<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBARN:1999:AA3688</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-04-13T10:20:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3688</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Arnhem" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Arnhem</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-10-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">Algem 97/1503</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002126&amp;g=1999-10-08">Coördinatiewet Sociale Verzekering</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=3&amp;g=1999-10-08">Werkloosheidswet 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=3&amp;g=1999-10-08">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002460&amp;artikel=3&amp;g=1999-10-08">Ziekenfondswet 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001888&amp;artikel=3&amp;g=1999-10-08">Ziektewet 3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBARN:1999:AA3688">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBARN:1999:AA3688</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-08-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBARN:1999:AA3688 Rechtbank Arnhem , 08-10-1999 / Algem 97/1503</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBARN:1999:AA3688:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBARN:1999:AA3688:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>452 / Arrondissementsrechtbank te Arnhem</para>
      <para>Enkelvoudige Kamer Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Reg.nr.: Algem 97/1503</para>
    <para />
    <para />
    <para>UITSPRAAK</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>VOF A, h.o.d.n. C en D te B, eiseres,</para>
      <para>en</para>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen te Amsterdam, verweerder.</para>
      <para>Uitvoeringsorganisatie: Gak Nederland bv te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>1. Aanduiding bestreden besluit</para>
    <para />
    <para>Besluit van verweerder van 27 maart 1997.</para>
    <para />
    <para>2. Feiten en procesverloop</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 25 maart 1996 heeft verweerder besloten dat eiseres met ingang</para>
      <para>van 1 november 1994 premie verschuldigd is ingevolge de sociale</para>
      <para>verzekeringswetten ter zake van betalingen door de vennootschap aan het</para>
      <para>personeel dat zich onder meer bezig houdt met de verkoop van soft-drugs in een</para>
      <para>tweetal door eiseres geëxploiteerde coffeeshops.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit is namens eiseres bij brief van 2 mei 1996 een bezwaarschrift bij</para>
      <para>verweerder ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het hierboven aangeduide besluit van 27 maart 1997 heeft verweerder het</para>
      <para>bezwaarschrift ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit is namens eiseres bij brief van 6 mei 1997 beroep ingesteld bij</para>
      <para>deze rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Verweerder heeft bij brief van 15 juli 1997 een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar de overige in geding gebrachte - aan partijen bekende - stukken wordt hier</para>
      <para>kortheidshalve verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep tegen het bestreden besluit is behandeld ter zitting van 24 september</para>
      <para>1999, waar eiseres is verschenen bij mr.drs. G.A.C. Beckers, advocaat te</para>
      <para>Maastricht, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr E. de</para>
      <para>Vries, werkzaam bij Gak Nederland bv te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Overwegingen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Punt van geschil in dit geding vormt de vraag of verweerder bij het - bij het</para>
      <para>bestreden besluit gehandhaafde - primaire besluit van 25 maart 1996 ten aanzien</para>
      <para>van het bij eiseres in dienst zijnde personeel dat zich bezig houdt met de verkoop</para>
      <para>van soft-drugs terecht verzekeringsplicht in de zin van de Ziektewet (ZW), de</para>
      <para>Werkloosheidswet (WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering</para>
      <para>(WAO) en de Ziekenfondswet (ZFW) heeft vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres stelt zich - samengevat - op het standpunt dat de arbeidsverhoudingen</para>
      <para>tussen haar en haar personeel ingevolge artikel 3:40, eerste lid, van het Burgerlijk</para>
      <para>Wetboek (BW) nietig zijn wegens strijd met de openbare orde en de goede zeden.</para>
      <para>Om deze reden kan naar het oordeel van eiseres geen sprake zijn van een</para>
      <para>dienstbetrekking in de zin van genoemde wetten en mitsdien evenmin van</para>
      <para>premieplicht op grond van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CwSV).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder is - met verwijzing naar mededeling M 95.73 van 1 augustus 1995</para>
      <para>van het (voormalige) Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming (Tica) - van</para>
      <para>oordeel dat de verkoop van soft-drugs in coffeeshops weliswaar in strijd is met de</para>
      <para>(Opium)wet, maar niet met de openbare orde, nu ingevolge een landelijke richtlijn</para>
      <para>van het Openbaar Ministerie (Stct. 1994, 203) sedert 1 november 1994 niet meer</para>
      <para>strafrechtelijk wordt opgetreden tegen coffeeshops die voldoen aan de in</para>
      <para>genoemde richtlijn opgenomen criteria. Voorts heeft verweerder ter ondersteuning</para>
      <para>van haar standpunt verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 7</para>
      <para>september 1990 (NJ 1991/266).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De rechtbank overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van de bepalingen bij en krachtens de CwSV wordt van een werkgever</para>
      <para>premie geheven ter zake van het loon van een bij hem in dienst zijnde werknemer</para>
      <para>in de zin van de ZW, de WW, de WAO en de ZFW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge de artikelen 3 van genoemde sociale verzekeringswetten wordt als</para>
      <para>werknemer beschouwd de natuurlijke persoon jonger dan 65 jaar die in</para>
      <para>privaatrechtelijke dienstbetrekking staat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is van een</para>
      <para>dienstbetrekking sprake indien voldaan is aan een drietal criteria, te weten: het</para>
      <para>persoonlijk verrichten van arbeid, de betaling van loon voor die arbeid en de</para>
      <para>aanwezigheid van een gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van het personeel van eiseres</para>
