<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBARN:2012:BW3582</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-01T10:04:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBARN:2012:930</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BW3582</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Arnhem" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Arnhem</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-04-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 11/3138 en AWB 11/3139</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0025458">Waterwet</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0025458&amp;artikel=7.8">Waterwet 7.8</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Belastingblad 2012/253</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2012/1067</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2012/34.19.20</rdf:li>
          <rdf:li>JWA 2015/7</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2012/1763 met annotatie van mr. dr. G. Groenewegen</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2012-1243</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2012050115</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBARN:2012:BW3582">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBARN:2012:BW3582</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T10:03:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-04-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBARN:2012:BW3582 Rechtbank Arnhem , 19-04-2012 / AWB 11/3138 en AWB 11/3139</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBARN:2012:BW3582:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verontreinigingsheffing rijkswateren. Eiseres komt niet in aanmerking voor vrijstelling voor lozingen die plaatsvinden met behulp van een vuilwaterriool. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van gelijke gevallen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBARN:2012:BW3582:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>RECHTBANK ARNHEM </para>
    <para />
    <para>Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer</para>
    <para />
    <para>registratienummers: AWB 11/3138 en AWB 11/3139</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) </para>
      <para>van 19 april 2012</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>inzake</para>
    <para />
    <para>[X] BV, gevestigd te [Z], eiseres,</para>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <para>het Hoofd van het Bureau verontreinigingsheffing rijkswateren, verweerder.</para>
    <para />
    <para />
    <para>1.	Ontstaan en loop van het geding</para>
    <para />
    <para>Verweerder heeft aan eiseres voor de jaren 2010 en 2011 voorlopige aanslagen (aanslagnummers [000] en [001]) verontreinigingsheffing rijkswateren opgelegd tot een bedrag van elk € 213.000.</para>
    <para />
    <para>Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 30 juni 2011 de voorlopige aanslagen gehandhaafd. </para>
    <para />
    <para>Eiseres heeft daartegen bij brief van 9 augustus 2011, ontvangen door de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld. </para>
    <para />
    <para>Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.</para>
    <para />
    <para>Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2012 te Arnhem. Eiseres is daar vertegenwoordigd door [A], bijgestaan door mr. [gemachtigde], [B] en [C]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde], [D], [E], [F] en [G].  </para>
    <para />
    <para>Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. </para>
    <para />
    <para />
    <para>2.	Feiten</para>
    <para />
    <para>Eiseres produceert krantenpapier.</para>
    <para />
    <para>Aan eiseres is een vergunning als bedoeld in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo-vergunning) verleend voor lozingen – na zuivering – van afvalwater op de Nederrijn. Eiseres voldoet aan ‘Stand der Techniek’ en de totale afvalwaterlozing beïnvloedt de functies van de Nederrijn niet nadelig.</para>
    <para />
    <para>Eiseres loost continu afvalwater.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan eiseres zijn met betrekking tot de lozing voorlopige aanslagen verontreinigingsheffing rijkswateren opgelegd. Deze aanslagen zijn als volgt opgebouwd:</para>
      <para>Vervuilingseenheden Zuurstofverbruik		      	      4.000</para>
      <para>Vervuilingseenheden Overige stoffen			      2.000</para>
