<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2026:2088</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-12T14:00:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-341638-25</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_internationaalStrafrecht">Strafrecht; Internationaal strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2088">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2088</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-10T10:47:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2026:2088 Rechtbank Amsterdam , 26-02-2026 / 13-341638-25</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2026:2088:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie EAB uit Duitsland. Artikel 12 OLW;  De opgeëiste persoon is in persoon aanwezig geweest bij het grondslag vonnis. Artikel 12 is dan ook niet van toepassing op dit vonnis. De aanvankelijk opgelegde voorwaardelijke straf is omgezet wegens het plegen van een nieuw strafbaar feit. In de zaak van het nieuwe strafbare feit is vonnis gewezen, waartegen vervolgens hoger beroep is ingesteld. Dit hoger beroep wordt getoetst aan art 12. De rechtbank ziet af van toepassing van de weigeringsgrond, omdat de opgeëiste persoon in eerste aanleg in persoon op de zitting aanwezig is geweest, hij zelf hoger beroep heeft ingesteld, vervolgens is vertrokken zonder een adreswijziging door te geven en hij niet nader heeft geïnformeerd over de stand van zaken van het hoger beroep. Overlevering toestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2026:2088:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-341638-25</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 26 februari 2026 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 24 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_b2fcaaa4-097f-4cda-a510-2493e0e37b80" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 10 oktober 2025 door <emphasis role="italic">the Memmingen Local Court,</emphasis> Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] (Polen), </para>
      <para>zonder vaste woon- of verblijfplaatsin Nederland,</para>
      <para>nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats] ),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L. de Leon, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft geen verweer gevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_3e7deece-d9e0-4ba5-8d1d-f432df9771da" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een vonnis van <emphasis role="italic">Memmingen Local Court </emphasis>van 21 juni 2023, referentienummer2 Ds 102 Js 58/23<emphasis role="italic">. </emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en drie maanden door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar en drie maanden minus 171 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_70d82a47-06c6-430d-85d5-07dc6c74e65d" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit onderdeel d) van het EAB en de aanvullende informatie van 26 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de procedure die tot dit vonnis heeft geleid. De vermelding ‘2 Ds 201 Js 58/23’ in die aanvullende informatie merkt de rechtbank aan als een kennelijke verschrijving.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
      </para>
      <para>Blijkens het EAB en aanvullende informatie van 22 januari 2026 is sprake geweest van een voorwaardelijke invrijheidsstelling van de opgeëiste persoon. Deze voorwaardelijke invrijheidsstelling is herroepen met de beslissing van <emphasis role="italic">the Memmingen Local Court </emphasis>van </para>
      <para>14 februari 2025, referentienummer BRs 2 Ds 102 Js 58/23, vanwege het plegen van een nieuw strafbaar feit. De opgeëiste persoon is voor dit nieuwe strafbare feit veroordeeld bij vonnis van 28 augustus 2024 door <emphasis role="italic">Amtsgericht Günzburg</emphasis>, referentienummer 1 Ds 402 Js 8683/24. Uit aanvullende informatie van 26 januari 2026 en het daarbij gevoegde ingevulde D-formulier blijkt verder dat de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld tegen dat vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie </emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft zich, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 23 december 2024<footnote-ref linkend="_bb891e2b-aaa0-460a-8de5-cdfa04b73596" />, op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond. De opgeëiste persoon is bij de procedure in eerste aanleg in persoon aanwezig geweest. Hij heeft vervolgens zelf hoger beroep ingesteld en is daarna verdwenen. De opgeëiste persoon was op de hoogte van de procedure in hoger beroep en is desondanks vertrokken zonder adresgegevens door te geven. Bovendien heeft hij niet geïnformeerd naar de stand van zaken van het hoger beroep. Hij heeft hiermee stilzwijgend afstand gedaan van zijn verdedigingsrechten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>Bij beslissing van <emphasis role="italic">the Memmingen Local Court </emphasis>van 14 februari 2025<emphasis role="italic">, </emphasis>referentie BRs 2 Ds 102 Js 58/23 is de voorwaardelijke invrijheidsstelling herroepen. Deze beslissing tot herroeping is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd en valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.<footnote-ref linkend="_f6bf3713-975d-48c7-a664-93c1356fa835" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023<footnote-ref linkend="_88f40904-938b-469a-97a6-ee4ddb2cd649" /> volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf, ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het vonnis van het <emphasis role="italic">Amtsgericht Günzburg </emphasis>met referentie 1 Ds 402 Js 8683/24 van </para>
      <para>28 augustus 2024 is de opgeëiste persoon veroordeeld voor het plegen van een nieuw strafbaar feit. Na hoger beroep is deze veroordeling op 28 januari 2025 onherroepelijk geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.<footnote-ref linkend="_c6f0a580-d01b-4775-bce3-79fe4ae142d9" /> De rechtbank zal daarom de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW toetsen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.</para>
      <para>Uit de aanvullende informatie van de Duitse autoriteiten van 22 en 26 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en dat hij ook is gewezen op de gevolgen van het nalaten daarvan. Tevens blijkt uit die informatie dat de opgeëiste persoon, die in persoon aanwezig was bij de zitting in eerste aanleg, vervolgens zelf hoger beroep heeft ingesteld. Daarna was hij onvindbaar voor de uitvaardigende justitiële autoriteit zodat de oproeping voor de zitting in hoger beroep via een publieke kennisgeving bekend is gemaakt. Vervolgens is de opgeëiste persoon niet verschenen op de zitting in hoger beroep waarna het hoger beroep is afgewezen. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de opgeëiste persoon van de procedure in hoger beroep op de hoogte was. Op basis van de geschetste omstandigheden is de rechtbank bovendien van oordeel dat, voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit arrest heeft geleid, hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Het toestaan van de overlevering levert dan ook geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	georganiseerde of gewapende diefstal.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[de opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Memmingen Local Court,</emphasis> Duitsland, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,</para>
      <para>mrs. A.R.P.J. Davids en E. van den Brink, rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 februari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_b2fcaaa4-097f-4cda-a510-2493e0e37b80" label="1">
    <para> Zie artikel 23 OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3e7deece-d9e0-4ba5-8d1d-f432df9771da" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
    <para>ÁG813124567690HÈ </para>
    <para>G813124567690</para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_70d82a47-06c6-430d-85d5-07dc6c74e65d" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bb891e2b-aaa0-460a-8de5-cdfa04b73596" label="4">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2024:7420.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f6bf3713-975d-48c7-a664-93c1356fa835" label="5">
    <para> HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (<emphasis role="italic">Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)</emphasis>), punt 53.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_88f40904-938b-469a-97a6-ee4ddb2cd649" label="6">
    <para> HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023 (<emphasis role="italic">Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)</emphasis>). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c6f0a580-d01b-4775-bce3-79fe4ae142d9" label="7">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>