<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2026:21</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-12T12:54:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-226706-25</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_internationaalStrafrecht">Strafrecht; Internationaal strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:21">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:21</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-12T09:06:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2026:21 Rechtbank Amsterdam , 07-01-2026 / 13-226706-25</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2026:21:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolgings-EAB uit Polen. Na tussenuitspraak in verband met art. 6a OLW, opvragen IND bevraging en certificaat. Deze zijn ontvangen. Overlevering weigeren en straf overnemen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2026:21:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-226706-25</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 7 januari 2026</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 26 augustus 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_c3c6b89a-79e9-4b73-b90e-cd2eb504cd29" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 8 juli 2021 door de <emphasis role="italic">Chairman of III Criminal Division – court judge of Sąd Okręgowy in Kielce</emphasis>, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[de opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] (Polen),</para>
      <para>inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:</para>
      <para>
        [BRP-adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Zitting van 14 oktober 2025</emphasis>
      </para>
      <para>De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting 14 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.L. van Gessel, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_4dcb31cf-053f-48ec-a259-e8d2c08d1c97" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tussenuitspraak van 28 oktober 2025</emphasis>
      </para>
      <para>Bij tussenuitspraak van 28 oktober 2025<footnote-ref linkend="_f5dc7ef0-d13a-4f51-b0a4-2308d0c291ba" /> heeft de rechtbank geoordeeld dat aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander als bedoel in artikel 6a OLW is voldaan. De rechtbank overwoog dat het zeer goed denkbaar is dat de uitvraag bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) oplevert dat ook aan de tweede voorwaarde zal zijn voldaan en dus het certificaat en de arresten opgevraagd zullen moeten worden. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 5 in de uitspraak genoemde informatie op te vragen bij de IND (en, aansluitend zo nodig, bij de uitvaardigende justitiële autoriteit een ingevuld certificaat en de vonnissen op te vragen).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met zestig dagen verlengd, met gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Zitting 17 december 2025</emphasis>
      </para>
      <para>De behandeling van het EAB is – met toestemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 17 december 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.L. van Gessel, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de zitting van 7 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek (met toestemming van partijen enkelvoudig) gesloten en direct uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Tussenuitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van 28 oktober 2025 al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW, de (dubbele) strafbaarheid van de feiten en de Poolse rechtsstaat (artikel 11 OLW). Wat de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 5 van de tussenuitspraak van 28 oktober 2025. De overwegingen uit voornoemde uitspraak dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. De rechtbank heeft bij die uitspraak geoordeeld dat aan de eerste voorwaarde is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 18 november 2025 is van de afdeling Regulier Verblijf en Nederlanderschap van de IND, voor zover hier relevant, het volgende bericht ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="italic">In reactie op uw adviesverzoek van 13 november 2025 laat ik u weten dat de</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">strafrechtelijke feiten die u beschrijft er niet toe leiden dat de heer [de opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">zijn verblijfsrecht verliest.</emphasis> ”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat met deze verklaring ook aan de tweede voorwaarde is voldaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">medeplegen van mishandeling; </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft;</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de Nederlandse kwalificaties volgt dat de opgelegde vrijheidsstraffen niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgelegde sancties zijn naar hun aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraffen overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.</para>
      <para>De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraffen kan worden overgenomen. </para>
      <para>Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en familiale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd.<footnote-ref linkend="_136d742d-4c85-4483-b3a3-9e79cf71860e" /> De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 4 september 2025 heeft het HvJ EU arrest gewezen in de zaak C.J.<footnote-ref linkend="_b57e7b8e-52ab-48f5-9d10-900293e5536f" /> In dat arrest heeft het HvJ EU zich uitgesproken over de situatie dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit artikel 4, punt zes, van het Kaderbesluit 2002/584/ JBZ wenst toe te passen. Het betreft de situatie, zoals hier aan de orde, dat de rechtbank de overlevering wil weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland wil bevelen. Zoals de rechtbank in haar uitspraak van 30 september 2025<footnote-ref linkend="_c874db25-eef7-4a24-b4b5-a86f7fcd7815" /> heeft overwogen volgt uit het arrest van het HvJ EU </para>
    </parablock>
    <para>- kort samengevat - dat toestemming van de beslissingsstaat vereist is voordat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen. Die toestemming wordt uitgedrukt door toezending van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze zaak heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 21 november 2025 laten weten toestemming te geven voor overname van de straffen. Voorts zijn op 28 november 2025 het certificaat en de (drie) veroordelende vonnissen toegezonden. Dit betekent dat de uitvaardigende lidstaat als beslissingsstaat toestemming heeft gegeven voor het overnemen van de straffen door Nederland. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraffen bevelen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 47, 141, 300 en 312 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6a en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[de opgeëiste persoon]</emphasis> aan de <emphasis role="italic">Chairman of III Criminal Division - Sąd Okręgowy in Kielce</emphasis>, Polen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 van de tussenuitspraak van </para>
      <para>28 oktober 2025 bedoelde vrijheidsstraffen in Nederland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEFT OP</emphasis> de - geschorste - overleveringsdetentie van <emphasis role="bold">[de opgeëiste persoon] .</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de gevangenhouding van <emphasis role="bold">[de opgeëiste persoon]</emphasis> tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. B.M. Vroom-Cramer,  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. M. Scheeper en H.P. Kijlstra,              						   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos,			                         	    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 januari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_c3c6b89a-79e9-4b73-b90e-cd2eb504cd29" label="1">
    <para> Zie artikel 23 OLW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4dcb31cf-053f-48ec-a259-e8d2c08d1c97" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
    <para>ÁG513123825915ÖÈ </para>
    <para>G513123825915</para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_f5dc7ef0-d13a-4f51-b0a4-2308d0c291ba" label="3">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2025:8614</para>
  </footnote>
  <footnote id="_136d742d-4c85-4483-b3a3-9e79cf71860e" label="4">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (<emphasis role="italic">Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b57e7b8e-52ab-48f5-9d10-900293e5536f" label="5">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (<emphasis role="italic">C.J. (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c874db25-eef7-4a24-b4b5-a86f7fcd7815" label="6">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2025:7371</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>