      <para>Totale vervuilingswaarde				      6.000</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het tarief bedraagt per vervuilingswaarde € 35,50, hetgeen resulteert in een voorlopige aanslag voor elk jaar van € 213.000.</para>
    <para />
    <para />
    <para>3.	Geschil</para>
    <para />
    <para>In geschil is of de voorlopige aanslagen terecht zijn opgelegd. In het bijzonder is in geschil of eiseres op grond van het gelijkheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 14 van het EVRM in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, of artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 26 van het IVBPR, recht heeft op toepassing van de vrijstelling van artikel 7.8, eerste lid, letter a, van de Waterwet.</para>
    <para />
    <para>Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.</para>
    <para />
    <para />
    <para>4.	Beoordeling van het geschil</para>
    <para />
    <para>Artikel 7.8 van de Waterwet luidt – voor zover van belang – als volgt:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	‘1. Van verontreinigingsheffing zijn vrijgesteld:</para>
      <para>	a. lozingen die plaatsvinden met behulp van een vuilwaterriool;</para>
      <para>	(…).’</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Artikel 1.1 van de Waterwet luidt – voor zover van belang – als volgt:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	‘1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:</para>
      <para>	(…)</para>
      <para>	openbaar vuilwaterriool: voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, in beheer 		bij een gemeente of een rechtspersoon die door de gemeente met het beheer is belast;</para>
      <para>	(…)</para>
      <para>	stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend 		hemelwater, grondwater of ander afvalwater;’</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>De in artikel 7.8, eerste lid, letter a, van de Waterwet, opgenomen vrijstelling is bij amendement in de Waterwet opgenomen (Kamerstukken II, 2007/08, nr. 30818, nr. 14):</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	‘In artikel 7.2, tweede lid, vervalt onderdeel b.</para>
      <para>	Toelichting</para>
      <para>	De in de Waterwet opgenomen heffing op riooloverstorten kent geen serieuze meerwaarde en kan om die 		reden vervallen. Voor de aanpak van overstorten is in het bijzonder het wettelijk verplichte gemeentelijk 		rioleringsplan reeds voorhanden. Hierin moet beleid staan voor de aanpak van overstorten en de 		vermindering van de gevolgen daarvan voor de waterkwaliteit. Hierbij moet ook het waterschap worden 		betrokken en heeft de provincie een aanwijzingsbevoegdheid. Gewezen wordt op het feit dat de gemeente in 	opdracht van het Rijk een overheidszorgplicht uitvoert, waarbij overstorten om doelmatigheidsredenen niet 		geheel voorkomen kunnen worden. Emissies uit riooloverstorten leiden volgens het Kabinet echter in zijn		algemeenheid niet tot aanzienlijke en langdurige waterverontreiniging (minder dan een half tot ruim één 		procent). Het amendement vermindert tevens de stapeling van instrumenten voor de aanpak van overstorten 	waarvan nu sprake is (GRP en verplichte afspraken). Tevens voorkomt het amendement dat voor 15 000 		overstorten een heffing betaald moet gaan worden. Verwacht wordt dat de administratieve lasten en 		bestuurslasten als gevolg van dit amendement flink zullen afnemen.’</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Dit amendement is nog als volgt toegelicht (Handelingen II, 12 februari 2008, bladzijden 52-3828-3829):</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	‘Amendement op stuk nr. 14 ziet op de heffing op riooloverstort. Verschillende Kamerleden hebben gezegd 		dat die heffingen geen meerwaarde hebben. Ook de aansluitvergunningen, de afspraken tussen 		gemeenten en het waterschap, kunnen zonder problemen vervangen worden. Wij hebben begrip voor dat 		pleidooi. Daarom heb ik het amendement ingediend over de heffing op riooloverstort. De in de Waterwet 		opgenomen heffing, althans de mogelijkheid voor heffing op riooloverstorten, kent mijns inziens geen 		serieuze meerwaarde en zou om die reden kunnen vervallen. Voor de aanpak van overstorten is in het 		bijzonder het wettelijk verplichte gemeentelijke rioleringsplan al voorhanden. Hierin moet het beleid staan 		voor de aanpak van overstorten en de vermindering van de gevolgen daarvan voor de waterkwaliteit. Hierbij 		moet ook het waterschap worden betrokken. De provincie heeft een aanwijzingsbevoegdheid. Ik wijs hierbij 		op het feit dat gemeenten in opdracht van het Rijk een overheidszorgplicht uitvoeren, waarbij overstorten om 		doelmatigheidsredenen niet geheel voorkomen kunnen worden. Emissies uit riooloverstorten leiden niet tot 	bijzondere waterverontreiniging.</para>
