <para>Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de  president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek  een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken  belangen, dat vereist. </para>
    <para />
    <para>Gelet op de voorbereidingstijd die met het voldoen aan de aanschrijving is gemoeid, is  de president van oordeel dat de verlenging van de begunstigingstermijn tot 1 maart  2000 het spoedeisende karakter niet wegneemt. De president komt derhalve toe aan  behandeling van het verzoek. </para>
    <para />
    <para>Anders dan verweerder is de president van oordeel dat C als huurder  belanghebbende is bij het aan A gerichte besluit. De lastgeving betreft het  gehuurde en raakt derhalve een rechtstreeks belang van C. Het feit dat  C het pand thans heeft onderverhuurd aan D maakt dat niet anders. </para>
    <para />
    <para>Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan tegen een op bezwaar genomen besluit geen  beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden  verweten geen bezwaar te hebben gemaakt tegen het oorspronkelijke besluit. </para>
    <para />
    <para>De besluiten van 8 april 1999 zijn identiek qua motivering en lastgeving. De besluiten  kunnen worden beschouwd als één besluit, gericht aan drie (rechts)personen. Naar  het oordeel van de president kan het C redelijkerwijs niet worden verweten dat  zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het aan A gerichte besluit. Het is  begrijpelijk dat C meende afdoende tegen de lastgeving te zijn opgekomen  door bezwaar te maken tegen het aan haar gerichte besluit. </para>
    <para />
    <para>Ingevolge artikel 125 van de Gemeentewet in samenhang met de artikelen 5:32 en  5:21 van de Awb is verweerder bevoegd tot opleggen van een last onder dwangsom  teneinde op te treden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk  voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten. </para>
    <para />
    <para>Als overtreden norm heeft verweerder in de besluiten van 8 april en 20 september  1999 uitdrukkelijk genoemd de bepalingen in het bestemmingsplan Binnenstad waaruit  zou volgen dat vóór de bouwgrens niet mag worden gebouwd. In het besluit van  8 april 1999 is afstand genomen van artikel 40 van de Woningwet (Ww) als grondslag  voor een aanschrijving. </para>
    <para />
    <para>Naar het oordeel van de president kan verweerder de bevoegdheid tot het opleggen  van een last onder dwangsom niet ontlenen aan strijdigheid van het bouwwerk met de  bouwvoorschriften van het bestemmingsplan. Indien het bouwwerk in strijd is met een  bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen moet een  bouwvergunning ingevolge artikel 44 van de Ww worden geweigerd. Ingevolge artikel  40 van de Ww is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een  bouwvergunning. Uit deze systematiek volgt dat de bouwvoorschriften van een  bestemmingsplan geen zelfstandig bouwverbod c.q. verplichting in de zin van artikel  5:21 van de Awb in het leven roepen. Zij hebben, anders dan de gebruiksvoorschriften  van een bestemmingsplan, geen verordeningsfunctie maar uitsluitend een  toetsingsfunctie. </para>
    <para />
    <para>Ter zitting heeft verweerder als gewijzigde grondslag van de lastgeving aangevoerd  dat de gebruiksvoorschriften, in het bijzonder artikel 19 van het bestemmingsplan  Binnenstad, zijn overtreden. Uit dit ter zitting ingenomen standpunt volgt dat het  bestreden besluit niet berust op de motivering die erin is vermeld en ook reeds om die  reden in aanmerking komt voor vernietiging. Ten overvloede zij vermeld dat  verweerder naar het voorlopige oordeel van de president de bevoegdheid tot het  opleggen van een last onder dwangsom in de onderhavige situatie evenmin kan  ontlenen aan het gebruiksvoorschrift van het bestemmingsplan, nu het aanwezig  hebben van bebouwing naar het oordeel van de president in dit kader niet kan worden  aangemerkt als een vorm van gebruik van de grond. Het bouwen wordt gereguleerd  door en via artikel 40 van de Ww, waarnaast geen ruimte bestaat om op basis van de  gebruiksvoorschriften tegen bebouwing als zodanig op te treden. </para>
    <para />
    <para>Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb heeft de president na behandeling ter  zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid, indien hij van  oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling  van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. De president ziet  aanleiding in dit geval van deze bevoegdheid gebruik te maken.  </para>
    <para />
    <para>Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. Het bestreden  besluit zal worden vernietigd en verweerder zal worden opgedragen een nieuwe  beslissing te nemen op het bezwaarschrift van A. Het besluit van 8 april 1999  zal worden geschorst tot zes weken na de nieuwe beslissing op het bezwaarschrift.  Vanwege de gegrondverklaring van het beroep is er reden voor een  proceskostenveroordeling, begroot op basis van het Besluit proceskosten  Bestuursrecht. Voorts dient het griffierecht aan verzoeksters te worden vergoed. </para>
    <para />
    <para>Tot slot zal het namens A gedane verzoek tot vergoeding van schade  bestaande in de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase worden afgewezen. Niet  valt in te zien dat sprake is van een als uiterst onzorgvuldig aan te merken (c.q. "tegen  beter weten in" totstandgekomen) primaire besluitvorming. In het bijzonder is de  hiervoor besproken kwestie omtrent de aan de aanschrijving ten grondslag gelegde  voorschriften niet zodanig evident, dat die conclusie zou kunnen worden getrokken.  </para>
    <para />
    <para>3. Beslissing: </para>
    <para />
    <para>De president: </para>
    <para />
    <para>verklaart de beroepen gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 20 september  1999, zoals dat is gewijzigd bij besluit van 19 oktober 1999;    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van A  met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; </para>
    <para />
    <para>schorst het aan A gerichte besluit van 8 april 1999 tot zes weken na de  verzending van de te nemen beslissing op bezwaar; </para>
    <para />
    <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeksters, voor ieder afzonderlijk  tot een bedrag van f 1.420,-, te vergoeden door de gemeente Breda; </para>
    <para />
    <para>gelast dat de gemeente Breda verzoeksters het door hen betaalde griffierecht van  ieder f 900,- (ieder 2 x f 450,-) vergoedt; </para>
    <para />
    <para>wijst het verzoek tot vergoeding van schade af. </para>
    <para />
    <para>Deze uitspraken zijn gedaan en uitgesproken in het openbaar door mr. Cooijmans, in  tegenwoordigheid van mr. Hulshof als griffier, op 26 oktober 1999. </para>
    <para />
    <para>Tegen deze uitspraken, voorzover daarbij op het beroep is beslist, kunnen partijen,  alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep instellen bij de Afdeling  bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.  De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan  op de dag na de datum van verzending van het afschrift van deze uitspraken. Tegen de uitspraken inzake de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open. </para>
    <para />
    <para>Afschrift verzonden d.d.: jf</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>