<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBARN:1999:AA3686</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T17:10:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AA3686</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Arnhem" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Arnhem</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1999-09-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">1998/1341</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0008015&amp;g=1999-09-28">Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1999/163</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBARN:1999:AA3686">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBARN:1999:AA3686</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-04T15:53:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-01-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBARN:1999:AA3686 Rechtbank Arnhem , 28-09-1999 / 1998/1341</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBARN:1999:AA3686:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBARN:1999:AA3686:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>450 / Arrondissementsrechtbank te Arnhem</para>
      <para>Enkelvoudige Kamer Bestuursrecht</para>
      <para>Reg.nr.: 1998/1341</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>UITSPRAAK</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de heer A, wonende te B, eiser,</para>
      <para>en</para>
      <para>de Minister van Justitie, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>1. Aanduiding bestreden besluit</para>
    <para />
    <para>Besluit van verweerder van 10 juni 1998.</para>
    <para />
    <para>2. Feiten en procesverloop</para>
    <para />
    <para>Bij ongedateerd schrijven heeft verweerder in juli 1996 aan eiser laten weten dat bij een interne controle in de maand september1995 is geconstateerd dat eiser over de periode 1 april 1994 tot 1 november 1995 een te hoog bedrag aan reiskosten heeft gedeclareerd en dat door eiser een bedrag van fl. 3.534,95 diende te worden terugbetaald.</para>
    <para />
    <para>Eiser heeft hiertegen bij schrijven van 21 augustus 1996 bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft op 20 maart 1997 een gesprek tussen partijen plaatsgevonden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van genoemd gesprek heeft verweerder bij besluit </para>
      <para>van 23 mei 1997 vastgesteld dat aan eiser over het tijdvak van 1 </para>
      <para>april 1994 tot 1 november 1995 een bedrag van fl. 3.534,95 bruto </para>
      <para>teveel aan reiskostenvergoeding woon-/werkverkeer is uitbetaald </para>
      <para>en dat over de wijze van terugbetaling van dat bedrag contact met </para>
      <para>eiser zal worden opgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Door eiser is op 27 juni 1997 tegen dat besluit bezwaar gemaakt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 9 december 1997 heeft in het kader van de behandeling van dit </para>
      <para>bezwaar een hoorzitting plaatsgevon-den ten overstaan van de </para>
      <para>Adviescommissie ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser is daarbij in persoon verschenen en heeft de redenen van zijn </para>
      <para>bezwaar nader toegelicht. De Adviescommissie heeft op 23 april </para>
      <para>1998 advies aan verweerder uitgebracht.</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>Bij het hierboven aangeduide besluit van 10 juni 1998 heeft </para>
      <para>verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Voor de </para>
      <para>motivering van het besluit heeft verweerder verwezen naar het </para>
      <para>advies van voormelde commissie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft op 17 juli 1998 tegen dit besluit beroep ingesteld, </para>
      <para>waarna de gronden van het beroep zijn uiteengezet in aanvullende </para>
      <para>beroepschriften van 17 augustus 1998 en 22 augustus 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Verweerder heeft op 2 oktober 1998 een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 13 </para>
      <para>augustus 1999, waar eiser in persoon is verschenen en waar </para>
      <para>verweerder zich heeft doen vertegen-woor-digen door mr L.M. </para>
      <para>Burger, werkzaam bij de afdeling Personeel en Organisatie van het </para>
      <para>Korps Landelijke Politiediensten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Overwegingen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In 1991 heeft er een reorganisatie plaatsgevonden bij de Dienst </para>
      <para>Rijkspolitie te Water. Naar aanleiding daarvan hebben diverse </para>
      <para>standplaatswijzigingen plaatsgevonden. Eiser, die op dat moment </para>
      <para>werkzaam was als medewerker financiële en materiële </para>
      <para>zaken/plaatsvervangend hoofd afdelingsadministratie, is als gevolg </para>
      <para>van de reorganisatie per 1 februari 1991 overgeplaatst van </para>
      <para>V naar W. De Dienst Rijkspolitie te Water is </para>