      <para>	Door middel van het amendement wil ik tevens de stapeling van instrumenten voor de aanpak van 		overstorten verminderen, waarvan nu sprake is. Ook dit amendement kan volgens mij een belangrijke 		bijdrage leveren aan het verdere verminderen van administratieve lasten en bestuurslasten. Ik voeg 		daaraan toe dat de Tweede Kamer al eerder de door het ministerie voorgestelde heffing op lozing door 		rwzi's op regionale wateren heeft geschrapt. De korting voor lozing op rijkswateren van 50% heeft de 		Tweede Kamer in stand gehouden. Dit ging ook in tegen een eerdere wens van het kabinet. De Kamer heeft 	daarvoor toen nadrukkelijk gekozen. Zij heeft toen gekozen voor de lijn dat het beginsel van de vervuiler 		betaalt niet zonder meer opgaat bij de uitvoering van publieke overheidszorgplichten. Bovendien betalen 		daadwerkelijke vervuilers, degenen die afvalwater op het riool lozen, reeds de Wvo-heffing aan het 		waterschap. Om die reden is het afzien van de heffing niet in strijd met het beginsel dat de vervuiler betaalt. 		Doordat aan het waterschap wordt overgelaten of aan de gemeente heffing wordt gevraagd, ontstaan nu 		onduidelijkheid en verschillen per waterschap die niet logisch uit te leggen zijn, zeker niet als de gemeente 		de kosten die zij hiervoor bij het waterschap maakt, inzichtelijk voor de burgers op een rekening zou moeten 		presenteren. Vrijstelling via de wet waarborgt landelijke uniformiteit. Daarom dienen wij dit amendement in.’</para>
    </parablock>
    <para>	</para>
    <para>De staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat heeft in een brief aan de Tweede Kamer – voor zover van belang – geschreven (Kamerstukken II, 2007/08, nr. 30818, nr. 24, blz. 2):</para>
    <para />
    <para>	‘2. Heffingsvrijstelling voor riooloverstorten </para>
    <para>	</para>
    <parablock>
      <para>	Tijdens de behandeling in eerste termijn hebben verschillende Kamerleden ervoor gepleit om 			gemeentelijke riooloverstorten vrij te stellen van verontreinigingsheffing.</para>
      <para>	Ik heb aangegeven hier positief tegenover te staan en heb u toegezegd te willen nagaan wat de implicaties 		van een dergelijke vrijstelling kunnen zijn.</para>
      <para>	Belangrijke doelstelling van de heffing in het algemeen is dat het invulling geeft aan het principe «de 		vervuiler betaalt» en dat er een prikkel van uit gaat om continu de hoeveelheid verontreiniging te 			verminderen. Specifiek voor riooloverstorten geldt dat dit veel minder opgaat. Het is buitengewoon kostbaar 		de vuiluitworp van een riooloverstort te beperken met zuiveringstechnische maatregelen. Dat kan alleen 		door de riolering fundamenteel aan te passen. Ook met het nieuwe instrument in de Waterwet, de 		bestuurlijke waterafspraken, kan worden bevorderd dat gemeenten en waterschappen ook over 			riooloverstorten afspraken maken over vermindering van lozingen en overlast door middel van 			investeringen. Een belangrijke maatregel is bijvoorbeeld het afkoppelen van regenwater. Op bestuurlijk 		niveau zijn hierover tussen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging van Nederlandse 			Gemeenten en de Unie van Waterschappen afspraken gemaakt in het kader van het Bestuursakkoord 		Waterketen. Verder geldt dat administratieve lasten worden beperkt door het afschaffen van de heffing. Wel 		blijkt dat het verlenen van een vrijstelling voor specifieke categorieën van gevallen gevolgen heeft voor de 		tarieven en dat aan een vrijstelling fiscaal-juridisch lastige aspecten kunnen zitten, zoals ongewenste 		precedentwerking.</para>
      <para>	De mogelijke risico’s die hieraan kleven kunnen worden beperkt door de vrijstelling voor de riooloverstorten 		op formeel wetsniveau neer te leggen.</para>
      <para>	Gelet op bovenstaande ben ik, conform de wens van de Kamer, voornemens de heffingsvrijstelling voor de 		riooloverstorten in de Invoeringswet te regelen.’</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het vorenbedoeld amendement is niet ingrijpend gewijzigd (Kamerstukken II, 2007/08, nr. 30818, nr. 26):</para>
    <para />
    <para>	‘In artikel 7.2, tweede lid, vervalt in onderdeel b het woord: openbaar.</para>
