<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBASS:2000:AA8416</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:13:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA8416</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Assen" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Assen</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2000-11-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">00/830 en 834 WRO19 P02 G01</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBASS:2000:AA8416">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBASS:2000:AA8416</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T16:13:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBASS:2000:AA8416 Rechtbank Assen , 16-11-2000 / 00/830 en 834 WRO19 P02 G01</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBASS:2000:AA8416:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBASS:2000:AA8416:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>Arrondissementsrechtbank Assen</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Kenmerk: 00 / 830 WRO19 P02 G01</para>
      <para>00 / 834 WRO19 P02 G01</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>                                 U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Beslissing van de president van de Arrondissementsrechtbank op de verzoeken om een</para>
      <para>voorlopige voorziening in de geschillen tussen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>1. [verzoekers] e.a., allen gevestigd te [woonplaats],</para>
    <para />
    <para>2. [verzoekers] e.a., allen wonende te [woonplaats], verzoekers,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hoogeveen, verweerder.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>I. Procesverloop</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 26 oktober 2000 heeft de gemeenteraad van Hoogeveen ingevolge artikel 19 van</para>
      <para>de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling verleend van het bestemmingsplan "De</para>
      <para>Wieken-West" voor de vestiging van een asielzoekerscentrum (azc) aan de A.G. Bellstraat te</para>
      <para>Hoogeveen. Onder toepassing van deze vrijstelling heeft verweerder bij besluit van 27 oktober</para>
      <para>2000 bouwvergunning verleend voor het oprichten van dit azc. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekers hebben hiertegen bij brieven van achtereenvolgens 30 en 31 oktober 2000 bezwaar</para>
      <para>gemaakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens hebben zij aan de president van de rechtbank verzocht om toepassing te geven aan het</para>
      <para>bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 1 november 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden,</para>
      <para>gevolgd bij brief van 8 november 2000 door een verweerschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De gemachtigden van verzoekers hebben hiervan een afschrift ontvangen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het college van gedeputeerde staten van de provincie Drenthe is in deze gedingen ambtshalve</para>
      <para>als partij aangemerkt. De vergunninghouder, het bestuur van het Centraal Orgaan Opvang</para>
      <para>Asielzoekers (het COA), is in de gelegenheid gesteld om als partij aan het geding deel te nemen.</para>
      <para>Hiervan is gebruik gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting op 9 november 2000, alwaar verzoekers zijn</para>
      <para>verschenen bij gemachtigden respectievelijk mr. [gemachtigde], advocaat te Amsterdam, en mr.</para>
      <para>[gemachtigde], advocaat te Assen.</para>
      <para>Verweerder is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigden [gemachtigden], respectievelijk wethouder en medewerker van de gemeente Hoogeveen.</para>
      <para>Voorts zijn verschenen [gemachtigde] namens het college van gedeputeerde staten van de</para>
      <para>provincie Drenthe en [vergunninghouder], medewerkster van het COA.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. Motivering</para>
    <para />
    <para>Algemeen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is</para>
      <para>ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of</para>
      <para>administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in</para>
      <para>de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de</para>
      <para>betrokken belangen, dat vereist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de</para>
      <para>bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar</para>
      <para>beslissing in die procedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van de door verweerder ter zitting geplaatste opmerkingen dat de verzoekers</para>
