<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBASS:2000:AA8584</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-12T10:36:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA8584</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Assen" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Assen</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-11-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">99/759 BELEI P09 G01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBASS:2000:AA8584">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBASS:2000:AA8584</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:14:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBASS:2000:AA8584 Rechtbank Assen , 22-11-2000 / 99/759 BELEI P09 G01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBASS:2000:AA8584:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBASS:2000:AA8584:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>Arrondissementsrechtbank Assen   </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zevende meervoudige kamer</para>
      <para>voor  bestuursrechtelijke zaken   </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Kenmerk: 99 / 759 BELEI P09 G01   </para>
    <para />
    <para>                          U I T S P R A A K   </para>
    <para />
    <para>   </para>
    <para />
    <para>In het geding tussen   </para>
    <para />
    <para>[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,   </para>
    <para />
    <para>en   </para>
    <para />
    <para>de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder.   </para>
    <para />
    <para>I. Procesverloop   </para>
    <para />
    <para>Bij besluit van 21 oktober 1999 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 5  april 1999 ongegrond verklaard en laatstgenoemd besluit gehandhaafd, inhoudende de toekenning aan eiser van een tegemoetkoming van ƒ 2.250,- in het kader van de Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998.   </para>
    <para />
    <para>Namens eiser is bij brief van 5 november 1999 tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.   </para>
    <para />
    <para>Verweerder heeft bij brief van 13 december 1999 de op de zaak betrekking hebbende stukken alsmede een verweerschrift ingezonden.   </para>
    <para />
    <para>De gemachtigde van eiser heeft hiervan een afschrift ontvangen.   </para>
    <para />
    <para>Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank op 4 oktober  2000, alwaar eiser is verschenen bij gemachtigde [gemachtigde].  Verweerder, daartoe ambtshalve opgeroepen, is verschenen bij gemachtigden [gemachtigden].   </para>
    <para />
    <para>II. Motivering   </para>
    <para />
    <para>Feiten   </para>
    <para />
    <para>Als gevolg van zware regenval op 27 en 28 oktober 1998, heeft eiser - aan de hand van een  daartoe bestemd formulier - schade gemeld bij Laser (de Dienst Landelijke service bij regelingen  van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij).   </para>
    <para />
    <para>Nadat deze melding in behandeling is genomen, heeft een onafhankelijke schade-expert op 13  januari 1999 vastgesteld welke werkzaamheden moeten worden uitgevoerd om de schade te herstellen.   </para>
    <para />
    <para>Op 22 januari 1999 heeft eiser bij Laser een aanvraag ingediend voor een tegemoetkoming in de  kosten van de extreme regenval in oktober 1998.   </para>
    <para />
    <para>Een controleur van de zijde van verweerder heeft op 12 februari 1999 de door de schade-expert  getaxeerde kosten van ƒ 6.030,63 herleid naar een schadebedrag van ƒ 2.500,- en de schade als  gevolg van de ramp op dit laatste bedrag vastgesteld.   </para>
    <para />
    <para>Bij het primaire besluit van 5 april 1999 is namens verweerder aan eiser medegedeeld dat de  getaxeerde schade aan opstal (onroerend goed) ƒ 2.500,- bedraagt en dat de tegemoetkoming  neerkomt op ƒ 2.250,- (90% van de getaxeerde schade). Eiser is er voorts op gewezen dat hij om  een hertaxatie kan vragen.    </para>
    <para />
    <para>Namens eiser is hiertegen bij brief van 10 mei 1999 bezwaar gemaakt.   </para>