    <para>	</para>
    <para>	II</para>
    <para />
    <para>	In artikel 7.5, eerste lid, wordt voor de bestaande tekst een volzin ingevoegd, luidend: Van 			verontreinigingsheffing zijn vrijgesteld lozingen die plaatsvinden met behulp van een openbaar 			vuilwaterriool.</para>
    <para />
    <para>	Toelichting</para>
    <para />
    <para>	De in de Waterwet opgenomen heffing op riooloverstorten kent geen serieuze meerwaarde en kan om die 		reden vervallen. Voor de aanpak van overstorten is in het bijzonder het wettelijk verplichte gemeentelijk 		rioleringsplan reeds voorhanden. Hierin moet beleid staan voor de aanpak van overstorten en de 		vermindering van de gevolgen daarvan voor de waterkwaliteit. Hierbij moet ook het waterschap worden 		betrokken en heeft de provincie een aanwijzingsbevoegdheid. Gewezen wordt op het feit dat de gemeente in 	opdracht van het Rijk een overheidszorgplicht uitvoert, waarbij overstorten om doelmatigheidsredenen niet 		geheel voorkomen kunnen worden. Emissies uit riooloverstorten leiden volgens het Kabinet echter in zijn 		algemeenheid niet tot aanzienlijke en langdurige waterverontreiniging (minder dan een half tot ruim één 		procent). Het amendement vermindert tevens de stapeling van instrumenten voor de aanpak van overstorten 	waarvan nu sprake is (GRP en verplichte afspraken). Tevens voorkomt het amendement dat voor 15 000 		overstorten een heffing betaald moet gaan worden. Verwacht wordt dat de administratieve lasten en 		bestuurslasten als gevolg van dit amendement flink zullen afnemen.’</para>
    <para />
    <para>Tijdens de Handelingen van 20 maart 2008 is – voor zover van belang – het volgende opgemerkt (Handelingen II, 20 maart 2008, bladzijden 66-4681–4682):</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	'Bijna alle sprekers hebben het gehad over de verontreinigingsheffing op riooloverstorten. De heer Van der 		Staaij vraagt in het amendement op stuk nr. 26 expliciet om de heffing op riooloverstorten te laten vervallen. 		In eerste termijn heb ik aangegeven hier positief tegenover te staan. In de brief die ik heb gestuurd ben ik 		hierop ingegaan. De belangrijkste doelstelling van de verontreinigingsheffing is invulling te geven aan het 		principe dat de vervuiler betaalt. De heffing kan ook een prikkel zijn voor verontreinigers om de 			verontreiniging te verminderen. Enkele leden hebben aangevoerd dat deze prikkel bij de riooloverstorten niet 	effectief is, omdat het over het algemeen kostbaar is om het aantal overstorten te verminderen. Daarvoor is 		aanpassing van de riolering nodig. Ook daarom voel ik voor het idee van een vrijstelling.</para>
      <para>	In eerste termijn heb ik aangegeven dat ik wil nagaan wat de implicaties van een dergelijke vrijstelling 		zouden zijn. Het blijkt dat aan het verlenen van een vrijstelling voor specifieke categorieën fiscaal-juridisch 		lastige aspecten kunnen zitten. Indien andere heffingsplichtigen dan gemeenten om vrijstelling van de 		verontreinigingsheffing vragen en daarbij een beroep doen op het gelijkheidsbeginsel, bestaat de kans dat 		zij door de belastingrechter in het gelijk worden gesteld. Daarmee bestaat het risico dat het systeem van de 		heffing door precedentwerking verder wordt uitgehold.</para>
      <para>	(…)</para>
      <para>	De eerder genoemde risico's kunnen worden beperkt door zowel de heffing als de vrijstelling voor de 		gemeentelijke riooloverstorten in de wet vast te leggen. Ik ben daarom van plan de door de Kamer 		gewenste vrijstelling op wetsniveau vast te leggen in de invoeringswet. Daarmee wordt een juridisch 		zorgvuldige procedure doorlopen, vooral ook omdat de invoeringswet ook weer door de Raad van State 		bekeken zal worden. Wij kunnen dan met het advies van de Raad van State over mogelijke 			precedentwerking rekening houden. De vrijstelling van verontreinigingsheffing wil ik met de invoeringswet 		regelen. Hoewel ik mij kan vinden in het gestelde in het amendement van de heer Van der Staaij, is dit de 		reden waarom ik aanneming ervan toch wil ontraden.'</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Tijdens voornoemde Handelingen van 20 maart 2008 is een motie ingediend, die als volgt luidt (Kamerstukken II, 2007/08, nr. 30818, nr. 33):</para>
    <para />
    <para>	‘overwegende, dat de heffing op directe lozingen/het lozen van gezuiverd water is ingevoerd in een periode 		dat puntbronnen een belangrijke bijdrage leverden aan de belasting van oppervlaktewateren;</para>
