<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBARN:2010:BO6882</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T20:32:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BO6882</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Arnhem" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Arnhem</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-12-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">207569</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBARN:2010:BO6882">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBARN:2010:BO6882</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T07:20:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-12-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBARN:2010:BO6882 Rechtbank Arnhem , 08-12-2010 / 207569</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBARN:2010:BO6882:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verstekvonnis. De vorderingen van eiser, die in de kern erop neerkomen gedaagden te gebieden rekening en verantwoording af te leggen over de besteding van de van eiser ontvangen gelden van in totaal € 275.000,00, worden (grotendeels) toegewezen, omdat zij de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBARN:2010:BO6882:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>Vonnis</para>
      <para>RECHTBANK ARNHEM</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Sector civiel recht</para>
    <para />
    <para>zaaknummer / rolnummer: 207569 / KG ZA 10-703</para>
    <para />
    <para>Vonnis in kort geding van 8 december 2010</para>
    <para />
    <para>in de zaak van</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[eiser],</para>
      <para>wonende te Arnhem,</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>advocaat mr. J.C.M. Jochemsen- Vernooij te Arnhem,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	[gedaagde sub 1],</para>
      <para>wonende te Ede,</para>
      <para>2.	de stichting</para>
      <para>STICHTING HET GOEDE DOELEN ELFTAL,</para>
      <para>gevestigd te Arnhem,</para>
      <para>gedaagden,</para>
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>1.1.	Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>-	de dagvaarding</para>
      <para>-	de mondelinge behandeling</para>
      <para>-	het tijdens de behandeling tegen gedaagden verleende verstek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2.	Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>2.	De beoordeling</para>
      <para>2.1.	Eiser heeft ter zitting het gevorderde onder de eerste drie gedachtestreepjes gewijzigd in de zin dat hij de periode waarbinnen gedaagden moeten voldoen aan de daarin genoemde geboden heeft verruimd van vijf dagen na dagtekening van dit vonnis naar 30 dagen na betekening van dit vonnis. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.2.	Eiser heeft ter zitting het gevorderde onder het vierde gedachtestreepje geconcretiseerd door een bankrekening te noemen waarop het bedrag van € 275.000,00 gestort moet worden. De in deze vordering verzochte dwangsom zal worden afgewezen nu het hier een veroordeling tot betaling van een geldsom betreft. </para>
    <para />
    <para>2.3.	Het gevorderde onder het tweede gedachtestreepje zal worden afgewezen, omdat die vordering te weinig concreet is en toewijzing daarvan tot executieproblemen zal (kunnen) leiden. </para>
    <para />
    <para>2.4.	Nu niet gesteld of voldoende aannemelijk is gemaakt dat ten behoeve van eiser werkzaamheden zijn verricht die een hogere vergoeding rechtvaardigen dan is aanbevolen in het rapport Voorwerk II, zal de gevorderde vergoeding wegens buitengerechtelijke incassowerkzaamheden ambtshalve worden gematigd tot een bedrag gelijk aan twee punten van het toepasselijke liquidatietarief, met een maximum van 15% van de hoofdsom, zijnde € 4.000,00. </para>
    <para />
    <para>2.5.	Het gevorderde komt de voorzieningenrechter voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor met dien verstande dat de gevorderde dwangsommen zullen worden beperkt. Mitsdien wordt beslist als volgt. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.6.	Gedaagden zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eiser worden begroot op:</para>
      <para>- dagvaarding	€ 	 87,93</para>
      <para>- vast recht	€	1.395,00</para>
      <para>- salaris advocaat €	527,00</para>
      <para>Totaal	€ 	2.009,93</para>
    </parablock>
    <para>  </para>
    <para>2.7.	De vordering tot veroordeling van gedaagden in de nakosten, zal worden toegewezen als na te melden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	De beslissing</para>
      <para>De voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3.1.	gebiedt gedaagde sub 1 binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis rekening en verantwoording af te leggen over de besteding van de van eiser ontvangen gelden van in totaal € 275.000,00, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat gedaagde sub 1 in gebreke blijft daaraan te voldoen, tot een maximum van € 300.000,00 is bereikt,</para>
    <para />
    <para>3.2.	gebiedt gedaagde sub 2 binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis rekening en verantwoording af te leggen over de besteding van de van eiser ontvangen gelden van in totaal € 275.000,00, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat gedaagde sub 2 in gebreke blijft daaraan te voldoen, tot een maximum van € 300.000,00 is bereikt,</para>
    <para />
    <para>3.3.	gebiedt gedaagde sub 1 het gedeelte van de van eiser ontvangen gelden van in totaal € 275.000,00 waarvoor geen rekening en verantwoording kan worden afgelegd te retourneren aan eiser door betaling op bankrekening [...] ten name van [eiser],</para>
    <para />
    <para>3.4.	veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan eiser te betalen een bedrag van € 4.000,00 aan buitengerechtelijke kosten, </para>
    <para />
    <para>3.5.	veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van eiser tot op heden begroot op € 2.009,93, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf veertien dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,</para>
    <para />
    <para>3.6.	veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de nakosten, aan de zijde van eiser bepaald op € 131,00 voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 68,00, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest,</para>
    <para />
    <para>3.7.	verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,</para>
    <para />
    <para>3.8.	wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
    <para />
    <para>Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. Siragedik op 8 december 2010.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>