      <para>vervolgens per 1 april 1994 opgegaan in het Korps Landelijke </para>
      <para>Politiediensten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de meerreiskosten van de overgeplaatste ambtenaren is een </para>
      <para>overgangsregeling getroffen, de zogenaamde "Afbouwregeling </para>
      <para>Reiskosten Rijkspolitie te Water 1991" (de Afbouwregeling). De </para>
      <para>Afbouwregeling voorziet in een tijdelijke, hoge reiskosten-</para>
      <para>vergoeding op basis van de kosten van openbaar vervoer. De duur </para>
      <para>van de Afbouwregeling bedraagt maximaal zes jaar:</para>
      <para>-jaar 1 t/m 3:</para>
      <para>100% vergoeding (1 april 1991 tot 1 april 1994)</para>
      <para>-jaar 4:</para>
      <para>75% vergoeding (1 april 1994 tot 1 april 1995)</para>
      <para>-jaar 5:</para>
      <para>50% vergoeding (1 april 1995 tot 1 april 1996)</para>
      <para>-jaar 6:</para>
      <para>25% vergoeding (1 april 1996 tot 1 april 1997)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft -ondanks de in de Afbouwregeling genoemde </para>
      <para>afbouwpercentages- ook in de periode van 1 april 1994 tot 1 </para>
      <para>november 1995 zijn meerreiskosten volledig vergoed gekregen. In </para>
      <para>het primaire besluit van 23 mei 1997 heeft verweerder de teveel </para>
      <para>betaalde reiskostenvergoeding als onverschuldigd betaald </para>
      <para>teruggevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit, </para>
      <para>waarbij verweerder de bezwaren tegen het besluit van 23 mei 1997 </para>
      <para>ongegrond heeft verklaard, de rechterlijke toetsing kan doorstaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat eiser over het tijdvak van 1 </para>
      <para>april 1994 tot 1 november 1995 een bedrag van fl. 3.534,95 bruto </para>
      <para>teveel aan reiskostenvergoeding ter zake van woon-/werkverkeer </para>
      <para>heeft ontvangen, zulks als gevolg van onjuiste toepassing door </para>
      <para>verweerder van de Afbouwregeling. Evenmin is in geschil dat eiser </para>
      <para>sedert de invoering van de Afbouwregeling in 1991 op de hoogte </para>
      <para>was van de inhoud daarvan en derhalve wist dat hij sedert 1 april </para>
      <para>1994 een te hoog bedrag aan reiskostenvergoeding ontving.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat het onverschuldigd </para>
      <para>betaalde bedrag aan reiskostenvergoeding in het onderhavige </para>
      <para>geval tot vijf jaar na de uitbetaling door verweerder mag worden </para>
      <para>teruggevorderd, omdat eiser wist dat hij teveel </para>
      <para>reiskostenvergoeding ontving en er bewust van heeft afgezien om </para>
      <para>deze fout aan verweerder te melden, als gevolg waarvan deze fout </para>
      <para>heeft kunnen voortduren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser kan zich met dit besluit niet verenigen en stelt zich op het </para>
      <para>standpunt dat hij niet verantwoordelijk mag worden geacht voor de </para>
      <para>onjuiste toepassing van de Afbouwregeling. Hij voert daartoe aan </para>
      <para>dat op de mutatieformulieren geen ruimte was voor het invullen van </para>
      <para>afbouwpercentages en dat het uitvoeren van de Afbouwregeling de </para>
      <para>verantwoordelijkheid was van de afdeling P&amp;O en/of de dienst </para>
      <para>PISA/SAFIR. Voorts is eiser van mening dat verweerder ten </para>
      <para>onrechte bijzondere betekenis heeft toegekend aan de door eiser </para>
      <para>uitgeoefende functie, omdat hij op het moment dat de </para>
      <para>afbouwpercentages feitelijk aan de orde kwamen, niet meer </para>
      <para>werkzaam was als medewerker financiële en materiële </para>
      <para>zaken/plaatsvervangend hoofd afdelingsadministratie, zodat hij niet </para>
      <para>langer verantwoordelijk was voor de declaratie van reiskosten. </para>
      <para>Toen hij nog wel in die functie werkzaam was, zo geeft eiser aan, </para>
      <para>heeft hij de afdeling P&amp;O gewezen op het ontbreken van de </para>
      <para>afbouwpercentages op de mutatieformulieren, doch daar heeft men </para>
      <para>niet op gereageerd. Tenslotte heeft eiser bezwaren van meer </para>
      <para>formele aard tegen de gang van zaken voorafgaande aan het </para>
      <para>primaire besluit van 23 mei 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De rechtbank overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, </para>
      <para>oorspronkelijk ontwikkeld voor het sociale zekerheidsrecht maar </para>
      <para>later ook -naar analogie- toegepast in de sfeer van het </para>
      <para>ambtenarenrecht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 april 1990, </para>
      <para>AB 1991/157), zijn toetsingscriteria neergelegd aan de hand </para>
      <para>waarvan kan worden vastgesteld in welke gevallen een </para>
      <para>bestuursorgaan teveel betaalde bedragen, zoals in het onderhavige </para>