    <para />
    <para>	overwegende, dat de verontreinigingsheffing in combinatie met strikte lozingseisen uit de Europese richtlijn 		voor stedelijk afvalwater en de IPPC-richtlijn heeft bijgedragen aan een sterke reductie van lozingen vanuit 		puntbronnen;</para>
    <para>	</para>
    <para>	overwegende, dat de huidige waterkwaliteitsproblemen volgens de Nederlandse rapportages aan Brussel 		in hoofdzaak worden veroorzaakt door diffuse bronnen en belasting bovenstrooms;</para>
    <para />
    <para>	verzoekt de regering nog dit jaar te onderzoeken wanneer puntbronnen die voldoen aan strenge Europese 		standaarden, kunnen worden vrijgesteld van de verontreinigingsheffing,’</para>
    <para />
    <para>Over deze motie is – voor zover van belang – door de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat het volgende opgemerkt (Handelingen II, 20 maart 2008, bladzijde 66-4682):</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	‘De motie van de heer Madlener heeft ook met dit punt te maken. Met zijn motie verzoekt hij de regering om 		nog dit jaar te onderzoeken wanneer puntbronnen, die voldoen aan strenge Europese standaarden, kunnen 	worden vrijgesteld van de verontreinigingsheffing. Ik ben</para>
      <para>	van plan om fundamenteel onderzoek te doen naar de verontreinigingsheffing. Daarbij zal dit aspect aan de 		orde komen. Ik wil deze motie dan ook beschouwen als ondersteuning van mijn beleid.’</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Tijdens de Handelingen van 18 juni 2009 is – voor zover van belang – door de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat het volgende opgemerkt (Handelingen II, 18 juni 2009, bladzijde 97-7669):</para>
    <para />
    <para>	‘Ik wil graag ingaan op de verontreinigingsheffing. De heer Madlener heeft gevraagd naar de stand van 		zaken bij zijn motie over het vrijstellen van puntbronnen van de verontreinigingsheffing. Ook de heer 		Koppejan heeft aan die motie gerefereerd. Vorig jaar heeft de Kamer om een onderzoek gevraagd. Dat 		onderzoek loopt. Daarin wordt bekeken of aanpassing noodzakelijk is voor de stoffen waarop de heffing nu 		van toepassing is: zuurstofbindende stoffen en een aantal zware metalen. Bij dat onderzoek wordt ook de 		motie betrokken. Er wordt bekeken of puntbronnen die voldoen aan de Europese lozingsnormen, vrijgesteld 		kunnen worden van heffing. De resultaten komen eind 2009 beschikbaar.’</para>
    <para />
    <para>In de memorie van antwoord aan de Eerste kamer is – voor zover van belang – opgemerkt (Kamerstukken I, 2007/08, nr. 30818, nr. C, blz. 21):</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	‘Financiële bepalingen</para>
      <para>	De leden van de CDA-fractie hebben naar aanleiding van het aangenomen amendement nr. 26H (Van der 		Staaij) dat tot doel heeft om specifiek gemeenten vrij te stellen van verontreinigingsheffing voor 			riooloverstorten, opgemerkt dat dit aangemerkt kan worden als een subjectieve vrijstelling. Door nu één 		categorie van lozers uit te zonderen, kunnen naar het oordeel van deze leden ook andere lozingen voor 		vrijstelling in aanmerking komen. De kans dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel bij de rechter slaagt, 		is volgens hen zeer wel aanwezig. Zij vragen in hoeverre het gehele draagvlak van de heffing intact blijft. De 		leden van fractie van de SGP, mede namens de CU-fractie, vragen in dit verband in hoeverre de</para>
      <para>	opgenomen vrijstelling voor lozingen vanuit gemeentelijke overstorten past in het stelsel van de wet.</para>
      <para>	Tevens vragen deze leden de regering de senaat te informeren over haar visie op een dergelijke vrijstelling 		en vooral over haar visie op een toekomstige heffing gericht op reguleren van emissies van 			waterverontreinigende stoffen vanuit diffuse en puntbronnen? In hoeverre is een verontreinigingsheffing op 		diffuse bronnen noodzakelijk voor het realiseren van de doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn 		Water?</para>
      <para>	In mijn brief van 5 maart 2008 aan de Tweede Kamer heb ik uitgebreid aandacht besteed aan dit 		onderwerp. Ik heb daarin o.a. aangegeven:</para>
      <para>	«Belangrijke doelstelling van de heffing in het algemeen is dat het invulling geeft aan het principe «de 		vervuiler betaalt» en dat er een prikkel van uit gaat om continu de hoeveelheid verontreiniging te 			verminderen.</para>