    <para />
    <para>Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren (kennelijk) ongegrond verklaard en  het primaire besluit gehandhaafd.   </para>
    <para />
    <para>Standpunt eiser   </para>
    <para />
    <para>Eiser stelt dat het laten uitvoeren van een contra-expertise geen zin meer had, omdat hij  overeenkomstig de mededelingen van de schade-expert tijdens de eerste expertise reeds tot  reparatie is overgegaan.   </para>
    <para />
    <para>Met betrekking tot verweerders standpunt dat een deel van de kosten niet voor een tegemoetkoming in aanmerking komen, merkt eiser op dat het hier niet gaat om kosten van preventie maar  van herstelwerkzaamheden De kelderwanden zijn geïnjecteerd waardoor ze, aldus eiser, zijn  teruggebracht in de staat waarin zij voor de schade verkeerden. Eiser stelt zich op het standpunt  dat er ten aanzien van zijn woning geen sprake was van achterstallig onderhoud of van waardevermeerdering.   </para>
    <para />
    <para>Standpunt verweerder   </para>
    <para />
    <para>Verweerder stelt dat eiser na de vaststelling van het schadebedrag door de controleur - in de  eerste helft van februari - een contra-expertise had kunnen aanvragen, indien hij het niet eens  was met de conclusie van de controleur, alvorens tot daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden over te gaan.   </para>
    <para />
    <para>Verweerder stelt dat de schade niet het gevolg is van de extreem zware regenval op 13 en 14  september 1998 (lees: 27 en 28 oktober 1998). Uit het advies van de schade-expert volgt,  volgens verweerder, dat de werkzaamheden aan de kelder- en slaapkamerwanden zijn gericht op  het voorkomen van vervolgschade. Dat het huis goed is onderhouden, betekent niet, aldus  verweerder, dat geen sprake kan zijn van een waardevermeerdering.   </para>
    <para />
    <para>Relevante regelgeving   </para>
    <para />
    <para>Ingevolge artikel 1, sub d, van de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen  (hierna: de Wet) wordt onder schadegebied verstaan het bij ministeriële regeling vastgestelde, in  Nederland gelegen gebied waarin een overstroming door zoet water, een aardbeving dan wel een  ramp of een zwaar ongeval waarop deze wet ingevolge artikel 3 van toepassing is verklaard,  heeft plaatsgevonden en waarin als gevolg daarvan schade is geleden dan wel kosten zijn  gemaakt als bedoeld in artikel 4, eerste of tweede lid.   </para>
    <para />
    <para>In artikel 3 van de Wet is bepaald dat bij koninklijk besluit deze wet van toepassing kan worden  verklaard in geval van een ramp of een zwaar ongeval als bedoeld in artikel 1, onder b, van de  Wet rampen en zware ongevallen, die van ten minste vergelijkbare orde is als een overstroming  door zoet water of een aardbeving.   </para>
    <para />
    <para>Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet heeft een gedupeerde recht op een tegemoetkoming in  de in deze bepaling nader aangeduide categorieën van schaden, voor zover de schade die hij  heeft geleden, is ontstaan in het schadegebied en het rechtstreeks en onmiddellijk gevolg is van  een overstroming door zoet water, een aardbeving dan wel een ramp of een zwaar ongeval  waarop deze wet ingevolge artikel 3 van toepassing is verklaard.   </para>
    <para />
    <para>Artikel 5, eerste lid, van de Wet bepaalt dat de omvang van de schade en, voor zover nodig, van  de kosten door of onder verantwoordelijkheid van een door de Minister van Binnenlandse Zaken  aangewezen schade-expert, wordt opgenomen en neergelegd in een schaderapport. Ingevolge  het tweede lid verstrekt de schade-expert aan de gedupeerde een afschrift van het schaderapport. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat al dan niet op verzoek van de gedupeerde de  omvang van de schade en de kosten opnieuw door of onder verantwoordelijkheid van een  schade-expert als bedoeld in het eerste lid kan worden opgenomen en neergelegd in een schade  rapport, waarbij het tweede lid van toepassing is. In het vierde lid is bepaald dat de kosten van  het opnemen van de omvang van de schade en de kosten, bedoeld in het eerste en derde lid,  voor rekening van het Rijk komen, met uitzondering van het opnemen, bedoeld in het derde lid,  dat op verzoek van de gedupeerde is gedaan indien blijkt dat de omvang van de schade en de  kosten in eerste instantie op juiste wijze is opgenomen.   </para>
