<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2026:22</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-12T12:56:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-279285-25</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_internationaalStrafrecht">Strafrecht; Internationaal strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:22">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:22</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-12T11:51:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2026:22 Rechtbank Amsterdam , 06-01-2026 / 13-279285-25</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2026:22:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie-EAB uit Polen. Artikel 12 OLW afzien van weigeren in alle drie de vonnissen. Het is niet nodig dat uit het dossier blijkt dat een opgeëiste persoon voor ontvangst of gezien van een adresinstructie tekent. Overlevering toestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2026:22:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-279285-25</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 7 januari 2026 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>
      <?linebreak?>
    </para>
    <parablock>
      <para>op de vordering van 30 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_bd25c4b2-523c-4d93-b430-0640032d3f8a" /> Dit EAB is uitgevaardigd op </para>
      <para>4 september 2025 door <emphasis role="italic">the Circuit Court of Law in Świdnica</emphasis>, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag 1] 1990 te [geboorteplaats] (Polen), </para>
      <para>zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,</para>
      <para>nu gedetineerd in [J.C.] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 december 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_71f83c8e-89c6-44e5-80e9-61f9b76bafb6" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de zitting van 7 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek (met toestemming van partijen enkelvoudig) gesloten en direct uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een drietal vonnissen:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Vonnis van<emphasis role="italic">  the District Court of Law in Wałbrzych on the 6th of June 2023, </emphasis> met kenmerk  III K 2356/22<emphasis role="italic">. </emphasis></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Vonnis van <emphasis role="italic">the District Court of Law in Wałbrzych on the 12th of October 2021, </emphasis>met kenmerk III K 710/21<emphasis role="italic">. </emphasis></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Vonnis van <emphasis role="italic">the District Court of Law in Wałbrzych on the 5th of October 2022, </emphasis> met kenmerk III K 2261/21.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de volgende vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>tien maanden (III K 2356/22). Deze straf resteert volgens het EAB nog volledig.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>acht maanden (III K 710/21). Van deze straf resteren volgens het EAB nog zeven maanden en negenentwintig dagen.</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>twee jaar en zes maanden (III K 2261/21). Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaar, vijf maanden en achtentwintig dagen.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_c481e44e-d891-425c-9a44-59a769e382b5" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft een beroep gedaan op artikel 12 OLW nu de opgeëiste persoon in geen van de procedures aanwezig is geweest en de omstandigheden als bedoeld in artikel 12 sub a tot en met d zich niet voordoen. Er is geen reden om af te zien van de weigeringsgrond, aldus de raadsman. Volgens zijn eigen verklaring heeft de opgeëiste persoon geen enkele oproep voor welke zitting dan ook, ontvangen. Weliswaar is sprake van adresinstructies: de opgeëiste persoon zegt hierover dat hij nooit dergelijke instructies ontvangen heeft en ook heeft hij nooit begrepen dat hij de verplichting had adreswijzigingen door te geven. De raadsman verzoekt de rechtbank de behandeling van de zaak aan te houden omdat uit het dossier niet blijkt dat hij de adresinstructies heeft ondertekend. Hierover dient navraag te worden gedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie </emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering voor alle vonnissen kan worden toegestaan, nu kan worden afgezien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon heeft in alle procedures een adresinstructie gekregen waarbij hij is gewezen op de consequenties van het niet doorgeven van een adreswijziging. In alle procedures heeft hij een adres opgegeven en de oproep voor de zitting is naar het door de opgeëiste persoon in die procedure opgegeven adres gestuurd. De OLW vereist niet dat uit het dossier blijkt dat de opgeëiste persoon voor ontvangst van een adresinstructie heeft getekend of de instructie zelf heeft ondertekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ten aanzien van het vonnis met nummer III K 2356/22</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en ook geen garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Weliswaar is in het EAB onder D aangekruist dat de situatie van artikel 12 sub a OLW zich heeft voorgedaan: uit de toelichting blijkt echter dat oproepen per post naar zijn adres zijn gestuurd, maar niet zijn opgehaald en aan de rechtbank zijn geretourneerd. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat toe. Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon voor het feit waarvoor hij is veroordeeld is verhoord en bij die gelegenheid een adres heeft opgegeven in [geboorteplaats] . De opgeëiste persoon heeft bovendien in de aanloop naar de zitting een adresinstructie ontvangen, waarbij hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. De oproep voor de zitting op 6 juni 2023 die tot de beslissing heeft geleid is gezonden aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres in [geboorteplaats] . De rechtbank stelt dan ook vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen hem op de hoogte was. