<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBARN:1999:AA3699</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-10T11:04:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3699</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Arnhem" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Arnhem</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-10-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">98/1411</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBARN:1999:AA3699">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBARN:1999:AA3699</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-04-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBARN:1999:AA3699 Rechtbank Arnhem , 28-10-1999 / 98/1411</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBARN:1999:AA3699:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBARN:1999:AA3699:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>465 /                                                                                                                                Kamer II</para>
      <para>nadeelcompensatieregeling schadeclaim</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Arnhem</para>
      <para>Enkelvoudige Kamer Bestuursrecht</para>
      <para>Reg.nr.: 98/1411</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>UITSPRAAK</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A te B, eiser,</para>
      <para>en</para>
      <para>de Dijkstoel van het Polderdistrict Tieler- en Culemborgerwaarden </para>
      <para>te Geldermalsen, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>1. Aanduiding bestreden besluit</para>
    <para />
    <para>Besluit van verweerder van 18 juni 1998.</para>
    <para />
    <para>2. Feiten en procesverloop</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 14 april 1998 is namens eiser, vennoot van Autobedrijf A v.o.f. te B, aan verweerder verzocht om een vergoeding van f 30.000,- toe te kennen voor de omzetschade die </para>
      <para>eiser stelt te hebben geleden door de dijkverbeterings-</para>
      <para>werkzaamheden die in de periode april 1996 tot en met september </para>
      <para>1996 hebben plaatsgevonden in het dijkvak Vuren-Gorinchem.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 22 april 1998 heeft verweerder bepaald dat eisers </para>
      <para>aanvraag niet in behandeling zal worden genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiser is op 19 mei 1998 tegen dat besluit bezwaar </para>
      <para>gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 12 juni 1998 is eisers bezwaarschrift voorgelegd aan </para>
      <para>de secretaris van de schadebeoordelingscommissie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het hierboven aangeduide besluit van 18 juni 1998 heeft </para>
      <para>verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiser heeft mr. H. Steehouwer, advocaat te Gorinchem, op </para>
      <para>29 juli 1998 tegen dit besluit beroep ingestel-d.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 11 september 1998 een verweer-schrift </para>
      <para>ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 10 </para>
      <para>augustus 1999, waar eiser is verschenen, bijgestaan door mr. H. </para>
      <para>Steehouwer, en waar verweerder zich heeft doen vertegen-</para>
      <para>woordigen door mr. F.J.P. Delissen, advocaat te Nijmegen, </para>
      <para>alsmede T.P.J. Mulder en G.H. Wiltink, medewerkers van </para>
      <para>verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Overwegingen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit, </para>
      <para>waarbij verweerder de bezwaren tegen het besluit van 22 april </para>
      <para>1998 ongegrond heeft verklaard, de rechterlijke toetsing kan </para>
      <para>doorstaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn besluit van 22 april 1998 heeft verweerder, voor zover van </para>
      <para>belang, eisers aanvraag - naar de rechtbank ter zitting is gebleken - </para>
      <para>afgewezen omdat de termijn voor het indienen van een verzoek om </para>
      <para>schadevergoeding ingevolge artikel 4 van de </para>
      <para>Nadeelcompensatieregeling Polderdistrict Tieler- en </para>
      <para>Culemborgerwaarden (hierna: Nadeelcompensatieregeling) is </para>
      <para>verstreken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan het bestreden besluit ligt eveneens ten grondslag dat eisers </para>
      <para>verzoek om schadevergoeding niet tijdig is ingediend. Gelet hierop </para>
      <para>heeft verweerder wederom geen noodzaak gezien om eisers </para>
      <para>aanvraag aan de schadebeoordelingscommissie voor te leggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser kan zich met dit besluit niet verenigen en stelt zich op het </para>
      <para>standpunt dat zijn aanvraag om schadevergoeding tijdig is </para>
      <para>ingediend zodat verweerder in strijd met de Nadeelcompensatie-</para>
      <para>regeling heeft gehandeld door eisers verzoek om schade-</para>
      <para>vergoeding niet voor te leggen aan de adviescommissie.</para>
      <para>Eiser stelt voorts dat verweerder zowel in het primaire besluit als in </para>
      <para>de beslissing op bezwaar ten onrechte geen melding heeft gemaakt </para>
      <para>van de mogelijkheid bezwaar dan wel beroep aan te tekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De rechtbank overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 1 van de Deltawet grote rivieren (hierna: Dgr) is, voor </para>
      <para>zover hier van belang, bepaald dat deze wet van toepassing is op </para>
      <para>de uitvoering van werken voor:</para>
      <para>a. de versterking van de dijkvakken, opgenomen in de bij deze wet </para>
      <para>behorende lijst; en</para>
      <para>b. de aanleg of de versterking van de kaden, aangegeven op de bij </para>
      <para>deze wet behorende lijst met bijbehorende kaarten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 7 van de Dgr is vervolgens bepaald dat, voor zover blijkt </para>
      <para>dat een belanghebbende ten gevolge van de uitvoering van een </para>
      <para>werk als bedoeld in artikel 1 schade lijdt of zal lijden welke </para>
      <para>redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en </para>
      <para>waarvan de vergoeding niet of niet voldoende op andere wijze is </para>
      <para>verzekerd, het bestuursorgaan dat tot de uitvoering van het werk </para>
