<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBARN:1999:AA3689</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3689</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Arnhem" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Arnhem</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-10-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">WW 98/1386</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=24&amp;g=1999-10-07">Werkloosheidswet 24</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=24&amp;g=1999-10-07">Werkloosheidswet 24</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBARN:1999:AA3689">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBARN:1999:AA3689</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-01-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBARN:1999:AA3689 Rechtbank Arnhem , 07-10-1999 / WW 98/1386</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBARN:1999:AA3689:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBARN:1999:AA3689:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>453 / Arrondissementsrechtbank te Arnhem</para>
      <para>Enkelvoudige Kamer Bestuursrecht</para>
      <para>Reg.nr.: WW 98/1386</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>UITSPRAAK</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A, wonende te B, eiseres,</para>
      <para>en</para>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv),</para>
      <para>vertegenwoordigd door Gak Nederland BV te Nijmegen,</para>
      <para>verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>1. Aanduiding bestreden besluit</para>
    <para />
    <para>Besluit van verweerder van 24 juni 1998.</para>
    <para />
    <para>2. Feiten en procesverloop</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 24 februari 1998 heeft verweerder eiseres met</para>
      <para>ingang van 15 december 1997 een uitkering ingevolge de</para>
      <para>Werkloosheidswet (WW) blijvend geheel geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiseres is op 6 april 1998, aangevuld bij schrijven van 12</para>
      <para>mei 1998, tegen dat besluit bezwaar gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 5 juni 1998 heeft in het kader van de behandeling van dit</para>
      <para>bezwaar een hoorzitting in de zin van artikel 7:5 van de Algemene</para>
      <para>wet bestuursrecht (Awb) plaatsgevonden. Eiseres is aldaar</para>
      <para>verschenen, bijgestaan door mw. mr. M.P.A. Oogjen, werkzaam bij</para>
      <para>DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het hierboven aangeduide besluit van 24 juni 1998 heeft</para>
      <para>verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is tevens</para>
      <para>aangegeven dat de eerste werkloosheidsdag op 31 december 1997</para>
      <para>(lees kennelijk: 1 januari 1998) moet worden gesitueerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiseres is op 27 juli 1998 tegen dit besluit beroep ingestel</para>
      <para>d, waarna verweerder op 8 september 1998 een verweerschrift</para>
      <para>heeft ingediend. Bij schrijven van 28 oktober 1998 is namens</para>
      <para>eiseres hierop nog een reactie gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van</para>
      <para>24 september 1999, waar, zoals tevoren aangekondigd, geen der</para>
      <para>partijen is verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Overwegingen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres was vanaf 15 januari 1996, aanvankelijk via een</para>
      <para>uitzendbureau en sedert 15 oktober 1996 krachtens een</para>
      <para>arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 1 januari 1998,</para>
      <para>werkzaam als directiesecretaresse bij van X te</para>
      <para>Y. Deze tijdelijke arbeidsovereenkomst is niet verlengd</para>
      <para>omdat eiseres niet wilde voldoen aan de eis van de werkgever om</para>
      <para>een concurrentiebeding te tekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Krachtens dit beding zou het eiseres niet zijn toegestaan binnen</para>
      <para>een jaar na het einde van de dienstbetrekking zonder schriftelijke</para>
      <para>toestemming van de werkgever binnen een straal van 100 km rond</para>
      <para>Apeldoorn werkzaamheden uit te oefenen met betrekking tot</para>
      <para>hypotheken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het door eiseres op 25 januari 1998 ingediende verzoek om een</para>
      <para>uitkering ingevolge de WW is door verweerder bij het primaire</para>
      <para>besluit van 24 februari 1998 afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit,</para>
      <para>waarbij verweerder de bezwaren tegen het besluit van 24 februari</para>
      <para>1998 ongegrond heeft verklaard, de rechterlijke toetsing kan</para>
      <para>doorstaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bestreden besluit berust op verweerders standpunt –</para>
      <para>samengevat - dat eiseres verwijtbaar werkloos is geworden omdat</para>
      <para>aan het tekenen van het concurrentiebeding niet zodanige</para>
      <para>bezwaren waren verbonden dat hierdoor voortzetting van het</para>
      <para>dienstverband redelijkerwijs niet van eiseres gevergd zou kunnen</para>
      <para>worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres kan zich met dit besluit niet verenigen en stelt zich op het</para>
      <para>standpunt dat het niet accepteren van het concurrentiebeding en</para>
      <para>het daaruit voortvloeiende niet verlengen van de tijdelijke</para>
      <para>arbeidsovereenkomst haar niet kan worden verweten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank beoordeelt het in dit geding aan de orde zijn geschil</para>
      <para>aan de hand van de WW en de daarop rustende bepalingen, zoals</para>
      <para>geldend ten tijde hier van belang, en overweegt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 24, eerste lid, sub a, van de WW</para>
      <para>voorkomt de werknemer dat hij verwijtbaar werkloos wordt.</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde in het tweede lid, sub b, van dit artikel is de</para>
      <para>werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de</para>