      <para>onder 1, zijnde de aan dan wel in de omgeving van de A.G. Bellsstraat te Hoogeveen gevestigde</para>
      <para>ondernemers, niet als belanghebbenden bij onderhavig besluit kunnen worden aangemerkt,</para>
      <para>overweegt de president dat er op voorhand geen reden is te twijfelen aan het belang van deze</para>
      <para>verzoekers. Voor zover verweerder hierbij heeft betoogd dat de verzoekers niet kunnen worden</para>
      <para>ontvangen, omdat de bezwaren die zij aanvoeren geen belangen betreffen die hen persoonlijk</para>
      <para>raken, overweegt de president dat de beoordeling van de vraag of een (natuurlijk of rechts-) per-</para>
      <para>soon een belanghebbende is niet wordt verbonden aan de door deze persoon aangevoerde</para>
      <para>belangen (bezwaren). De president is dan ook van oordeel dat verzoekers in hun bezwaren</para>
      <para>kunnen worden ontvangen en daardoor ook in hun verzoek om een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook overigens is er geen beletsel aanwezig geacht om de verzoeken om een voorlopige</para>
      <para>voorziening ontvankelijk te achten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Feiten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 9 februari 2000 zijn omwonenden en bedrijven in de buurt van de A.G. Bellstraat te</para>
      <para>Hoogeveen door verweerder ge‹nformeerd over de plannen van de mogelijke vestiging van een</para>
      <para>azc op het terrein aan de A.G. Bellstraat, waarbij zij zijn uitgenodigd voor een voorlichtingsavond</para>
      <para>op 22 februari 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemeenteraad van Hoogeveen heeft bij besluit van 9 maart 2000 verklaard dat een bestem-</para>
      <para>mingsplan wordt voorbereid voor een terrein te Hoogeveen dat aan de noordzijde wordt begrensd</para>
      <para>door de Middenveldweg, aan de oostzijde door de A.G. Bellstraat, aan de zuidzijde door de</para>
      <para>Stuifzandseweg, in de zuidwesthoek door een kwekerij en aan de westzijde door de Prilleweg. Dit</para>
      <para>besluit is op 16 maart 2000 in werking getreden. De gemeenteraad heeft bij dit besluit tevens</para>
      <para>bepaald dat de vrijstellingsbevoegheid ex artikel 19 van de WRO voor dit gebied bij hem ligt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 28 maart 2000 heeft verweerder besloten een procedure ex artikel 19 in gang te zetten voor</para>
      <para>de vestiging van een azc op bovenvermelde lokatie en ingestemd met het voorontwerp-bestem-</para>
      <para>mingsplan "Asielzoekerscentrum Hoogeveen". Het COA heeft eveneens op 28 maart 2000 een</para>
      <para>bouwaanvraag ingediend voor de vestiging van een azc aan de A.G. Bellstraat. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorontwerp-bestemmingsplan heeft van 20 april tot 18 mei 2000 gedurende vier weken ter</para>
      <para>inzage gelegen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de Hoogeveensche Courant van 3 mei 2000 heeft verweerder het voornemen bekend gemaakt</para>
      <para>om met toepassing van artikel 19 van de WRO vrijstelling te verlenen van het geldende bestem-</para>
      <para>mingsplan voor het bouwen van een (permanent) azc aan de A.G. Bellstraat. Omwonenden zijn</para>
      <para>hierover door verweerder bij brief van 4 mei 2000 ge‹nformeerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 9 mei 2000 is een inspraakavond gehouden omtrent het voorontwerp-bestemmingsplan</para>
      <para>alsmede omtrent bovengenoemd voornemen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens verzoekers zijn bij brieven van 11 en 17 mei 2000 bedenkingen ingediend bij verweer-</para>
      <para>der.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 30 mei 2000 heeft verweerder besloten de gemeenteraad van Hoogeveen voor te stellen een</para>
      <para>verklaring van geen bezwaar aan te vragen voor het verlenen van de vrijstelling ex artikel 19 van</para>
      <para>de WRO. De gemeenteraad heeft op 29 juni 2000 aldus besloten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het Drentse Welstandstoezicht heeft geconcludeerd dat het bouwplan voldoet aan de redelijke</para>
      <para>eisen van welstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 6 juli 2000 heeft verweerder het college van gedeputeerde staten van de provincie</para>
      <para>Drenthe verzocht een verklaring van geen bezwaar te verlenen betreffende de vrijstelling van het</para>
      <para>geldende bestemmingsplan voor de vestiging van een azc aan de A.G. Bellstraat. Bij brief van 27</para>
      <para>september 2000 heeft voornoemd college de verklaring afgeven, waarbij is ingestemd met de ten</para>
