<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2026:4694</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-18T16:03:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-05-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-005315-25</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4694">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:4694</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-05-18T14:43:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-05-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2026:4694 Rechtbank Amsterdam , 12-05-2026 / 13-005315-25</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2026:4694:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolgings-EAB uit Polen. Overlevering geweigerd nu het recht tot strafvervolging naar Nederlands recht is verjaard.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2026:4694:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-005315-25</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 12 mei 2026</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 26 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_540ee684-eddd-483f-9e09-5060858cd26f" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 18 september 2023 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Szczecin</emphasis>, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1982, </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>
        [adres],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 april 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T. Kocabas, advocaat in Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_bce75b43-7e90-4b0e-b7ac-2a007d4d303b" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de behandeling onderbroken tot de zitting van 12 mei 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 12 mei 2026</emphasis>
      </para>
      <para>Op deze zitting heeft de rechtbank het onderzoek – met instemming van partijen – enkelvoudig gesloten en direct uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een <emphasis role="italic">enforceable decision on remand in custody of the Szczecin- Prawobrzeże i Zachód (Right Bank and West) District court in Szczecin, 6th Penal Division, </emphasis>van 3 augustus 2023<emphasis role="italic">, </emphasis>met referentie VI Kp 904/23.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Pools recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_3135c5c3-69c5-44eb-a1d9-261dfbc138af" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">5.  	Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft de rechtbank verzocht de opgeëiste persoon met een Nederlander gelijk te stellen en vervolgens vast te stellen dat het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht is verjaard. Van deze weigeringsgrond moet niet worden afgezien. Door de raadsman is daarbij gewezen op het leven dat de opgeëiste persoon in Nederland heeft opgebouwd; de opgeëiste persoon woont negen jaar in Nederland, werkt al zes jaar voor dezelfde werkgever en heeft een gezin in Nederland. Daarnaast betreft het een oud feit van geringe ernst. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het recht tot strafvervolging voor het feit waarvan de overlevering wordt verzocht in 2022 in Nederland is verjaard. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om af te zien van deze weigeringsgrond, omdat het feit in Polen nog niet is verjaard. Dat maakt dat het EAB bij weigering niet weg is, zodat de zaak boven het hoofd van de opgeëiste persoon blijft hangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het oordeel van de rechtbank </emphasis>
      </para>
      <para>Op grond van artikel 9, eerste lid onder f, OLW kan de overlevering worden geweigerd wegens verjaring van de vervolging naar Nederlands recht als naar Nederlands recht rechtsmacht kon worden uitgeoefend. In het geval van de opgeëiste persoon is, op grond van artikel 7, eerste en derde lid, jo. artikel 86b van het Wetboek van Strafrecht, sprake van rechtsmacht naar Nederlands recht als hij in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft. Daaronder wordt de situatie begrepen dat hij kan aantonen dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000, en de feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon sinds 14 december 2021 een duurzaam verblijfsrecht heeft verkregen. Niet is gebleken dat hij dit verblijfsrecht nadien heeft verloren. Daarmee voldoet de opgeëiste persoon aan de voorwaarde van ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank moet vervolgens beoordelen of het feit naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert. Gelet op de feitomschrijving in het EAB, is ook aan deze voorwaarde voldaan. De feitomschrijving levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande betekent dat Nederland rechtsmacht heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het recht tot strafvordering naar Nederlands recht is verjaard in april 2022<footnote-ref linkend="_2bda9ca4-6dfe-4b93-a439-f08db8f5083b" /> en dat de verjaring niet is gestuit.  De rechtbank is daarom bevoegd om de overlevering op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW te weigeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond. Het feit waarvan de opgeëiste persoon in Polen  wordt verdacht dateert uit de periode 2009 tot en met 2010. Door Polen is echter pas dertien jaar later, in 2023, een nationaal aanhoudingbevel en een EAB uitgevaardigd. De verjaringstermijn naar Nederlands recht is inmiddels geruime tijd (meer dan vier jaar) verstreken. De rechtbank neemt daarbij verder in aanmerking dat de opgeëiste persoon zich sinds zijn komst naar Nederland niet onder de radar heeft gehouden. De opgeëiste persoon staat sinds december 2016 onafgebroken ingeschreven in Nederland, heeft een vaste baan en heeft, samen met zijn gezin, zijn leven hier opgebouwd. Volledigheidshalve merkt de rechtbank daarbij op dat weigering van de overlevering op grond van verjaring niet betekent dat de opgeëiste persoon in Polen niet meer kan worden vervolgd. Zolang het recht tot strafvordering naar het recht van Polen niet is verjaard, moet de opgeëiste persoon – wanneer hij Nederland verlaat – rekening houden met de mogelijkheid van overlevering ter vervolging vanuit een andere lidstaat. Hiermee bekend heeft de opgeëiste persoon toch expliciet een beroep gedaan op de weigeringsgrond van artikel 9 OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de weigeringsgrond van artikel 9 OLW van toepassing is, ziet de rechtbank geen aanleiding om tot bespreking van artikel 11 OLW in relatie tot de <emphasis role="italic">remand regimes </emphasis>in Poolse penitentiaire inrichtingen, over te gaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 9 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 3, 11 Opiumwet en 2, 5, 7 en 9 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Regional Court in Szczecin</emphasis>, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEFT OP</emphasis> de (geschorste) overleveringsdetentie van opgeëiste persoon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. O.P.M. Fruytier	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. E. de Rooij en C.M.S. Loven,					   	   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en B.C.M. Burger,                       	    griffiers,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 mei 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_540ee684-eddd-483f-9e09-5060858cd26f" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bce75b43-7e90-4b0e-b7ac-2a007d4d303b" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3135c5c3-69c5-44eb-a1d9-261dfbc138af" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2bda9ca4-6dfe-4b93-a439-f08db8f5083b" label="4">
    <para> Gelet op artikel 11, vijfde lid, Opiumwet in combinatie met artikel 70, eerste lid onder 3, Wetboek van Strafrecht. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>