      <para>aan genoemde criteria is voldaan, zodat in beginsel sprake is van</para>
      <para>verzekeringsplicht met daaruit voortvloeiende premieplicht voor eiseres.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Niettemin is eiseres van oordeel dat geen verzekerings- en premieplicht bestaan,</para>
      <para>omdat de onderliggende arbeidsverhouding tussen haar en het personeel moet</para>
      <para>worden aangemerkt als een rechtshandeling die door inhoud en strekking in strijd</para>
      <para>is met de goede zeden of de openbare orde en deswege nietig is ingevolge artikel</para>
      <para>3:40, eerste lid BW. Eiser meent voor deze opvatting steun te vinden in de</para>
      <para>strafbaarstelling van de handel in (soft)drugs in de Opiumwet, terwijl genoemde</para>
      <para>richtlijnen van het OM deze strafbaarheid niet opheffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank kan eiseres in haar standpunt niet volgen. Uit een tweetal arresten</para>
      <para>van de Hoge Raad, zoals gepubliceerd in NJ 1991, nrs. 265 en 266, moet worden</para>
      <para>afgeleid dat een strafrechtelijk verbod op grond van bepaalde maatschappelijke</para>
      <para>ontwikkelingen niet langer noopt tot handhaving van dat verbod middels de</para>
      <para>nietigheid van een civiele overeenkomst. Op grond van deze arresten moet</para>
      <para>worden geoordeeld dat onder omstandigheden door een (civiele) contractpartij in</para>
      <para>beginsel nakoming kan worden gevorderd van een overeenkomst die in strikte zin</para>
      <para>in strijd is met de wet, de goede zeden of openbare orde. In lijn hiermee valt niet</para>
      <para>in te zien waarom in voorkomende gevallen het publiekrecht niet zou kunnen</para>
      <para>reageren op aldus ten uitvoer gebrachte en in civielrechtelijk opzicht existente</para>
      <para>rechtshandelingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Toegespitst op de onderhavige casus kan eiseres worden toegegeven dat de</para>
      <para>handel in soft-drugs nog immer strafrechtelijk is verboden en dat een</para>
      <para>overeenkomst die een dergelijke handel tot voorwerp heeft deswege in strijd met</para>
      <para>de openbare orde zou kunnen worden aangemerkt. Evenwel moet tevens worden</para>
      <para>geconstateerd dat de overheid op grond van zekere maatschappelijke</para>
      <para>ontwikkelingen heeft besloten bepaalde kleinschalige handel in soft-drugs te</para>
      <para>decriminaliseren middels een aan strikte criteria gekoppeld gedoogbeleid. Indien</para>
      <para>de overheid aldus een bepaalde overtreding gedoogt kan van de burger</para>
      <para>bezwaarlijk worden gevergd dat hij deze gedraging als ongeoorloofd blijft</para>
      <para>beschouwen en deze niet tot voorwerp van een civiele overeenkomst kan maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres exploiteert twee coffeeshops en heeft met een aantal mensen</para>
      <para>(arbeids)overeenkomsten gesloten strekkende tot het (onder meer) verkopen en</para>
      <para>leveren van soft-drugs. Aan deze overeenkomsten is en wordt feitelijk uitvoering</para>
      <para>gegeven en zijn naar het oordeel van de rechtbank de facto civielrechtelijk</para>
      <para>existent. Eiseres neemt deel aan het economisch verkeer middels het duurzaam</para>
      <para>drijven van een onderneming, waarin arbeid en kapitaal worden aangewend tot</para>
      <para>het behalen van winst. Niet is gebleken dat de coffeeshops niet worden gedoogd</para>
      <para>of dat anderszins sprake is van door de betreffende werknemers verrichte</para>
      <para>activiteiten die de door de overheid gehanteerde grenzen van het gedoogbeleid</para>
      <para>zodanig overschrijden dat van nietige rechtshandelingen zou moeten worden</para>
      <para>gesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder de hierboven geschetste omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat</para>
      <para>verweerder op goede gronden heeft besloten tot verzekeringsplicht van het bij</para>
      <para>eiseres werkzame personeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hieraan kan niet afdoen hetgeen namens eiseres voor het overige nog is</para>
      <para>aangevoerd. Niet is gebleken dat verweerder coffeeshops die in vergelijkbare</para>
      <para>omstandigheden als eiseres verkeren anders zou behandelen. Zoals ook ter</para>
      <para>zitting namens verweerder nog is toegelicht gaat het erom of een coffeeshop zich</para>
      <para>feitelijk als onderneming presenteert, in welk geval er geen reden is een dergelijke</para>
      <para>organisatie uit een oogpunt van premie- en verzekeringsplicht en ter bescherming</para>
      <para>van de aldaar</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>werkzame werknemers anders te behandelen dan "legale" ondernemingen. De</para>
      <para>omstandigheid dat door gemeenten geen eensluidend vestigingsbeleid ten</para>
      <para>aanzien van coffeeshops wordt gevoerd maakt dit niet anders. Beslissend is</para>
      <para>immers of een coffeeshop feitelijk als onderneming operationeel is en niet of zulks</para>
      <para>in het licht van een gemeentelijke verordening of daarop steunend beleid actief of</para>
      <para>passief wordt gedoogd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden op</para>
      <para>grond waarvan moet worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid tot het</para>
      <para>bestreden besluit heeft kunnen komen, dan wel daarbij anderszins in strijd heeft</para>
      <para>gehandeld met het geschreven of ongeschreven recht, dient het beroep van</para>
      <para>eiseres ongegrond te worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Geen termen bestaan toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (Awb).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt derhalve als volgt.</para>
    <para />
    <para>4. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank,</para>
    <para />
    <para>verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr. F.H. de Vries als rechter en in het openbaar uitgesproken</para>
      <para>op                , in tegenwoordigheid van W.J. Bosveld als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De griffier,    De rechter,</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto artikel</para>
      <para>6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan voor</para>
      <para>belanghebbenden hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus</para>
      <para>16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzonden op:</para>
      <para>$$N UITSPRAAK</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>