      <para>geval een te hoge tegemoetkoming in de reiskosten, kan </para>
      <para>terugvorderen. Daarbij dient een afweging te worden gemaakt, </para>
      <para>aldus de Centrale Raad van Beroep, tussen enerzijds het beginsel </para>
      <para>der rechtszekerheid en anderzijds het beginsel dat hetgeen </para>
      <para>onverschuldigd betaald is kan worden teruggevorderd. Deze </para>
      <para>afweging dient te geschieden aan de hand van de vraag of de </para>
      <para>betrokken ambtenaar wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij </para>
      <para>teveel ontving casu quo dat er ten aanzien van hetgeen hij ontving </para>
      <para>iets niet klopte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens genoemde jurisprudentie kan een bestuursorgaan, indien </para>
      <para>de ambtenaar wist of redelijkerwijze had kunnen weten dat hij </para>
      <para>teveel ontving, in beginsel gedurende twee jaren na de dag van </para>
      <para>uitbetaling terugvorderen of verrekenen hetgeen aan een </para>
      <para>ambtenaar onverschuldigd is betaald. Deze termijn kan vervolgens </para>
      <para>worden verlengd tot vijf jaren indien de ambtenaar van de </para>
      <para>gemaakte fout niet alleen kennis droeg of kon dragen, maar die fout </para>
      <para>bovendien door zijn toedoen is ontstaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het onderhavige geval is de eerste duidelijke mededeling omtrent </para>
      <para>de terugvordering gedaan in juli 1996. Eiser heeft, onder meer ter </para>
      <para>terechtzitting, uitdrukkelijk erkend dat hij wist dat hij maandelijks </para>
      <para>een te hoog bedrag aan reiskostenvergoeding ontving. Naar het </para>
      <para>oordeel van de rechtbank mocht verweerder derhalve in </para>
      <para>redelijkheid besluiten tot terugvordering van hetgeen hij in de twee </para>
      <para>jaren voorafgaande aan bedoelde mededeling onverschuldigd had </para>
      <para>uitbetaald. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een gedeelte van de teveel betaalde reiskostenvergoeding –</para>
      <para>namelijk het gedeelte dat aan eiser is uitbetaald in de periode van 1 </para>
      <para>april 1994 tot juli 1994- geldt echter dat de terugvorderingstermijn </para>
      <para>van twee jaren is verstreken. Ter zitting heeft verweerder betoogd </para>
      <para>dat ook dit gedeelte van het teveel betaalde bedrag door hem kan </para>
      <para>worden teruggevorderd, omdat het gedrag van eiser -bestaande uit </para>
      <para>het bewust niet melden aan verweerder dat er een te hoge </para>
      <para>tegemoetkoming in de reiskosten werd uitbetaald- in zijn opvatting </para>
      <para>geacht moet worden te zijn begrepen onder het in eerdergenoemde </para>
      <para>jurisprudentie ontwikkelde begrip "toedoen", zodat de </para>
      <para>terugvorderingstermijn moet worden verlengd van twee tot vijf jaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal in het midden laten of eisers houding in casu kan </para>
      <para>worden gerangschikt onder "toedoen" in vorenbedoelde zin, omdat </para>
      <para>zij van oordeel is dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen </para>
      <para>besluiten om ook de in de periode van 1 april 1994 tot juli 1994 </para>
      <para>teveel betaalde bedragen van eiser terug te vorderen. De </para>
      <para>rechtbank heeft daartoe als volgt overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals in het vorenstaande reeds is aangegeven, zijn de </para>
      <para>toetsingscriteria die in het ambtenarenrecht worden gehanteerd bij </para>
      <para>de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen ontleend </para>
      <para>aan de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep met </para>
      <para>betrekking tot het sociale zekerheidsrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten tijde van het bestreden besluit waren genoemde </para>
      <para>jurisprudentiële toetsingscriteria al enige tijd niet meer gangbaar </para>
      <para>voor terugvorderingen op het gebied van het sociale </para>
      <para>zekerheidsrecht, zulks als gevolg van de inwerkingtreding per 1 </para>
      <para>augustus 1996 van de Wet boeten, maatregelen en terug- en </para>
      <para>invordering sociale zekerheid van 25 april 1996, Stb. 1996, 248 </para>
      <para>(hierna: Wet BMT).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Sedert de inwerkingtreding van de Wet BMT geldt voor de </para>
      <para>terugvordering van onverschuldigd betaalde sociale uitkeringen een </para>
      <para>nieuw (wettelijk) criterium. Uitkeringen die onverschuldigd zijn </para>
      <para>uitbetaald worden door het Landelijk instituut sociale verzekering </para>
      <para>van de betrokkene teruggevorderd (zie bijvoorbeeld artikel 33, </para>
      <para>eerste lid, van de Ziektewet, artikel 57, eerste lid, van de Wet op de </para>
