<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBARN:1999:AA3933</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T19:26:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3933</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Arnhem" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Arnhem</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-12-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">KG 99/748</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>FJR 2000, 50</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBARN:1999:AA3933">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBARN:1999:AA3933</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:54:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2001-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBARN:1999:AA3933 Rechtbank Arnhem , 20-12-1999 / KG 99/748</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBARN:1999:AA3933:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBARN:1999:AA3933:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>Vonnis d.d. 20 december 1999</para>
    <para />
    <para />
    <para>Vonnis van de president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem in het kort geding van:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>		J,</para>
      <para>		wonende te E,</para>
      <para>		eiseres bij dagvaarding van 1 december 1999,</para>
      <para>		procureur mr. P.C. Plochg te Arnhem,</para>
      <para>		advocaat mr. T.A.J. van de Wouw  te Roermond,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>				tegen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>		Stichting voor Jeugdbescherming en Jeugdhulpverlening </para>
      <para>		Gelderland,</para>
      <para>		kantoorhoudende te Arnhem,</para>
      <para>		gedaagde,</para>
      <para>		gemachtigde: de heer  B, </para>
      <para>		procureur en advocaat mr. K.J. Verrips te Wageningen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De partijen worden verder aangeduid als J en JJG.</para>
    <para />
    <para>Het verloop van de procedure</para>
    <para />
    <para>1.	J heeft JJG in kort geding doen dagvaarden en bij mondelinge conclusie van eis gevorderd, als weergegeven in de dagvaarding.</para>
    <para />
    <para>2.	JJG heeft geconcludeerd dat J in haar vordering niet kan worden ontvangen althans dat de vordering haar dient te worden ontzegd. Tevens verzoekt JJG om J in de kosten van de procedure te veroordelen.</para>
    <para />
    <para>3.	Namens J zijn bij brief van 7 december 1999 producties in het geding gebracht.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	De advocaten hebben de zaak bepleit. Daarbij is namens JJG één productie in het geding gebracht.</para>
      <para>Tenslotte zijn de processtukken voor het wijzen van vonnis overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De feiten</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 7 maart 1996 is P  (nader te noemen: P) onder toezicht van JJG gesteld.</para>
      <para>Laatstelijk is bij beschikking van 17 februari 1999 de ondertoezichtstelling over P met één jaar, ingaande 7 maart 1999, verlengd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.	Sinds 1997 is P steeds uit huis geplaatst geweest.</para>
    <para />
    <para>3.	J biedt een voorziening voor pleegzorg, zijnde een pleeggezin als bedoeld in artikel 1 lid 2a van de Wet op de Jeugdhulpverlening.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Op 16 januari 1998 is P in het pleeggezin van J opgenomen. Met ingang van 11 april 1998 is P door JJG geplaatst in crisisopvang “’t P” te Z.  </para>
      <para>Nadien is P in ‘E’ te E, zijnde een instelling voor kinder- en jeugdpsychiatrie, geplaatst. </para>
      <para>Thans is zij geplaatst in een orthopedagogische voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	J heeft aan JJG op grond van artikel 1: 377f BW juncto artikel 8 EVRM verzocht omgang te hebben met P en wel éénmaal per 14 dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur.</para>
      <para>J stelt daarbij dat zij in haar hoedanigheid van pleegouder een relatie met P heeft opgebouwd, waarbij er sprake is van family-life.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6.	Bij brief van 3 september 1999 heeft JJG het verzoek van J afgewezen.</para>
    <para />
    <para>7.	J verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, JJG te veroordelen vorenomschreven omgang van haar met P toe te staan, zulks op verbeurte van een dwangsom van ¦. 1.000,= voor iedere dag dat JJG in gebreke blijft. Tevens verzoekt J om JJG in de kosten van het geding te veroordelen.</para>
    <para />
    <para>De beoordeling van de vordering</para>
    <para />
    <para>1.	De ontvankelijkheid</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>P is onder toezicht gesteld, waarbij JJG als gezinsvoogdij-instelling is benoemd. JJG is derhalve belanghebbende in de zin van artikel 1: 798 BW. In het kader van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing heeft JJG verregaande bevoegdheden tot het al of niet toestaan of beperken van omgang met P. </para>
      <para>Weliswaar is de moeder van P met het gezag over haar belast, doch, gezien het vorenstaande, houdt zulks niet in dat J, door enkel JJG te dagen, in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.	De spoedeisendheid</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>J heeft niet aannemelijk gemaakt waarom er thans, ruim anderhalf jaar nadat P haar gezin heeft verlaten, sprake zou zijn van een zodanig spoedeisend belang bij een omgangsregeling tussen P en haar, dat zij zich hiertoe niet in een bodemprocedure tot de rechtbank had kunnen wenden. Een dergelijke procedure kent korte termijnen. </para>
      <para>Van een zodanige spoedeisendheid dat de President in kort geding een voorlopige voorziening zou moeten treffen, is geen sprake. Reeds daarom dient J haar vordering ontzegd te worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>3.	De vordering, ten overvloede.</para>
    <para />
    <para>Het feit dat J gedurende drie maanden voor P heeft gezorgd, maakt niet dat zij in een zo nauwe persoonlijke betrekking staat of heeft gestaan dat zij gezinsleven met P in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft of heeft gehad. Ook aan het vereiste van artikel 1: 377f BW omtrent de nauwe persoonlijke betrekking voldoet J geenszins. Zij heeft, nadat P haar gezin verlaten heeft, geen enkel contact meer met haar gehad. Niet gebleken is dat P contact wil hebben met J. Dit is niet anders indien J in de (achteraf verkeerd gebleken) veronderstelling verkeerde dat de verzorging en opvoeding van P haar gedurende langere tijd ten deel zou vallen. Voor een rol van J in de toekomst bij de verzorging en opvoeding van P is geen enkel perspectief. </para>
    <para />
    <para>Om deze redenen zou J in een vordering tot het bepalen van een omgangsregeling, niet ontvangen kunnen worden.</para>
    <para />
    <para>4.	Ten overvloede zij eveneens nog vermeld, dat het voorafgaande niets afdoet aan de waardering die J verdient voor haar inzet voor P en aan de mogelijkheid dat P in de periode waarin zij bij J verbleef is “opgebloeid”. Deze waardering laat zich echter niet afdwingen in procedures en door publiciteit, welke schadelijk kunnen zijn voor de rust, die P zozeer nodig heeft.</para>
    <para />
    <para>5.	Het verzoek van J wordt afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt J in de aan de zijde van JJG gevallen proceskosten veroordeeld. </para>
    <para />
    <para>De beslissing</para>
    <para />
    <para>1.	Wijst het verzoek van J af.</para>
    <para />
    <para>2.	Veroordeelt J in de aan de zijde van JJG gevallen proceskosten, tot op heden begroot op ¦.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Dit vonnis is gewezen door de fungerend-president mr. C. Lely-van Goch en in tegenwoordigheid van F. Wolters in het openbaar uitgesproken op maandag 20 december 1999.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>