<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBARN:2010:BN2367</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T10:54:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BN2367</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Arnhem" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Arnhem</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2010-07-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">202718</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JA 2010/128</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBARN:2010:BN2367">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBARN:2010:BN2367</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T06:44:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-07-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBARN:2010:BN2367 Rechtbank Arnhem , 08-07-2010 / 202718</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBARN:2010:BN2367:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vordering om onmiddellijk na betekening van het vonnis mee te werken aan een bloedonderzoek om vast te stellen of gedaagde met het hepatitis/HIV-virus is besmet.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBARN:2010:BN2367:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>vonnis</para>
      <para>RECHTBANK ARNHEM</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Sector civiel recht</para>
    <para />
    <para>zaaknummer / rolnummer: 202718 / KG ZA 10-448</para>
    <para />
    <para>Vonnis in kort geding van 8 juli 2010</para>
    <para />
    <para>in de zaak van</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[eiser],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>advocaat mr. L.A.P. Arends te Nijmegen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>[gedaagde],</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. B. Willemsen te Nijmegen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>1.	De procedure</para>
      <para>1.1.	Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>-	de dagvaarding</para>
      <para>-	de mondelinge behandeling in één van de gebouwen van de [instelling] te [woonplaats].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2.	Ten slotte is in verband met de spoedeisendheid van de zaak op 8 juli 2010 vonnis gewezen. De feiten en de motivering waarop de beslissing in het vonnis steunt, worden hieronder vastgelegd. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De feiten</para>
      <para>2.1.	[eiser] is als avond-, nacht- en weekendhoofd werkzaam bij de [instelling] te [woonplaats].</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.2.	[gedaagde] is in het kader van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ) met een rechterlijke machtiging gedwongen opgenomen in een psychiatrische instelling en verblijft thans in de [instelling] te [woonplaats].</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.3.	Op [datum en tijd] uur heeft er in de [instelling] te [woonplaats] een vechtpartij plaatsgevonden tussen [gedaagde] en een medepatiënt waarbij [gedaagde] verwondingen aan zijn mond heeft opgelopen. Zorgverleners van de [instelling], waaronder [eiser], hebben de vechtpartij beëindigd. Tijdens het in bedwang houden van [gedaagde] is [eiser] door [gedaagde] in zijn onderarm gebeten. </para>
      <para>2.4.	[eiser] heeft in het ziekenhuis zijn bloed laten onderzoeken op HIV en Hepatitis B en C. Uit dit onderzoek is niet duidelijk of hij al dan niet besmet is met één van deze virussen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.5.	[eiser] heeft in verband met vrees voor besmetting met het hepatitis/HIV-virus  </para>
      <para>[gedaagde] verzocht bloed af te staan voor een bloedonderzoek naar de aanwezigheid van het hepatitis/HIV-virus bij [gedaagde]. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.6.	[gedaagde] weigert mee te werken aan een bloedonderzoek teneinde hem te testen op het hepatitis/HIV-virus.</para>
    <para />
    <para>2.7.	[eiser] is op advies ven de behandelende arts gestart met het slikken van medicijnen met zware bijwerkingen tegen een mogelijke besmetting.</para>
    <para />
    <para>3.	Het geschil</para>
    <para />