    <para />
    <para>Bij Koninklijk Besluit van 5 maart 1999 (inwerking getreden op 24 maart 1999) is, ingevolge  artikel 3 van de Wet, de Wet ingevolge artikel 1 van het KB van toepassing verklaard op de  schade en kosten die zijn ontstaan ten gevolge van de extreem zware regenval op 27 en 28  oktober 1998.   </para>
    <para />
    <para>Ingevolge artikel 4, aanhef en sub a, van het Besluit tegemoetkoming schade bij rampen en  zware ongevallen (Stb. 1998, 648, in werking getreden op 3 februari 1999) juncto artikel 4, lid 1,  sub a van de Wet, wordt de hoogte van de tegemoetkoming van de schade aan de woning  berekend op basis van de kosten van herstel, verminderd met de kosten van achterstallig onderhoud en de kosten tot verbetering.   </para>
    <para />
    <para>In de Regeling tegemoetkoming schade bij tweede extreem zware regenval 1998 (Wts2-regeling)  is het schadegebied overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, sub d, van de Wet vastgesteld.   </para>
    <para />
    <para>Ingevolge artikel 1, sub b, van de Wts2-regeling wordt in deze regeling onder regeling verstaan  de Regeling tegemoetkoming schade bij extreem zware regenval 1998 (hierna: Wts1-regeling).   </para>
    <para />
    <para>Artikel 2 van de Wts2-regeling luidt als volgt:   </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>"1. Deze regeling is van toepassing op de schade en kosten die zijn ontstaan als gevolg van  de extreem zware regenval op 27 en 28 oktober 1998.  </para>
      <para>2. Als schadegebied, bedoeld in artikel 1, onder deel d, van de wet worden aangewezen de  gemeenten en delen van gemeenten die zijn aangewezen in de bijlage behorende bij deze  regeling.".   </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Omtrent de hoogte van de tegemoetkoming, de berekeningsgrondslag en de procedure die moet  worden gevolgd ter verkrijging van een tegemoetkoming zijn in de Wts2-regeling de desbetreffende artikelen van de Wts1-regeling van toepassing verklaard.   </para>
    <para />
    <para>In de bijlage als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Wts2-regeling zijn de volgende gemeenten (al dan niet gedeeltelijk) aangewezen als vallende binnen het schadegebied ten gevolge van  de extreme regenval van 27 en 28 oktober 1998: Aa en Hunze (ged.), Assen (ged.), Borger-Odoorn (ged.), Coevorden, De Wolden, Emmen, Hoogeveen, Meppel, Middenveld (thans:  gemeente Midden-Drenthe), Noordenveld (ged.), Westerveld en Zuidlaren (ged.; thans: gemeente  Tynaarlo).  In de bijlage wordt voorts aan de hand van de postcodes (het cijfergedeelte) en de ligging ten  opzichte van waterwegen de begrenzing van het schadegebied aangegeven.   </para>
    <para />
    <para>Overwegingen   </para>
    <para />
    <para>Ter zitting is namens verweerder verklaard dat verweerder voornemens is om het schadegebied  waarop de Wts2-regeling van toepassing is, gewijzigd vast te stellen. Deze wijziging van het  schadegebied heeft geen gevolgen voor onderhavige schadeclaim.   </para>
    <para />
    <para>Tussen partijen is in geschil de hoogte van de tegemoetkoming ingevolge de Wts2-regeling. Bij  het bestreden besluit heeft verweerder slechts een deel van de door eiser gemaakte kosten als  gevolg van de tweede zware regenval in het najaar van 1998 vergoed. In dit geding staat de  rechtbank voor de beantwoording van de vraag of verweerder een deel van eisers kosten buiten beschouwing heeft kunnen laten. In verband hiermee wordt het volgende overwogen.   </para>
    <para />
    <para>Blijkens het bepaalde in artikel 4 van het Besluit tegemoetkoming schade bij rampen en zware  ongevallen wordt bij de hoogte van de tegemoetkoming ingevolge de Wts2-regeling rekening  gehouden met de kosten van achterstallig onderhoud en de kosten tot verbetering. Deze kosten  komen niet voor vergoeding in aanmerking. In geschil is of in casu van dergelijke kosten sprake  is.    </para>
