<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2026:2230</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-11T07:42:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-340230-25</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2230">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2230</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-10T15:09:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2026:2230 Rechtbank Amsterdam , 25-02-2026 / 13-340230-25</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2026:2230:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pools executie-EAB, overlevering toestaan, artikel 11 OLW, detentieomstandigheden, artikel 12 OLW, afzien van weigeren</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2026:2230:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-340230-25</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 25 februari 2026</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 15 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_98357232-19d1-4ae3-b178-7bc362b7ca3d" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 30 oktober 2024 door <emphasis role="italic">the Circuit Court in Gorzow Wielkopolski, the 2nd Criminal Division</emphasis>, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[de opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] (Polen),</para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>	nu gedetineerd in [P.I.] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 februari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.N.M. Lousberg die waarneemt voor haar kantoorgenoot mr. P.W. Szymkowiak, beiden advocaat in Maastricht, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_0c56c689-cadc-4be7-9765-01d22a0f6608" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een vonnis van <emphasis role="italic">the District Court of Law in Słubice</emphasis> van 7 mei 2024 met kenmerk II K 805/23.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, waarvan de gehele straf resteert, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_13f355b3-47fc-449a-9b7c-c38b65604158" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest bij het proces en hij niet op de hoogte was van het vonnis. De opgeëiste persoon is het gehele jaar 2024 gedetineerd geweest in Slovenië. Uit de aanvullende informatie van 21 januari 2026 blijkt niet welk adres de opgeëiste persoon heeft opgegeven aan de Poolse autoriteiten, wanneer hij een adres-instructie heeft gekregen en hoe de adres-instructie eruit zag. Niet is gebleken dat de Poolse autoriteiten hebben geverifieerd of de opgeëiste persoon gedetineerd was op het moment dat de oproep werd verstuurd. Daarnaast is het vonnis binnen een paar dagen onherroepelijk geworden, terwijl niet blijkt dat het vonnis aan de opgeëiste persoon is betekend of dat hij is geïnformeerd over de aan te wenden rechtsmiddelen. Tot slot is de opgeëiste persoon niet vertegenwoordigd door een advocaat.  </para>
        <para>Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om aanhouding van de zaak om over al het voorgaande nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is, maar dat kan worden afgezien van toepassing van deze weigeringsgrond. De oproep voor de zitting is namelijk tweemaal naar het opgegeven adres verstuurd en de opgeëiste persoon heeft tijdens het vooronderzoek een adresinstructie  ontvangen. De opgeëiste persoon heeft geen adreswijziging doorgegeven en heeft daarmee impliciet afstand gedaan van zijn verdedigingsrechten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt allereerst vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure. Uit onderdeel d) van het EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 21 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon tijdens het vooronderzoek een adres heeft opgegeven en dat hij toen ook een adresinstructie heeft ontvangen en hij heeft getekend voor ontvangst hiervan. De Poolse autoriteiten hebben de oproepen voor de zittingen op 22 maart 2024 en 11 april 2019 (<emphasis role="italic">de rechtbank begrijpt: 11 april 2024</emphasis>) verstuurd naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Op basis van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie. De raadsvrouw heeft niet concreet gemaakt waarom de rechtbank daaraan zou moeten twijfelen. Voor zover de opgeëiste persoon in 2024 het gehele jaar in Slovenië gedetineerd is geweest, geven de stukken geen aanleiding voor de veronderstelling dat de Poolse autoriteiten daarvan op de hoogte waren of moesten zijn. Op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot brieven die op zijn huisadres bezorgd werden, terwijl zorgvuldigheid van hem verwacht mocht worden aangezien hij wist dat er een procedure liep. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW, en komt daarmee niet toe aan het subsidiaire verzoek van de raadsvrouw om de zaak aan te houden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 11 OLW</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_b4d21021-3c12-4518-8dff-e1fd8b9bed13" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_44cd1245-2dcc-4b2f-93e1-b77913287103" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Detentieomstandigheden</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB omdat onduidelijk is in welke detentie-instelling de opgeëiste persoon terecht zal komen en hoe dat regime er uit ziet.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan omdat er geen algemeen gevaar voor schending van de grondrechten is aangenomen ten aanzien van veroordeelde gedetineerden in Polen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>De overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met het ondergaan van een gevangenisstraf. Op dit moment is er ten aanzien van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen in detentie-instellingen in Polen geen algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling vastgesteld. De raadsvrouw heeft op dit punt ook geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit volgt dat een algemeen gevaar bestaat van schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie voor veroordeelde gedetineerden in Polen. Ook ambtshalve beschikt de rechtbank niet over zulke gegevens. Omdat geen sprake is van een algemeen gevaar, komt de rechtbank ook niet toe aan de beoordeling van een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon. Het verweer wordt verworpen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[de opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Circuit Court in Gorzow Wielkopolski, the 2nd Criminal Division</emphasis> voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M. Westerman,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. D.L.S. Ceulen en L. Sanders,						 	   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau,		             		            	    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 februari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_98357232-19d1-4ae3-b178-7bc362b7ca3d" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0c56c689-cadc-4be7-9765-01d22a0f6608" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_13f355b3-47fc-449a-9b7c-c38b65604158" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b4d21021-3c12-4518-8dff-e1fd8b9bed13" label="4">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_44cd1245-2dcc-4b2f-93e1-b77913287103" label="5">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>