      <para>	Specifiek voor riooloverstorten geldt dat dit veel minder opgaat. Het is buitengewoon kostbaar de vuiluitworp 		van een riooloverstort te beperken met zuiveringtechnische maatregelen. Dat kan alleen door de riolering 		fundamenteel aan te passen. Ook met het nieuwe instrument in de Waterwet, de bestuurlijke 			waterafspraken, kan worden bevorderd dat gemeenten en waterschappen ook over riooloverstorten 		afspraken maken over vermindering van lozingen en overlast door middel van investeringen.</para>
      <para>	Een belangrijke maatregel is bijvoorbeeld het afkoppelen van regenwater. Op bestuurlijk niveau zijn hierover 	tussen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Unie van 		Waterschappen afspraken gemaakt in het kader van het Bestuursakkoord Waterketen. Verder geldt dat 		administratieve lasten worden beperkt door het afschaffen van de heffing. Wel blijkt dat het verlenen van een 	vrijstelling voor specifieke categorieën van gevallen gevolgen heeft voor de tarieven en dat aan een 		vrijstelling fiscaal-juridisch lastige aspecten kunnen zitten, zoals ongewenste precedentwerking. De</para>
      <para>	mogelijke risico’s die hieraan kleven kunnen worden beperkt door de vrijstelling voor de riooloverstorten op 		formeel wetsniveau neer te leggen.»</para>
      <para>	In lijn met deze brief heb ik het amendement van de heer Van der Staaij dan ook ontraden. Desondanks 		heeft de Tweede Kamer het amendement aangenomen. Dit is, zoals ook door de leden van de fracties van 		het CDA, de SGP en de CU onderkend, in mijn ogen niet zonder risico’s. Of zich daadwerkelijk een 		ongewenste precedentwerking zal voordoen, moet in de praktijk blijken. Pas dan is het in mijn ogen zinvol te 	bezien of dit effect heeft op het draagvlak voor de verontreinigingsheffing en welke verdere gevolgen dit heeft 		voor de verontreinigingsheffing.’</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Tijdens de Handelingen van 27 januari 2009 is – voor zover van belang – het volgende opgemerkt (Handelingen I, 27 januari 2009, bladzijden 19-970-971):</para>
    <para />
    <para>	'Er zijn ook opmerkingen gemaakt over de verontreinigingsheffing. Tijdens de behandeling van het voorstel 		voor de Waterwet in de Tweede Kamer is uitvoerig stilgestaan bij dit onderwerp. Er is een amendement 		ingediend met het doel om gemeenten vrij te stellen voor riooloverstorten. De leden van de Eerste Kamer 		constateren dat aan het verlenen van een vrijstelling voor specifieke categorieën fiscaal-juridisch lastige 		aspecten kunnen zitten. Indien andere heffingsplichtigen dan gemeenten om vrijstelling van de 			verontreinigingsheffing vragen en daarbij een beroep doen op het gelijkheidsbeginsel, is het niet geheel 		uitgesloten dat zij in het gelijk worden gesteld door de belastingrechter. Daarmee bestaat het risico dat het 		systeem van de heffing wordt uitgehold door de zogenaamde precedentwerking. Toen dit amendement 		werd ingediend in de Tweede Kamer, heb ik haar daarover geïnformeerd. Of deze ongewenste 			precedentwerking zich daadwerkelijk voordoet, zal in de praktijk moeten blijken. Een aantal woordvoerders 		heeft hierover vragen gesteld. Bij de invoeringswet zal de mogelijkheid om bij AMvB vrijstelling voor de 		heffing te geven worden geschrapt. Vrijstellingen zijn dan alleen nog op wetsniveau mogelijk.'</para>
    <para />
    <para>De staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat heeft in zijn brief van 6 juli 2010 aan de Tweede Kamer geschreven (Kamerstukken II, 2009/10, nr. 27625, nr. 168):</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	‘In het kader van de behandeling van het wetsvoorstel Waterwet heeft de toenmalige staatssecretaris van 		Verkeer en Waterstaat toegezegd nader onderzoek te zullen doen naar de verontreinigingsheffing in 		algemene zin (TK 2007–2008, 30 818, 66-4682). Aanleiding hiervoor vormden de vragen van enkele fracties 		over deze heffing en met name de motie-Madlener c.s. (TK 2007–2008, 30 818, nr. 33). In deze motie werd 		de regering verzocht te onderzoeken of puntbronnen, die voldoen aan strenge Europese standaarden, 		vrijgesteld kunnen worden van de verontreinigingsheffing. Naar aanleiding van deze toezegging heb ik 		onderzoek laten doen. Op basis hiervan kan ik het volgende beeld schetsen.</para>