      <para>arbeidsongeschikt-heidsverzekering en artikel 36, eerste lid, van de </para>
      <para>Werkloosheidswet), tenzij zulks in strijd moet worden geacht met de </para>
      <para>algemene beginselen van behoorlijk bestuur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat voldoende aanleiding bestaat dit </para>
      <para>nieuwe criterium, nu de Centrale Raad van Beroep ook in het </para>
      <para>verleden aansluiting heeft gezocht bij de terugvorderings-criteria uit </para>
      <para>het sociale zekerheidsrecht op ambtenarenzaken, ook toe te </para>
      <para>passen ingeval van terugvordering van onverschuldigd betaalde </para>
      <para>bedragen in de sfeer van het ambtenarenrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Derhalve dient thans de vraag te worden beantwoord of </para>
      <para>terugvordering door verweerder van (ook) de in de periode van 1 </para>
      <para>april 1994 tot juli 1994 teveel betaalde reiskosten-vergoeding zich </para>
      <para>verhoudt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In dit </para>
      <para>verband acht de rechtbank van belang dat eiser zich van meet af </para>
      <para>aan bewust is geweest van het feit dat hij teveel </para>
      <para>reiskostenvergoeding ontving en dat het voortduren van de </para>
      <para>eenmaal ontstane fout nadrukkelijk (mede) te wijten is aan het </para>
      <para>bewust stilzitten van eiser. Uit de gedingstukken en het </para>
      <para>verhandelde ter zitting kan immers worden afgeleid dat eiser er </para>
      <para>willens en wetens voor heeft gekozen om na 1 april 1994 niet aan </para>
      <para>verweerder te melden dat de afbouwpercentages uit de </para>
      <para>Afbouwregeling te zijnen aanzien ten onrechte niet werden </para>
      <para>toegepast. In deze omstandigheden heeft verweerder naar het </para>
      <para>oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen besluiten tot </para>
      <para>terugvordering van de bedragen die zijn uitbetaald in de periode </para>
      <para>van 1 april 1994 tot juli 1994.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft zich tenslotte op het standpunt gesteld dat verweerder </para>
      <para>in de procedure voorafgaande aan het bestreden besluit heeft </para>
      <para>gehandeld in strijd met het zorgvuldigheids-beginsel. In dat verband </para>
      <para>heeft eiser met name gewezen op de gang van zaken rond de </para>
      <para>hoorzitting van 20 maart 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat eisers brief van 21 augustus 1996 </para>
      <para>door verweerder terecht is aangemerkt als een bezwaarschrift </para>
      <para>tegen zijn (ongedateerde) besluit van juli 1996. Derhalve had </para>
      <para>verweerder in de uitnodiging van 27 februari 1997 aan eiser </para>
      <para>kenbaar moeten maken dat het gesprek van 20 maart 1997 een </para>
      <para>hoorzitting als bedoeld in de Awb betrof. Door dit niet te doen heeft </para>
      <para>verweerder inderdaad onzorgvuldig gehandeld. De rechtbank is </para>
      <para>echter van oordeel dat dit zorgvuldigheidsgebrek is geheeld </para>
      <para>doordat eiser na het besluit van 23 mei 1997 -dat door verweerder </para>
      <para>kennelijk als het primaire besluit is aangemerkt- wederom de </para>
      <para>gelegenheid heeft gekregen om bezwaar te maken, waarna op 9 </para>
      <para>december 1997 een nieuwe hoorzitting heeft plaatsgevonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat </para>
      <para>de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel </para>
      <para>treffen. Van strijd met enige geschreven of ongeschreven </para>
      <para>rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel is de rechtbank niet </para>
      <para>gebleken. Nu er evenmin een andere reden is om het bestreden </para>
      <para>besluit voor onjuist te houden, dient het beroep ongegrond te </para>
      <para>worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen termen </para>
      <para>aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. Het </para>
      <para>hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Beslissing</para>
    <para />
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <para>verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr F.H. de Vries, rechter, en in het openbaar </para>
      <para>uitgesproken op 28 september 1999, in tegenwoordigheid van mr </para>
      <para>I.L.P. Crombeen als griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De griffier,                     De rechter, </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staat, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 </para>
      <para>juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van </para>
      <para>verzending hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij </para>
      <para>de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzonden op: 28 september 1999</para>
      <para>Coll:</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>