<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBARN:2011:BP5080</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T17:28:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BP5080</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Arnhem" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Arnhem</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2011-01-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">193407</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBARN:2011:BP5080">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBARN:2011:BP5080</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:42:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-02-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBARN:2011:BP5080 Rechtbank Arnhem , 26-01-2011 / 193407</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBARN:2011:BP5080:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Proceskosten zijn immers geen schade in de zin van boek 6 BW. Veroordeling tot betaling van proceskosten is gegrond op artikel 237 Rv. Volgens de laatste zin van het eerste lid van dat artikel kan de rechter de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt voor rekening laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBARN:2011:BP5080:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Vonnis</para>
      <para>RECHTBANK ARNHEM</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Sector civiel recht</para>
    <para />
    <para>zaaknummer / rolnummer: 193407 / HA ZA 09-2197</para>
    <para />
    <para>Vonnis van 26 januari 2011</para>
    <para />
    <para>in de zaak van</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	de vennootschap onder firma</para>
      <para>[eis. 1],</para>
      <para>gevestigd te [vest.plaats],</para>
      <para>2.	[eis.2],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>3.	de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>[eis.3].,</para>
      <para>gevestigd te [vest.plaats],</para>
      <para>eiseressen,</para>
      <para>advocaat mr. H.L.J.M. van Grinsven te Tilburg,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[gedaagde],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. B.J. Al te Veenendaal tot zijn onttrekking op 1 december 2010.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Partijen zullen hierna de [eisers] en [gedaagde] genoemd worden.</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>1.1.	Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>-	het tussenvonnis van 20 oktober 2010;</para>
      <para>-	de akte na tussenvonnis van de [eisers];</para>
      <para>-	de aan [gedaagde] verleende akte niet dienen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2.	Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De verdere beoordeling</para>
      <para>2.1.	In het tussenvonnis van 20 oktober 2010 is overwogen dat de vordering in de vrijwaring in beginsel voor afwijzing gereed ligt omdat de vordering in de hoofdzaak bij vonnis van 10 februari 2010 is afgewezen. Op die grond is voorshands geoordeeld dat een comparitie van partijen of een wisseling van re- en dupliek niet opportuun is (rov. 2.4). Vervolgens is de zaak verwezen naar de rol zodat partijen zich daarover bij akte kunnen uitlaten, de [eisers] als eerste.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.2.	De [eisers] hebben te kennen gegeven dat zij het eens zijn met hetgeen de rechtbank in het tussenvonnis onder 2.4 heeft overwogen. [gedaagde] heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid zich uit te laten. De vordering van de [eisers] zal daarom worden afgewezen, zoals overwogen in het tussenvonnis.</para>
    <para />
    <para>2.3.	De [eisers] heeft primair verzocht [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, subsidiair de proceskosten te compenseren. Zij heeft daartoe betoogd dat er geen procedure in de hoofdzaak en dus geen procedure in de vrijwaring nodig was geweest als [gedaagde] niet toerekenbaar was tekortgeschoten. Daaruit heeft zij geconcludeerd dat de kosten van de vrijwaringsprocedure ten laste van [gedaagde] moeten komen, waarbij zij een beroep heeft gedaan op de artikelen 6:10 jo. 6:102 jo. 6:101 BW.</para>
    <para />
    <para>2.4.	Het beroep op die bepalingen wordt verworpen. Proceskosten zijn immers geen schade in de zin van boek 6 BW. Veroordeling tot betaling van proceskosten is gegrond op artikel 237 Rv. Volgens de laatste zin van het eerste lid van dat artikel kan de rechter de kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt voor rekening laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte. De kosten van [gedaagde] heeft zij gemaakt om zich tegen de vordering van de [eisers] te verweren. Niet valt in te zien dat deze kosten nodeloos zijn gemaakt en voor rekening van [gedaagde] zouden moeten en kunnen blijven. De conclusie is dat er geen aanleiding is af te wijken van de hoofdregel van artikel 237 Rv., zodat de [eisers] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden veroordeeld.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	De beslissing</para>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.1.	wijst de vorderingen af,</para>
    <para />
    <para>3.2.	veroordeelt de [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 805,- aan vast recht en € 579,- aan salaris voor de advocaat,</para>
    <para />
    <para>3.3.	verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op </para>
      <para>26 januari 2011.</para>
    </parablock>
    <para>		</para>
    <para>		</para>
    <para>		</para>
    <para>coll.: CLB</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>