    <para>3.1.	[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om onmiddellijk na betekening van dit vonnis mee te werken aan een bloedonderzoek om vast te stellen of hij met het hepatitis/HIV-virus is besmet, welk onderzoek ondergaan dient te worden bij of vanwege de [instelling] en/of het Rijnstate ziekenhuis en/of enige andere ziekenhuiszorginstelling, uit te voeren door daarmee samenwerkende artsen en/of verpleegkundigen, met machtiging van [eiser] om bij gebreke van volledige voldoening door [gedaagde] aan deze veroordeling de medewerking aan het onderzoek op kosten van [gedaagde] te doen bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie en met bepaling dat [eiser] onmiddellijk na bekend worden van de uitkomst van het te verrichten bloedonderzoek daarvan kennis mag nemen. Voorts vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure. </para>
    <para />
    <para>3.2.	[eiser] stelt dat [gedaagde] gerekend kan worden tot de groep van personen met een verhoogd risico op hepatitis/HIV, gelet op onder meer zijn detentieverleden. [eiser] vreest dat hij als gevolg van de door [gedaagde] toegebrachte bijtwond mogelijk geïnfecteerd is met het hepatitis- of HIV-virus. Om zo gauw mogelijk een einde te maken aan de angst voor en de onzekerheid over een mogelijke besmetting, wil [eiser] het bloed van [gedaagde] onderzocht hebben. </para>
    <para />
    <para>3.3.	[gedaagde] voert verweer. </para>
    <para />
    <para>3.4.	Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	De beoordeling</para>
      <para>4.1.	Het spoedeisend belang van eiser vloeit in voldoende mate voort uit zijn stellingen en standpunten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.2.	Vast staat dat [eiser] door [gedaagde] in zijn onderarm is gebeten en dat [gedaagde] daarbij zelf verwondingen aan zijn mond had. Hierdoor is niet onaannemelijk dat tussen partijen bloed op bloedcontact heeft plaatsgevonden. Nu onweersproken is gesteld dat [eiser] gerekend kan worden tot de groep van personen met een verhoogd risico op het hepatitis/HIV-virus is het niet uitgesloten dat [eiser] door [gedaagde] besmet kan zijn geraakt met het hepatitis/HIV-virus. De vrees van [eiser] besmet te zijn geraakt met het hepatitis/HIV-virus is dan ook gerechtvaardigd. </para>
    <para />
    <para>4.3.	Gelet op het gevaar van besmetting en de ernst van de (mogelijke) gevolgen daarvan voor diens gezondheid heeft [eiser] er groot belang bij dat door middel van bloedonderzoek van [gedaagde] zo snel mogelijk wordt vastgesteld of [gedaagde] drager is van het hepatitis/HIV-virus, zodat aan de bij [eiser] levende onzekerheid omtrent de vraag of hij met dat virus in contact is geweest en dus het risico op besmetting bestaat, een einde komt. Nu daartegenover [gedaagde] geen in rechte te respecteren belang heeft aangevoerd om zijn medewerking aan het bloedonderzoek te onthouden - hij heeft enkel aangevoerd dat hij geen vertrouwen heeft in het verplegend personeel en dat hij vreest dat hem wordt verweten dat hij [eiser] heeft besmet terwijl de besmetting mogelijk afkomstig is van de medepatiënt waarmee hij die bewuste dag heeft gevochten - zal de vordering van [eiser] worden toegewezen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4.	[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:</para>
      <para>- dagvaarding		€ 	 87,93</para>
      <para>- vast recht		€	263,00</para>
      <para>- salaris advocaat	€	816,00</para>
      <para>Totaal		€ 	1.166,93</para>
    </parablock>
    <para>  </para>
    <parablock>
      <para>5.	De beslissing</para>
      <para>De voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5.1.	veroordeelt [gedaagde] om onmiddellijk na betekening van dit vonnis mee te werken aan bloedonderzoek om vast te stellen of hij met het hepatitis/HIV-virus is besmet, welk onderzoek ondergaan dient te worden bij of vanwege de [instelling] en/of het Rijnstate ziekenhuis en/of enige andere ziekenhuiszorginstelling, uit te voeren door daarmee samenwerkende artsen en/of verpleegkundigen, met machtiging van [eiser] om bij gebreke van volledige voldoening door [gedaagde] aan deze veroordeling de medewerking aan het onderzoek op kosten van [gedaagde] te doen bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie en met bepaling dat [eiser] onmiddellijk na bekend worden van de uitkomst van het te verrichten bloedonderzoek daarvan kennis mag nemen,</para>
    <para />
    <para>5.2.	veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.166,93,</para>
    <para />
    <para>5.3.	verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    <para />
    <para>Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. Siragedik op 8 juli 2010. De feiten en de motivering zijn afzonderlijk vastgelegd op 14 juli 2010.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>