    <para />
    <para>Gebleken is dat tot op de zitting onduidelijkheid heeft bestaan over de status van de kelderwanden voor de zware regenval in vergelijking met de situatie daarna en dat verweerder bij zijn  besluitvorming van een verkeerde veronderstelling is uitgegaan. Uit het dossier noch uit het  verhandelde ter zitting is voorts duidelijk geworden hoe de berekening van verweerders controleur  van de uiteindelijk in aanmerking genomen schade tot stand is gekomen. Op basis van deze  constateringen concludeert de rechtbank dat door verweerder noch door haar zelf tot een juiste  vaststelling van de relevante feiten kan worden gekomen. De rechtbank is dan ook van oordeel  dat het bestreden besluit in strijd komt met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht  (Awb) neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel.    </para>
    <para />
    <para>Anders dan verweerder van mening is kan aan deze onzorgvuldigheid niet worden tegengeworpen dat het op de weg van eiser had gelegen om een hertaxatie te vragen. De ter zake hiervan  in de regeling opgenomen mogelijkheid ontslaat verweerder niet van een zorgvuldige voorbereiding van zijn besluitvorming. Het niet laten uitvoeren van een hertaxatie weerhoudt belanghebbenden evenmin van de mogelijkheid om ingevolge de Awb bij verweerder een bezwaarschrift in  te dienen. Overigens had ook verweerder een dergelijke hertaxatie kunnen laten verrichten,  hetgeen in dit geval in de bezwaarfase - gezien de hiervoor weergegeven constateringen - voor  de hand had gelegen.   </para>
    <para />
    <para>In het verlengde hiervan ligt de conclusie dat verweerder tevens onzorgvuldig is omgegaan met  de bezwaarprocedure door op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b (kennelijk ongegrond), van de Awb af te zien van de hoorplicht.    </para>
    <para />
    <para>Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt en dat  het beroep gegrond moet worden verklaard. Onder deze omstandigheden is er aanleiding  verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs in verband met de behandeling  van zijn beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn onder toepassing van het Besluit  proceskosten bestuursrecht begroot op ƒ 1.420,- als zijnde proceskosten. Van overige kosten is  de rechtbank niet gebleken.   </para>
    <para />
    <para>III. Beslissing   </para>
    <para />
    <para>De rechtbank:   </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>I. verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>II. vernietigt het bestreden besluit;  </para>
      <para>III. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;  </para>
      <para>IV. veroordeelt verweerder in de kosten van eiser ten bedrage van ƒ 1.420,-;</para>
      <para>V.	bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ 225,- aan hem vergoedt;  </para>
      <para>VI.  	wijst de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aan als de rechtspersoon die de onder IV en V genoemde bedragen dient te betalen.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen, alsmede iedere andere belanghebbende, hoger beroep  instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage. Het hoger  beroep dient ingesteld te worden door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling  bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019 te 2500 EA 's-Gravenhage binnen  zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.   </para>
    <para />
    <para>Aldus gegeven door mr. T.F. Bruinenberg, voorzitter, en mrs. H.J. ter Schegget en W.W. Wijnbeek, rechters en uitgesproken in het openbaar op  door mr. T.F. Bruinenberg, in tegenwoordigheid van mr. A. Verweij, griffier.   </para>
    <para />
    <para>   </para>
    <para />
    <para>mr. A. Verweij                                          mr. T.F. Bruinenberg   </para>
    <para />
    <para>   </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden op:  </para>
      <para>typ: mh</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>