      <para>	De verontreinigingsheffing is ingesteld in 1970 bij de inwerkingtreding van de Wet verontreiniging 		oppervlaktewateren. In die periode moesten grote investeringen in zuiveringtechnische maatregelen worden 	gedaan om de waterkwaliteit te verbeteren. Aan de heffing was een uitkeringsregeling gekoppeld voor 		regionale waterkwaliteitsbeheerders (vooral waterschappen) en bedrijven, die op grond van de aan hen 		verleende lozingsvergunningen verplicht waren deze maatregelen te treffen. Dit systeem heeft de afgelopen 		40 jaar zijn waarde bewezen. Enerzijds heeft het geresulteerd in een enorme verbetering van de 			waterkwaliteit in ons land. Anderzijds heeft Nederland nu een van de meest efficiënte</para>
      <para>	afvalwater-beheersystemen in Europa.</para>
      <para>	Alhoewel het saneringsargument, de regulerende werking, momenteel minder manifest is dan tijdens de 		afgelopen decennia, verdient continuering van de verontreinigingsheffing om een aantal redenen de 		voorkeur.</para>
      <para>	Allereerst doet de heffing recht aan het beginsel van de kostenterugwinning van waterdiensten, inclusief het 		beginsel «de vervuiler betaalt», zoals dit is vastgelegd in de Europese Kaderrichtlijn Water. De heffing wijkt 		ten principale niet af van de regeling die in een aantal andere Europese landen geldt. De 			verontreinigingsheffing vormt een goed instrument om de kosten van het waterkwaliteitsbeheer voor een 		deel bij de lozers neer te leggen. Wanneer dit achterwege zou blijven, zouden deze kosten volledig via de 		algemene rijksmiddelen moeten worden gefinancierd. Daarbij werkt het systeem van de heffing zodanig, 		dat de heffing lager wordt al naargelang de mate van sanering van de lozing.</para>
      <para>	Ten slotte geldt ook voor de indirecte lozingen op de riolering, waarvoor een zuiveringsheffing verschuldigd 		is, dat zij moeten voldoen aan Europese standaarden.</para>
      <para>	Vanwege bovengenoemde redenen dient de verontreinigingsheffing ook in de toekomst zijn betekenis in het 	waterkwaliteitsbeheer te behouden. Ik ben dan ook niet voornemens puntbronnen die voldoen aan strenge 		Europese standaarden vrij te stellen van deze heffing en over te gaan op een andere methode van 		kostenterugwinning. De verontreinigingsheffing is, zo heeft nader onderzoek uitgewezen, op onderdelen 		echter wel voor verbetering vatbaar. Ik denk daarbij concreet aan:</para>
      <para>	– het uitbreiden van de mogelijkheden om de vuilvrachten door middel van forfaitaire regelingen vast te 		stellen, waardoor zowel de administratieve lasten als de bestuurlijke lasten zullen verminderen;</para>
      <para>	– het vaststellen van de vuilvracht, de maatstaf voor de heffing, met nieuwe analysemethoden die beter 		aansluiten bij de huidige praktijk in de laboratoria en de grotere bedrijven. Hierdoor wordt de hoeveelheid</para>
      <para>	kwik dat gebruikt wordt bij de huidige analyses, tot nul gereduceerd.</para>
      <para>	Tevens heeft dit een gunstige uitwerking op de administratieve lasten voor het bedrijfsleven. Wel moet nog 		nader onderzocht worden hoe een al te grote lastenverschuiving tussen groepen heffingplichtigen, maar 		ook tussen individuele heffingplichtigen voorkomen kan worden;</para>
      <para>	– het beëindigen van de heffing op zware metalen. De perceptiekosten van deze heffing zijn relatief hoog in 		verhouding tot de heffingopbrengst.</para>
      <para>	Het beëindigen van de heffing op zware metalen zal eveneens bijdragen aan een vermindering van de 		administratieve en bestuurlijke lasten.</para>
      <para>	Concluderend merk ik op dat het systeem van de verontreinigingsheffing nog steeds goed bruikbaar is en 		noodzakelijk om tegemoet te blijven komen aan de Europeesrechtelijke randvoorwaarden. Wel kunnen 		enkele aanpassingen in de regelgeving en in de uitvoering leiden tot een reductie van de administratieve en 	bestuurlijke lasten. Ik ben voornemens deze wijzigingen in de loop van 2011 te realiseren.’</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Eiseres betoogt dat ook zij in aanmerking komt voor de vrijstelling van artikel 7.8, eerste lid, letter a, van de Waterwet, omdat bij haar de financiële prikkel tot vermindering van de vervuiling door middel van heffing ontbreekt aangezien de aan haar verleende Wvo-vergunning en de daaraan verbonden voorwaarden reeds leiden tot de maximale reductie van verontreinigd water en dat een eventuele heffing daar niets aan bijdraagt. </para>
    <para />