      <para>behoeve van deze vestiging noodzakelijke afwijking van het Provinciaal Omgevingsplan (POP).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft vanaf 19 oktober 2000 het ontwerp-bestemmingsplan "Asielzoekerscentrum</para>
      <para>Hoogeveen" ter inzage gelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemeenteraad van Hoogeveen heeft op 26 oktober 2000 vrijstelling verleend van het</para>
      <para>bestemmingsplan "De Wieken-West". Onder toepassing hiervan heeft verweerder bij besluit van</para>
      <para>27 oktober 2000 de gevraagde bouwvergunning verleend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Standpunten partijen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekers ontkennen in dezen dat is voldaan aan de in het kader van de procedure van artikel</para>
      <para>19 van de WRO vereiste urgentie. Verzoekers stellen dat vrij snel na het onherroepelijk worden</para>
      <para>van het bestemmingsplan "De Wieken-West" nu een andere bestemming aan de onderhavige</para>
      <para>lokatie wordt gegeven. Van bedrijventerrein wordt het gewijzigd in een asielzoekersopvanglokatie.</para>
      <para>Verzoekers stellen dat er zwaarwegende bezwaren kleven aan deze lokatiekeuze, met name op</para>
      <para>het gebied van milieu, waaronder geluidhinder, waarbij verzoekers van mening zijn dat een azc</para>
      <para>een geluidsgevoelige bestemming is. In verband hiermee stellen verzoekers ook dat het zeer</para>
      <para>twijfelachtig is of het bestemmingsplan, waarop wordt geanticipeerd, onherroepelijk zal worden.</para>
      <para>Voorts speelt mee het vervoer van gevaarlijke stoffen op de naast gelegen spoorlijn en de</para>
      <para>aanwezigheid van hoogspanningsmasten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verzoekers die wonen aan de Stuifzandseweg zijn voorts bevreesd dat deze als een door-</para>
      <para>gaande route zal worden gebruikt door bewoners van het azc die naar het centrum van Hoog-</para>
      <para>eveen of naar het station gaan, waardoor het kenmerkende karakter van deze weg - als een</para>
      <para>rustige weg in een rustige volksbuurt - verloren gaat. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de zijde van de ondernemers is voorts aangevoerd dat de revitalisering van het bedrij-</para>
      <para>venterrein De Wieken in gevaar komt door de vestiging van het azc op een zichtlokatie. De</para>
      <para>vestiging van het azc op een lokatie die eerst was bestemd als uitbreiding van het bedrijventer-</para>
      <para>rein beperkt de ondernemers nu in hun bedrijfsactiviteiten en hun uitbreidingsmogelijkheden.</para>
      <para>Deze verzoekers menen voorts dat de aanwezigheid van een azc van deze omvang gevolgen</para>
      <para>heeft voor de openbare orde en de mogelijkheden van handhaving daarvan. Verzoekers stellen</para>
      <para>dat onduidelijk is of en op welke wijze hiernaar is gekeken. Verzoekers zijn van mening dat deze</para>
      <para>veiligheidsaspecten worden onderschat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekers zijn dus, samengevat, van mening dat de onder toepassing van artikel 19 van de</para>
      <para>WRO verleende bouwvergunning in rechte niet houdbaar zal blijken te zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder stelt dat de vrijstelling ex artikel 19 van de WRO en de bouwvergunning procedureel</para>
      <para>en materieel op een juiste wijze zijn verleend en dat sprake is van een rechtsgeldige bouwver-</para>
      <para>gunning op grond waarvan het COA mag bouwen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de</para>
      <para>aan de orde gestelde milieugevoelige kwesties geen belemmering opleveren, waarbij verweerder</para>
      <para>meer specifiek met betrekking tot de geluidhinder stelt dat het azc niet als een geluidsgevoelige</para>
      <para>bestemming wordt aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Overwegingen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter plaatse van het op te richten azc heeft de grond ingevolge het geldende bestemmingsplan</para>
      <para>"De Wieken-West" de bestemming industriële bedrijven. Ingevolge artikel 6 van de bestemmings-</para>
      <para>planvoorschriften zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor bebouwing ten dienste</para>
      <para>van industrie, groothandel, ambacht en aan distributie en transport verwante bedrijven met de</para>
      <para>daarbij behorende andere werken, tuinen en ontsluitingswegen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het bouwplan voor het oprichten van een azc is hiermee in strijd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gebleken is dat de bouwaanvraag is ingediend voor 3 april 2000, de datum van inwerkingtreding</para>
