<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2026:20</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-15T10:40:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-227404-25</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_internationaalStrafrecht">Strafrecht; Internationaal strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:20">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:20</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-08T10:51:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2026:20 Rechtbank Amsterdam , 07-01-2026 / 13-227404-25</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2026:20:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolgings-EAB uit Polen. Bij tussenuitspraak van de rechtbank van 18-11-2025 heeft de rechtbank een redelijke termijn van 30 dagen gesteld om te bezien of een wijziging van de omstandigheden het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog - en binnen afzienbare tijd - kan worden weggenomen. Door de versterkte aanvullende informatie is algemene gevaar binnen de redelijke termijn alsnog weggenomen. Overlevering toestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2026:20:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-227404-25</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 7 januari 2026</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 19 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_2ddf2ef9-3ad5-439f-8908-5e0f2c858328" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 16 mei 2025 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Szczecin</emphasis>, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] (Polen), </para>
      <para>inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:</para>
      <para>
        [BRP-adres] ,</para>
      <para>nu gedetineerd in de [P.I.] , </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 4 november 2025</emphasis>
      </para>
      <para>De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 4 november 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.W. Ebbink (waarnemend voor mr. L.J. Woltring), beiden advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_c398e70e-b5a1-4e7a-8663-f1cffd022237" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Tussenuitspraak van 18 november 2025 </emphasis>
      </para>
      <para>Bij tussenuitspraak van 18 november 2025<footnote-ref linkend="_3adafcc7-64d0-44f6-adfa-21bdb4056bbb" />heeft de rechtbank het onderzoek heropend en vastgesteld dat voor de opgeëiste persoon sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van zijn grondrechten in detentie in Polen, omdat met de aanvullende informatie het vastgestelde algemene gevaar niet is weggenomen. Op grond van artikel 11, tweede lid, OLW is de beslissing over de overlevering aangehouden, omdat een mogelijkheid bestond dat bij wijziging van de omstandigheden het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog kon worden uitgesloten. De rechtbank heeft hier een redelijke termijn van dertig dagen aan verbonden en geoordeeld dat als binnen deze termijn zich geen gewijzigde omstandigheden voordoen geen gevolg zal worden gegeven aan het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook heeft de rechtbank op basis van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn verlengd waarbinnen zij uitspraak moet doen met zestig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting van 17 december 2025</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank heeft - met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling - de behandeling</para>
      <para>van het EAB voortgezet op de zitting van 17 december 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. J.W. Ebbink (wederom waarnemend voor mr. L.J. Woltring), beiden advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de zitting van 7 januari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek (met toestemming enkelvoudig) gesloten en direct uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Tussenuitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van deze rechtbank van 18 november 2025 al is geoordeeld over de grondslag en de genoegzaamheid van het EAB, alsook over de strafbaarheid van de feiten. Wat de rechtbank heeft overwogen kan als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Artikel 11 OLW: Poolse detentieomstandigheden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 6 van de tussenuitspraak van 18 november 2025. De overwegingen uit voornoemde uitspraak moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.</para>
      <para>Bij brief van 3 december 2025 heeft de <emphasis role="italic">Deputy Regional Director of the Prison service</emphasis> in Koszalin de volgende aanvullende informatie verstrekt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"<emphasis role="italic">In response to the letter dated 28 November 2025, </emphasis>(…) <emphasis role="italic">in order to secure proper course of criminal proceedings and in order to provide a detainee with living space of no less than 4m2 I agree to waive the established regionalisation and to place [opgeëiste persoon] , suspected of committing an offence contemplated under Artikel 258(1) of the Polisch Criminal Code, in the Stargard External Unit of the Remand Centre in Szcezecin.</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>Omdat door de Poolse autoriteiten in de aanvullende informatie van 2 december 2025, zeker in samenhang gelezen met de aanvullende informatie van 27 oktober 2025, wordt gegarandeerd dat de opgeëiste persoon geplaatst wordt in de <emphasis role="italic">Stargard External Unit </emphasis>en daar de beschikking zal hebben over vier m2 persoonlijke ruimte, exclusief sanitair, is het algemene gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie weggenomen. Uit de Dorobantu jurisprudentie<footnote-ref linkend="_7bf26cf4-83b5-42b0-b85b-36e512b88aae" /> volgt dat indien een opgeëiste persoon over vier m2 persoonlijke ruimte, exclusief sanitair, kan beschikken, de overige detentieomstandigheden minder relevant zijn en niet getoetst hoeven worden. De overlevering kan dan ook worden toegestaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman stelt zich op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd. Uit de aanvullende informatie blijkt onvoldoende dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk kan beschikken over vier m2 persoonlijke ruimte in een meerpersoons-cel. In de aanvullende informatie wordt ook ingegaan op de overige detentieomstandigheden, met name op de activiteiten buiten de cel. Daaruit leidt hij af dat de opgeëiste persoon mogelijk niet over vier m2 persoonlijke ruimte zal kunnen beschikken. In eerdere informatie is bovendien gesteld dat het afhankelijk is van de directeur van een detentie-instelling hoe lang een gedetineerde daadwerkelijk buiten zijn cel kan verblijven. Omdat er veel onduidelijk blijft, is het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar niet binnen de gestelde redelijke termijn weggenomen en moet de overlevering worden geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zich binnen de in de tussenuitspraak gestelde redelijke termijn een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven weergegeven door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie daartoe voldoende aanknopingspunten biedt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarbij is van belang dat – zoals in de tussenuitspraak van 18 november 2025 ook omschreven – het kernpunt voor het aannemen van een algemeen reëel gevaar voor schending van grondrechten van gedetineerden die in het “<emphasis role="italic">remand regime</emphasis>” in Poolse detentie-instellingen terecht komt, is dat in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd, terwijl de voorlopig gedetineerde veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt. In het onderhavige geval is dit in zoverre anders, dat uit het antwoord van de Poolse autoriteiten van 2 december 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering geplaats zal worden in de <emphasis role="italic">Stargard External Unit </emphasis>en daar de beschikking zal hebben over ten minste vier m2 persoonlijke ruimte, exclusief sanitair.  De rechtbank is daarom van oordeel dat voor de opgeëiste persoon het vastgestelde reële gevaar van schending van zijn grondrechten wegens de detentieomstandigheden in het Poolse <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> is weggenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5, 7 en 11 OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Regional Court in Szczecin</emphasis>, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. B.M. Vroom-Cramer,  				                         			voorzitter,</para>
      <para>mrs. M. Scheeper en H.P. Kijlstra,              						   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos,			                         	   	     griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 januari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_2ddf2ef9-3ad5-439f-8908-5e0f2c858328" label="1">
    <para> Zie artikel 23 OLW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c398e70e-b5a1-4e7a-8663-f1cffd022237" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
    <para>ÁG813123826128oÈ </para>
    <para>G813123826128</para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_3adafcc7-64d0-44f6-adfa-21bdb4056bbb" label="3">
    <para>Rb. Amsterdam 18 november 2025, RBAMS:2025:9702</para>
    <para />
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_7bf26cf4-83b5-42b0-b85b-36e512b88aae" label="4">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie 15 oktober 2019, ECLI:EU:C:2019:857 (Dorobantu).</para>
    <para />
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>