    <para>Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een met artikel 14 van het EVRM in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, of artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM en artikel 26 van het IVBPR, strijdige ongelijke behandeling, moet worden vooropgesteld dat die bepalingen niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbieden, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Hierbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398). Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is (vgl. EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, LJN AV4014, V-N 2003/52.2, HR 8 juli 2005, nr. 39.870, LJN AQ7212, BNB 2005/310 en HR 18 december 2009, nr. 44.021, LJN BC5874, BNB 2010/79). </para>
    <para />
    <para>De rechtbank leidt uit de hiervoor vermelde wetsgeschiedenis af dat de belangrijkste doelstelling van de verontreinigingsheffing – de vervuiler betaalt – minder opgeld doet bij riooloverstorten omdat deze om doelmatigheidsredenen niet kunnen worden voorkomen en dat overigens niet aan deze doelstelling wordt getornd. Bovendien bestaan er andere instrumenten, zoals een gemeentelijke rioleringsplan, en betreft het niet aanzienlijke en langdurige waterverontreiniging (minder dan één procent).  </para>
    <para />
    <para>Vaststaat dat in het onderhavige geval sprake is van een continue lozing door eiseres en niet van een lozing in uitzonderlijke, niet goed beheersbare, situaties. Verder kan eiseres – als vervuiler – de aanvoer van afvalwater beïnvloeden, terwijl dit bij riooloverstorten juist niet het geval is. Naast het aspect van oncontroleerbare regenval is de gemeente niet zelf de vervuiler. Ten slotte merkt de rechtbank op dat het op grond van de artikelen 1.1 en 7.8, eerste lid, letter a, van de Waterwet, moet gaan om de riooloverstorten van stedelijk afvalwater. In de Wet Milieubeheer zijn de volgende definities opgenomen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>	‘1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:</para>
      <para>	(…)</para>
      <para>	bedrijfsafvalwater: afvalwater dat vrijkomt bij door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij 		bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid, dat geen huishoudelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater of 		grondwater is;</para>
      <para>	(…)</para>
      <para>	huishoudelijk afvalwater: afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en 		huishoudelijke werkzaamheden;</para>
      <para>	(…)</para>
      <para>	stedelijk afvalwater: huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend 		hemelwater, grondwater of ander afvalwater’</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Wat betreft het begrip stedelijk afvalwater is in de Waterwet aangesloten bij dit begrip zoals gedefinieerd in de Wet Milieubeheer (Kamerstukken II, 2007/08, nr. 30818, nr. 7, blz. 24). De rechtbank ziet geen reden om, bij gebreke aan aanwijzingen voor het tegendeel, voor de begrippen bedrijfsafvalwater en huishoudelijk afvalwater niet aan te sluiten bij de in de Wet Milieubeheer opgenomen definities van deze begrippen. Aangezien bij eiseres geen sprake is van huishoudelijk afvalwater, is er ook geen sprake van stedelijk afvalwater.</para>
    <para />
    <para>Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van gelijke gevallen. Daardoor kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.</para>
    <para />
    <para />
    <para>5.	Proceskosten</para>
    <para />
    <para>De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
    <para />
    <para />
    <para>6.	Beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. A.M.F. Geerling en mr. A.I. van Amsterdam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.J.G. Tiemessen, griffier.</para>
    <para />
    <para />
    <para>De griffier,				De voorzitter,</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>Uitgesproken in het openbaar op: 19 april 2012</para>
    <para />
    <para>Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: </para>
    <para />
    <para />
    <para>Rechtsmiddel</para>
    <para />
    <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:</para>
      <para>1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;</para>
      <para>2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:</para>
      <para> 	a. de naam en het adres van de indiener;</para>
      <para>	b. een dagtekening;</para>
      <para>c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;</para>
      <para>d. de gronden van het hoger beroep.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>