<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2026:3470</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-15T09:18:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-04-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12040443</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#proceskostenveroordeling">Proceskostenveroordeling</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#schadevergoedingsuitspraak">Schadevergoedingsuitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verstek">Verstek</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_internationaalPrivaatrecht">Civiel recht; Internationaal privaatrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3470">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:3470</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-13T09:57:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2026:3470 Rechtbank Amsterdam , 07-04-2026 / 12040443</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2026:3470:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>IPR verstek - betekening Algerije, art. 55 Rv - rechtsmacht op grond van artikel 6 onder a Rv - NL recht van toepassing o.g.v. art. 4 lid 1 sub b Rome I.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2026:3470:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold caps">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold">AMSTERDAM</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 12040443 \ CV EXPL  26-3</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 7 april 2026</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de publiekrechtelijke rechtspersoon</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">GEMEENTE AMSTERDAM</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd te Amsterdam,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>gemachtigde: van Twuijver Incasso B.V.,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">TREVIA TAXI B.V.</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd te Constantine, Algerije,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>niet verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eisende partij heeft bij dagvaarding van 29 oktober 2025 een vordering tegen gedaagde partij ingesteld overeenkomstig de door haar overgelegde dagvaarding. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Gedaagde partij heeft geen uitstel verzocht en evenmin op de in het exploot van de dagvaarding vermelde terechtzitting van 3 februari 2026 te 10:00 uur geantwoord. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Betekening</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Gedaagde partij is gevestigd in Algerije. Algerije is geen partij bij het Haags Betekeningsverdrag<footnote-ref linkend="_b6c7db17-8f98-451a-8592-6711663e4b7a" />, en ook niet bij het Haags Rechtsvorderingsverdrag<footnote-ref linkend="_16ae0382-9c3b-4eb9-aecf-225ac8d7a3dc" />. Ook de Betekeningsverordening<footnote-ref linkend="_5cbfa9b1-375a-4b41-ba74-bb90ec0f3058" /> is niet van toepassing.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Artikel 55 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bepaalt in dat geval dat betekening dient plaats te vinden aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie, die een afschrift van het exploot ten behoeve van degene voor wie het bestemd is, toezendt aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Een tweede afschrift dient door de deurwaarder per aangetekende brief onverwijld te worden toegezonden aan de woonplaats of het werkelijk verblijf van de betrokkene. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Uit het exploot van de dagvaarding blijkt dat de voorschriften van artikel 55 lid 1 Rv is voldaan. Gedaagde partij is opgeroepen om op de zitting van 3 februari 2026 te 10:00 te antwoorden. Gedaagde partij is niet in de procedure verschenen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op grond van artikel 115 lid 2 Rv bedraagt de dagvaardingstermijn indien de gedaagde noch in Nederland, noch in een Staat als bedoeld in het eerste lid, een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft, ten minste drie maanden. Eisende partij heeft deze termijn in acht genomen. Daarom wordt verstek tegen gedaagde partij verleend. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bevoegdheid en toepasselijk recht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Het gaat om een zaak met een internationaal aspect, nu eisende partij in Nederland is gevestigd en gedaagde partij in Algerije. Allereerst moet daarom ambtshalve worden vastgesteld of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil. Nu er geen sprake is van een toepasselijk verdrag of verordening dat in dit geval de rechtsmacht regelt, moet de bevoegdheid worden vastgesteld aan de hand van de artikelen 1 tot en met 14 Rv. Op grond van artikel 6 onder a Rv heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht in zaken betreffende verbintenissen uit overeenkomst, indien de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, in Nederland is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. De verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is in deze zaak een overeenkomst tot inzameling van restafval. De plaats van uitvoering is gelegen in Amsterdam. Dat betekent dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De relatieve bevoegdheid van de Nederlandse rechter in dagvaardingsprocedures is geregeld in de artikelen 99 tot en met 109 Rv. Omdat de artikelen 99 tot en met 108 geen bevoegde rechter aanwijzen, is deze rechtbank als de rechter van de woonplaats van eisende partij op grond van artikel 109 Rv bevoegd om van het geschil kennis te nemen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Het op de overeenkomst van partijen toepasselijke recht dient te worden bepaald aan de hand van de Rome I Verordening. Artikel 4 lid 1 sub b van voornoemde verordening bepaalt dat “de overeenkomst inzake dienstverlening wordt beheerst door het recht van het land waar de dienstverlener zijn gewone verblijfplaats heeft”. Nu dit Nederland is, is het Nederlands recht van toepassing op de overeenkomst tussen partijen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De verdere beoordeling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Eisende partij vordert betaling van een bedrag van € 7.150,11, vermeerderd met de wettelijke handelsrente hierover vanaf de dag der dagvaarding. Dit bedrag bestaat uit de hoofdsom van € 3.599,23, (verschenen) wettelijke handelsrente van € 1.350,88 en buitengerechtelijke incassokosten van € 2.200,00. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>De gevorderde wettelijke handelsrente over de verschenen wettelijke handelsrente is slechts toewijsbaar over dat deel dat een vol jaar is verschuldigd (artikel 6:119a lid 3 BW). Nu niet is gesteld of gebleken dat of welk deel van de gevorderde verschenen wettelijke handelsrente reeds over een vol jaar is verschuldigd, is dit deel van het gevorderde niet toewijsbaar. De kantonrechter zal daarom de gevorderde wettelijke handelsrente toewijzen over de hoofdsom vanaf datum dagvaarding tot de dag van volledige betaling. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Eisende partij vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Eisende partij heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Eisende partij heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Eisende partij heeft meer dan één vordering op gedaagde partij en heeft daarvoor afzonderlijke incassohandelingen verricht. Het gaat steeds om kleine vorderingen. Voor die vorderingen had in één aanmaning kunnen worden aangemaand. Voor de vaststelling van de vergoeding worden de hoofdsommen daarom bij elkaar opgeteld. Toewijzing van een hogere vergoeding wordt niet redelijk geoordeeld. Daarom zal een bedrag van € 484,92 worden toegewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>Buitengerechtelijke (incasso)kosten zijn een vorm van vermogensschade (art. 6:96 sub c BW). Omdat de wettelijke handelsrente-regeling van artikel 6:119a BW niet van toepassing is op schadevergoedingsbedragen, wordt de wettelijke rente van artikel 6:119 BW toegewezen over de buitengerechtelijke incassokosten vanaf datum dagvaarding tot de dag van volledige betaling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>De vordering komt de kantonrechter voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen als vermeld onder de beslissing. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>Gedaagde partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:</para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="5">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <colspec colname="colE" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>- kosten van de dagvaarding</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>158,66</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- griffierecht</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>559,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- salaris gemachtigde</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>360,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(1 punt × € 360,00)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- nakosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>144,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>1.221,66</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>veroordeelt gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisende partij te betalen:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>€ 3.599,23 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 29 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 1.350,88 aan verschenen wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:199a BW, </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 484,92 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 29 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling,</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 1.221,66, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>veroordeelt gedaagde tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Kuiken en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>64443</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_b6c7db17-8f98-451a-8592-6711663e4b7a" label="1">
    <para> Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken, 's-Gravenhage, 15-11-1965;</para>
  </footnote>
  <footnote id="_16ae0382-9c3b-4eb9-aecf-225ac8d7a3dc" label="2">
    <para> Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering;</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5cbfa9b1-375a-4b41-ba74-bb90ec0f3058" label="3">
    <para> Verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (de betekening en de kennisgeving van stukken) (herschikking);</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>