      <para>van het nieuwe artikel 19 van de WRO. Blijkens het overgangsrecht is op aanvragen die voor</para>
      <para>deze datum zijn ingediend het oude artikel 19 van de WRO van toepassing. De president heeft</para>
      <para>geconstateerd dat is voldaan aan de formele vereisten voor het volgen van deze anticipatieproce-</para>
      <para>dure. In dit verband wordt nog met betrekking tot de door gedeputeerde staten afgegeven</para>
      <para>verklaring van geen bezwaar betreffende de afwijking van het POP overwogen dat niet gesteld</para>
      <para>kan worden dat de afwijking betrekking heeft op de hoofdstructuur van het plan. De president</para>
      <para>heeft hierbij met name in ogenschouw genomen de opsomming op bladzijde 213 van het POP</para>
      <para>over wat in ieder geval onder hoofdstructuur wordt verstaan alsmede de van de zijde van</para>
      <para>gedeputeerde staten ter zitting gegeven (nadere) toelichting over de in casu aanwezige (geringe)</para>
      <para>afwijking, gelet op de grootte van het onderhavige terrein en de mogelijkheden van compensatie</para>
      <para>voor een bedrijventerrein (van deze omvang) elders in Hoogeveen. De president concludeert dan</para>
      <para>ook dat een herzieningsprocedure van het POP achterwege heeft kunnen blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de materiële vereisten voor het volgen van deze procedure wordt het volgende</para>
      <para>overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) is</para>
      <para>de anticipatieprocedure van artikel 19 van de WRO (oud) in beginsel geschikt, indien het gaat om</para>
      <para>een bouwplan waarbij zodanige dringende belangen zijn gemoeid dat bezwaarlijk op de afronding</para>
      <para>van een bestemmingsplanprocedure kan worden gewacht alvorens dat plan kan worden</para>
      <para>verwezenlijkt. Deze procedure kan ook worden gevolgd indien het gaat om een plan dat dermate</para>
      <para>geringe planologische effecten heeft, dat om die reden van de belanghebbende bij dat plan niet</para>
      <para>kan worden gevergd te wachten op het van kracht worden van het nieuwe bestemmingsplan, mits</para>
      <para>de belangen van derden hierdoor niet onevenredig worden geschaad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naarmate de inbreuk op het geldende planologische regiem, alsmede de uitstraling van het</para>
      <para>bouwplan op de omgeving dan wel de ingreep op de bestaande situatie, ingrijpender is, dienen er</para>
      <para>ingevolge de jurisprudentie zwaardere eisen te worden gesteld aan de urgentie van de verwezen-</para>
      <para>lijking van het bouwplan alsmede aan het planologisch kader waarop vooruit wordt gelopen. Bij</para>
      <para>dit planologisch kader gaat het zowel om de inhoud en de reikwijdte van de hierop betrekking</para>
      <para>hebbende stukken als ook om het karakter en het gewicht van de besluitvorming die daaromtrent</para>
      <para>heeft plaatsgevonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anticipatie is in beginsel mogelijk op basis van een enkele verklaring van de gemeenteraad dat</para>
      <para>een nieuw bestemmingsplan wordt voorbereid. Hiervoor is echter geen plaats indien het</para>
      <para>gemeentebestuur niet werkelijk voornemens is om (binnen afzienbare tijd) een nieuw planologisch</para>
      <para>regiem tot stand te brengen. Dit weegt des te zwaarder naarmate de inbreuk, als hiervoor</para>
      <para>omschreven, groter is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Geoordeeld moet worden dat de uitstraling dan wel inbreuk op de omgeving groot moet worden</para>
      <para>geacht alsmede dat de inbreuk op het bestaande planologische kader groot is. Het gaat immers</para>
      <para>om een azc voor (ruim) 800 asielzoekers, bestaande uit wooneenheden, een school, een</para>
      <para>gezondheidszorgvoorziening, kantoren, buitenterreinen, e.a., kortom een veelomvattend plan, en</para>
      <para>dat op een lokatie die bestemd is voor bedrijven. Hier tegenover staat dat aannemelijk kan</para>
      <para>worden geacht dat de urgentie in dezen groot is. Anders dan van de zijde van verzoekers is</para>
      <para>aangevoerd, kan niet van het COA worden verlangd dat zij langer dan strikt noodzakelijk is</para>
      <para>gebruik maakt van de thans bestaande gedoogsituatie met betrekking tot het (tijdelijke) centrum</para>
      <para>aan de Fokkerstraat. Gelet voorts op het grote aantal op te vangen asielzoekers, zoals ter zitting</para>
      <para>uiteen gezet, is de noodzaak van een nieuw (permanent) centrum voldoende aannemelijk</para>
      <para>geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Geoordeeld wordt dat de grote inbreuk op het bestaande planologische kader voorts wordt</para>