      <para>overgaat, aan die belang-hebbende een naar billijkheid te bepalen </para>
      <para>schadevergoeding toekent.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Waterschapswet is, ten </para>
      <para>aanzien van onderwerpen waarin door een wet, een algemene </para>
      <para>maatregel van bestuur of een provinciale verordening is voorzien, </para>
      <para>het waterschapsbestuur bevoegd tot het maken van verordeningen </para>
      <para>voorzover deze verordeningen met die hogere regelingen niet in </para>
      <para>strijd zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In 1996 is de Nadeelcompensatieregeling van verweerder van </para>
      <para>kracht geworden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van deze </para>
      <para>Nadeelcompensatieregeling kan een belanghebbende die schade </para>
      <para>lijdt of zal lijden als gevolg van het aanleggen, wijzigen of </para>
      <para>onderhouden van waterstaatswerken bij verweerder een aanvraag </para>
      <para>tot verlening van een schadevergoeding indienen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de </para>
      <para>Nadeelcompensatieregeling kan een aanvraag als bedoeld in </para>
      <para>artikel 2 worden ingediend gedurende een termijn van uiterlijk zes </para>
      <para>weken, te rekenen vanaf het moment dat de werkzaamheden als </para>
      <para>bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, zijn uitgevoerd.</para>
      <para>In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat, indien de schade </para>
      <para>zich niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn manifesteert, </para>
      <para>de aanvraag kan worden ingediend gedurende een termijn van </para>
      <para>uiterlijk zes weken nadat de aanvrager het ontstaan van de schade </para>
      <para>redelijkerwijs heeft kunnen constateren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eerst ter zitting heeft eiser -naar de rechtbank begrijpt- aangevoerd </para>
      <para>dat artikel 4 van de Nadeelcompensatieregeling wegens strijd met </para>
      <para>artikel 7 van de Dgr onverbindend dient te worden verklaard omdat </para>
      <para>in artikel 4 van de Nadeelcompensatie-regeling -anders dan in </para>
      <para>artikel 7 van de Dgr- een termijn wordt gesteld voor het indienen </para>
      <para>van een verzoek om schade-vergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank treft deze stelling doel.</para>
      <para>Zij overweegt daartoe als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vooropgesteld dient te worden dat de door eiser gestelde schade in </para>
      <para>beginsel een gevolg is van door verweerder verrichte dan wel aan </para>
      <para>hem toe te rekenen werkzaamheden in het kader van de uitvoering </para>
      <para>van een werk als bedoeld in artikel 1 van de Dgr. Het betreft hier </para>
      <para>derhalve schade in de zin van artikel 7 van de Dgr.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vaststaat dat verweerder een Nadeelcompensatieregeling heeft </para>
      <para>vastgesteld, in welke regeling procedurebepalingen zijn </para>
      <para>opgenomen met betrekking tot verzoeken om schadevergoeding. </para>
      <para>Verweerder heeft eisers verzoek aan de Nadeelcompensatie-</para>
      <para>regeling getoetst en vervolgens met toepassing van artikel 4 </para>
      <para>afgewezen wegens overschrijding van de indieningstermijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat noch in de Deltawet grote rivieren </para>
      <para>noch in enige andere wet het indienen van een verzoek om </para>
      <para>schadevergoeding als bedoeld in artikel 7 van de Dgr aan een </para>
      <para>termijn is gebonden. Voor zover het Gecombineerd College van het </para>
      <para>Polderdistrict Tieler- en Culemborgerwaarden al bevoegd was om </para>
      <para>ten aanzien van schade als bedoeld in artikel 7 van de Dgr nadere </para>
      <para>regels te stellen, mogen deze regels in ieder geval niet in strijd zijn </para>
      <para>met artikel 7 van de Dgr. Nu de Dgr geen termijnen kent voor het </para>
      <para>indienen van de aanvraag is artikel 4 van de </para>
      <para>Nadeelcompensatieregeling in strijd met artikel 7 van de Dgr. </para>
      <para>Verweerder had artikel 4 van de Nadeelcompensatieregeling dan </para>
      <para>ook buiten toepassing moeten laten, zodat het bestreden besluit </para>
      <para>wegens strijd met de wet moet worden vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu het beroep reeds om die reden gegrond is, behoeven de </para>
      <para>overige gronden van beroep verder geen bespreking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan </para>
      <para>artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door </para>
      <para>eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op ? 1.420,-. Van </para>
      <para>andere kosten is de rechtbank in dit verband niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 </para>
      <para>van de Awb, tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>4. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met </para>
      <para>inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;</para>
      <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage </para>
      <para>van f  1.420,-;</para>
      <para>wijst het Polderdistrict Tieler- en Culemborgerwaarden aan als de </para>
      <para>rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;</para>
      <para>bepaalt voorts dat het Polderdistrict Tieler- en</para>
      <para>Culemborgerwaarden aan eiser het door hem betaalde griffierecht </para>
      <para>ad f 420,- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, en in het </para>
      <para>openbaar uitgesproken op 28 oktober 1999, in tegenwoor-dig-heid </para>
      <para>van mr. D.S.M. Bak als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De griffier,                     De rechter, </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 </para>
      <para>juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van </para>
      <para>verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij </para>
      <para>de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus </para>
      <para>20019, 2500 EA 's Gravenhage.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzonden op: 28 oktober 1999</para>
      <para>Coll:</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>