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De OLW vereist niet dat uit het dossier blijkt dat een opgeëiste persoon de adresinstructie heeft ondertekend. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat wordt uitgegaan van de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman om de behandeling van de zaak aan te houden om hierover navraag te doen dan ook af en ziet af van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ten aanzien van het vonnis met nummer III K 710/21</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Weliswaar is in het EAB onder D aangekruist dat de situatie van artikel 12 sub a OLW zich heeft voorgedaan: uit de toelichting blijkt echter dat oproepen per post naar zijn adres zijn gestuurd, maar niet zijn opgehaald en aan de rechtbank zijn geretourneerd. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat toe. Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon voor het feit waarvoor hij is veroordeeld is verhoord en bij die gelegenheid een adres in [plaats] heeft opgegeven. De opgeëiste persoon heeft bovendien in aanloop naar de zitting een adresinstructie ontvangen, waarbij hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. De oproep voor de zitting op 12 oktober 2021 die tot de beslissing heeft geleid is gezonden aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres, te weten het adres [adres 1] [plaats] . De rechtbank stelt dan ook vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen hem op de hoogte was. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De OLW vereist niet dat uit het dossier blijkt dat een opgeëiste persoon de adresinstructie heeft ondertekend. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat wordt uitgegaan van de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman om de behandeling van de zaak aan te houden om daarover navraag te doen dan ook af en ziet af van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ten aanzien van het vonnis met nummer III K 2261/21</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Weliswaar is in het EAB onder D aangekruist dat de situatie van artikel 12 sub a OLW zich heeft voorgedaan: uit de toelichting blijkt echter dat oproepen per post naar zijn adres zijn gestuurd, maar niet zijn opgehaald en aan de rechtbank zijn geretourneerd. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij ligt dat toe. Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon voor het feit waarvoor hij is veroordeeld is verhoord en bij die gelegenheid twee adressen heeft opgegeven, in [geboorteplaats] en [plaats] . De opgeëiste persoon heeft voorts in de aanloop van de procedure een adresinstructie ontvangen, waarbij hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en op de gevolgen van het nalaten daarvan. De oproep voor de zitting op 5 oktober 2022 die tot de beslissing heeft geleid, is gezonden aan beide door de opgeëiste persoon opgegeven adressen, te weten [adres 2] , [geboorteplaats] , en [adres 3] , [plaats] . De rechtbank stelt dan ook vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen hem op de hoogte was. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De OLW vereist niet dat uit het dossier blijkt dat een opgeëiste persoon de adresinstructie heeft ondertekend. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat wordt uitgegaan van de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman om de behandeling van de zaak aan te houden om hierover navraag te doen dan ook af en ziet af van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">belaging; </emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal door twee of meer verenigde personen; </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">in het openbaar, bij geschrift, tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruien; </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">mishandeling,  terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind; </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">wederrechtelijk in de woning vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen; </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om een verklaring naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_f815c9f6-6034-4a60-989f-8666a51c22af" /></para>
      <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_e8b629fa-2ffb-4b3f-80cf-f748b6bf7919" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 131, 138, 285a, 285b, 300, 304 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, en de artikelen 2, 5 en 7 van de OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[de opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Circuit Court of Law in Świdnica</emphasis>, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. B.M. Vroom-Cramer,  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. M. Scheeper en H.P. Kijlstra,              						   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos,			                         	    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 januari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_bd25c4b2-523c-4d93-b430-0640032d3f8a" label="1">
    <para> Zie artikel 23 OLW.	</para>
  </footnote>
  <footnote id="_71f83c8e-89c6-44e5-80e9-61f9b76bafb6" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
    <para>ÁG313124072829$È </para>
    <para>G313124072829</para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_c481e44e-d891-425c-9a44-59a769e382b5" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f815c9f6-6034-4a60-989f-8666a51c22af" label="4">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e8b629fa-2ffb-4b3f-80cf-f748b6bf7919" label="5">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>