      <para>gecompenseerd door het inmiddels ter visie gelegde ontwerp-bestemmingsplan "Asielzoekerscen-</para>
      <para>trum Hoogeveen". </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de - in de jurisprudentie van de ABRS ontwikkelde - planologische beoordeling dient te</para>
      <para>worden geconcludeerd dat onderhavig besluit deze beoordeling in zoverre kan doorstaan. Echter,</para>
      <para>wanneer onder toepassing van artikel 19 van de WRO vrijstelling en bouwvergunning wordt</para>
      <para>verleend, dient voorts te worden beoordeeld of er wettelijke belemmeringen zijn die het gebruik</para>
      <para>van deze vrijstelling in de weg staan. In dit verband wordt met betrekking tot de eisen van de Wet</para>
      <para>geluidhinder het volgende overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In meerdere algemene maatregelen van bestuur is ter uitvoering van de Wet geluidhinder een</para>
      <para>opsomming gegeven van geluidsgevoelige objecten, waaronder woningen, waarvoor ter bestrij-</para>
      <para>ding van geluidsoverlast door wegverkeer, spoorwegverkeer, vliegverkeer en industrielawaai</para>
      <para>eisen worden gesteld over het geluidsniveau. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een azc niet in de hiervoor bedoelde</para>
      <para>(limitatieve) opsommingen wordt genoemd en dat voorts een woongelegenheid binnen een azc</para>
      <para>niet als een woning kan worden aangemerkt, waardoor de geluidseisen van de Wet geluidhinder</para>
      <para>en de daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur voor geluidsgevoelige objecten niet</para>
      <para>van toepassing zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De president kan zich met dit standpunt niet verenigen. De president is van oordeel dat het</para>
      <para>begrip "azc" niet meer is dan een verzamelnaam waaronder diverse functies vallen, die dienen</para>
      <para>ten behoeve van de opvang van asielzoekers. Dat dit begrip niet in de limitatieve opsomming van</para>
      <para>de hier bedoelde algemene maatregelen van bestuur voorkomt, is - blijkens ook hetgeen hierna is</para>
      <para>overwogen - niet relevant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 1 van de Wet geluidhinder is bepaald dat in het kader van deze wet en de daarop</para>
      <para>berustende bepalingen onder een woning wordt verstaan een gebouw dat voor bewoning wordt</para>
      <para>gebruikt of daartoe is bestemd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het onderhavige geval moet worden geoordeeld dat een aantal gebouwen op het toekomstige</para>
      <para>azc-terrein aan de A.G. Bellstraat te Hoogeveen straks door asielzoekers wordt gebruikt als</para>
      <para>woning. Een aantal gebouwen op dit terrein bevat - blijkens de bouwtekeningen - meerdere</para>
      <para>woonunits, die elk voor zelfstandige bewoning zijn geschikt (met kook-, was-, toilet-, slaap- en</para>
      <para>verblijfsgelegenheden) en ieder een eigen op- dan wel ingang hebben. De asielzoekers die in de</para>
      <para>toekomst op dit terrein tijdelijk verblijven, waarbij de duur van de tijdelijkheid verschillend zal zijn</para>
      <para>en waarschijnlijk vari‰rend van enkele weken tot - in uitzonderlijke gevallen - meer dan twee</para>
      <para>jaren, zullen - in gezinsverband dan wel met meerdere individuen samen - in deze woongebou-</para>
      <para>wen woonachtig zijn. Gedurende die periode zal de desbetreffende asielzoeker zijn (voor dat</para>
      <para>moment) permanente verblijf (huisvesting) hebben op het azc-terrein in een van de woonunits. De</para>
      <para>president is van oordeel dat hier moet worden gesproken van woningen als bedoeld in de</para>
      <para>hiervoor weergegeven omschrijving. Dat een gebouw meerdere woonunits omvat doet aan deze</para>
      <para>conclusie niet af, omdat ook op de reguliere woningmarkt mensen kunnen worden gehuisvest in</para>
      <para>een flatgebouw, dat meerdere "woonunits" telt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De door verweerder ter zitting ingenomen stelling dat hier niet gesproken kan worden van</para>
      <para>woningen, omdat de woonunits niet aan de daarvoor ingevolge het Bouwbesluit gestelde</para>
      <para>(technische) eisen voldoen, kan evenmin aan het vorenstaande iets afdoen. Het gegeven dat een</para>
      <para>gebouw of een gedeelte daarvan niet aan de eisen omtrent afmetingen en aanwezige vertrekken</para>
      <para>voldoet, kan geen afbreuk doen aan de feitelijke bewoning van een gebouw of een gedeelte</para>