      <para>dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de</para>
      <para>voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze</para>
      <para>voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden</para>
      <para>gevergd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De eerste vraag die thans beantwoording behoeft is of eiseres,</para>
      <para>door te weigeren voornoemd concurrentiebeding te tekenen met als</para>
      <para>gevolg het door de werkgever niet verlengen voor onbepaalde tijd</para>
      <para>van haar arbeidsovereenkomst, het bepaalde in voormeld artikel op</para>
      <para>zich van toepassing heeft doen worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Eiseres had</para>
      <para>een dienstbetrekking voor bepaalde tijd die op 1 januari 1998 in</para>
      <para>beginsel van rechtswege afliep. Zij had voor onbepaalde tijd in</para>
      <para>dienst kunnen treden als zij met het door haar werkgever</para>
      <para>voorgelegde concurrentiebeding had ingestemd. Naar het oordeel</para>
      <para>van de rechtbank was dit beding, mede gelet op de functie en het</para>
      <para>arbeidsverleden van eiseres, niet dermate bezwarend dat gezegd</para>
      <para>zou moeten worden dat voortzetting van de dienstbetrekking uit</para>
      <para>een oogpunt van toepassing van de WW niet in redelijkheid van</para>
      <para>eiseres had kunnen worden gevergd. Door aldus te kiezen voor</para>
      <para>een beëindiging van de dienstbetrekking in plaats van voortzetting</para>
      <para>hiervan heeft eiseres de financiële gevolgen van de per 1 januari</para>
      <para>1998 ingetreden werkloosheid geheel op verweerder afgewenteld.</para>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank had van eiseres mogen worden</para>
      <para>verwacht dat zij bij haar werkgever in dienst zou zijn gebleven</para>
      <para>totdat zij aansluitend een andere betrekking had gevonden. Dat het</para>
      <para>concurrentiebeding daarvoor een wezenlijke hinderpaal zou</para>
      <para>hebben gevormd acht de rechtbank niet genoegzaam aannemelijk</para>
      <para>geworden. Hierbij verdient nog opmerking dat eiseres reeds in</para>
      <para>februari 1998 werkzaamheden buiten de hypotheeksector heeft</para>
      <para>aanvaard; werkzaamheden derhalve welke door het gewraakte</para>
      <para>concurrentiebeding niet werden bestreken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenoverwogene volgt dat eiseres de verplichting om te</para>
      <para>voorkomen dat zij verwijtbaar werkloos wordt niet is nagekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 27, eerste lid, van de WW is bepaald dat, indien de</para>
      <para>werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste</para>
      <para>lid, onderdeel a, opgelegd, niet is nagekomen, het Lisv de uitkering</para>
      <para>blijvend geheel weigert, tenzij het niet nakomen van de verplichting</para>
      <para>de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In</para>
      <para>dat geval weigert het Lisv de uitkering over een periode van 26</para>
      <para>weken gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen van</para>
      <para>70 naar 35.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit dit artikel volgt dat verweerder in beginsel gehouden was de</para>
      <para>uitkering ingevolge de WW blijvend geheel te weigeren, tenzij het</para>
      <para>niet nakomen van genoemde verplichting eiseres niet in</para>
      <para>overwegende mate zou kunnen worden verweten. Verweerder</para>
      <para>heeft in dit verband aangevoerd dat van een niet overwegende</para>
      <para>mate van verwijtbaarheid aan de zijde van eiseres niet is gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit hetgeen hiervoor is</para>
      <para>overwogen omtrent het verwijtbare karakter van de op 1 januari</para>
      <para>1998 ingetreden werkloosheid reeds dat eiseres daartoe in</para>
      <para>overwegende mate zelf heeft bijgedragen. Indien immers wordt</para>
      <para>geoordeeld dat van eiseres in de gegeven omstandigheden</para>
      <para>redelijkerwijs had kunnen worden gevergd dat zij de</para>
      <para>dienstbetrekking had voortgezet, impliceert zulks dat het niet</para>
      <para>nakomen van die verplichting in overwegende mate aan haar dient</para>
      <para>te worden toegerekend. Met het oog hierop zal er nog nauwelijks</para>
      <para>ruimte bestaan voor het aannemen van niet-overwegende</para>
      <para>verwijtbaarheid in de zin van artikel 27, eerste lid WW. Van de zijde</para>
      <para>van eiseres zijn - behoudens de bezwaren tegen het</para>
      <para>concurrentiebeding als zodanig - geen bijzondere omstandigheden</para>
      <para>aangevoerd die haar handelwijze uit een oogpunt van toepassing</para>
      <para>van de WW verminderd verwijtbaar zouden doen zijn. Verweerder</para>
      <para>heeft derhalve kunnen volstaan met de overweging dat niet is</para>
      <para>gebleken dat het niet nakomen door eiseres van de op haar</para>
      <para>rustende verplichting haar niet in overwegende mate zou kunnen</para>
      <para>worden verweten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het bestreden besluit niet voor</para>
      <para>vernietiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan</para>
      <para>artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt derhalve als volgt.</para>
    <para />
    <para>4. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank,</para>
    <para />
    <para>verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries als rechter en in het</para>
      <para>openbaar uitgesproken op                 , in tegenwoordigheid van</para>
      <para>W.J. Bosveld als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>De griffier,                     De rechter,</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24</para>
      <para>juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van</para>
      <para>verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij</para>
      <para>de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Verzonden op:</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>