      <para>daarvan, dat bovendien voor zelfstandige bewoning is ingericht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande betekent dat de woonunits op het toekomstige azc-terrein als woningen in de</para>
      <para>zin van de Wet geluidhinder moeten worden aangemerkt, waarvoor de ingevolge de algemene</para>
      <para>maatregelen van bestuur gestelde geluidseisen gelden, zowel voor het geluidsniveau binnen als</para>
      <para>buiten. Nu door alle partijen niet wordt ontkend dat het buiten-geluidsniveau voor de woongebou-</para>
      <para>wen op het onderhavige azc-terrein wordt overschreden, betekent dit dat de Wet geluidhinder in</para>
      <para>dezen een belemmerende factor opwerpt voor de vrijstelling onder gebruikmaking waarvan de</para>
      <para>bouwvergunning is verleend. Hoewel op gemeentelijk en provinciaal niveau reeds - in de</para>
      <para>voorbereiding - overeenstemming is bereikt over het toekomstige planologische kader, is het</para>
      <para>bepaald niet ondenkbaar dat de hier geconstateerde strijd met de Wet geluidhinder eveneens</para>
      <para>belemmerend kan werken in de in gang gezette bestemmingsplanprocedure. Hierdoor heeft het</para>
      <para>toekomstig planologisch kader, waarop is geanticipeerd, een wankele status.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens artikel 49 van de Woningwet maakt voor het indienen van bezwaar en het instellen van</para>
      <para>beroep de door de gemeenteraad verleende vrijstelling deel uit van de door verweerder afgege-</para>
      <para>ven bouwvergunning. Nu hiervoor is geconstateerd dat aan deze vrijstelling een gebrek kleeft,</para>
      <para>heeft dit consequenties voor de daaraan verbonden bouwvergunning. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het hiervoor overwogene ziet de president voldoende aanleiding voor een schorsing van deze</para>
      <para>bouwvergunning. De overige aangevoerde bezwaren worden dan ook verder buiten beschouwing</para>
      <para>gelaten. Het is niet ondenkbaar dat verweerder, gelet op het aangevoerde belang bij realisering</para>
      <para>van het azc, bij zijn besluitvorming op de ingediende bezwaren het hier geconstateerde gebrek</para>
      <para>zal willen herstellen - bijvoorbeeld door het nemen van verdergaande geluidswerende maatrege-</para>
      <para>len, het aanvragen en verkrijgen van een ontheffing of door het in verband met het vliegtuiglawaai</para>
      <para>maken van afspraken omtrent vliegroutes en -frequenties -. Hierin ziet de president dan ook</para>
      <para>aanleiding de duur van de schorsing te beperken tot zes weken na afgifte van de besluiten op de</para>
      <para>bezwaren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder deze omstandigheden is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die</para>
      <para>verzoekers in verband met de behandeling van hun verzoeken hebben moeten maken. Deze</para>
      <para>kosten zijn onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht zowel voor verzoekers</para>
      <para>onder 1 als voor verzoekers onder 2 bepaald op f 1.420,-- als proceskosten. Van overige kosten</para>
      <para>is niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>III. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De president:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>I. wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening toe en schorst de verleende bouwver-</para>
      <para>   gunning;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>II.bepaalt dat de schorsing voortduurt tot zes weken na de bekendmaking door verweerder van</para>
      <para>   de besluiten op bezwaar;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>III.veroordeelt verweerder in de kosten van verzoekers ten bedrage van tweemaal f 1.420,--;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>IV.bepaalt dat verweerder de door verzoekster betaalde griffierechten dient te vergoeden ten</para>
      <para>   bedrage van f 450,-- (betreffende verzoekers genoemd onder 1) en van f 225,-- (betreffende</para>
      <para>   verzoekers genoemd onder 2);</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>V. wijst de gemeente Hoogeveen aan als de rechtspersoon die de onder III en IV genoemde</para>
      <para>   bedragen dient te betalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. J.S. van der Kolk, president en uitgesproken in het </para>
      <para>openbaar op 16 november 2000</para>
      <para>door mr. J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van mr. A. Verweij, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>mr. A. Verweij                               mr. J.S. van der Kolk</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden op:</para>
      <para>typ: jw</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>