<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2026:1983</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-25T12:27:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">1330461725</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:1983">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:1983</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-25T10:20:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2026:1983 Rechtbank Amsterdam , 11-02-2026 / 1330461725</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2026:1983:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>EX EAB Italie, weigering overlevering o.g.v. artikel 12 OLW; specialiteitsbeginsel; beslistermijn</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2026:1983:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-304617-25</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 11 februari 2026</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 8 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_2c066cb6-b36f-4f49-b6bb-cd0fdf300742" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 10 september 2008 door de <emphasis role="italic">Public Prosecutor of the Republic of Catania</emphasis>, Italië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon],</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren op [geboortedag 1] 1970 in [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek)</para>
      <para>alias:</para>
      <para>
        [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag 2] 1970 in Santo Domingo</para>
      <para>(Dominicaanse Republiek),</para>
      <para>	zonder vast woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>	uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres],</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 22 januari 2026</emphasis>
      </para>
      <para>De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 22 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Spaanse taal. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de behandeling van de zaak ter zitting voor bepaalde tijd aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aanvullende informatie op te vragen zowel bij de uitvaardigende justitiële autoriteit over de Italiaanse strafzaak, als bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie over de uitleveringsprocedure van de Verenigde Staten aan Nederland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting 11 februari 2026</emphasis>
      </para>
      <para>Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling –  de behandeling van het EAB voortgezet, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S. Plas, advocaat in Amsterdam, en door een telefonische tolk in de Spaanse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Dominicaanse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Toestemming Verenigde Staten voor doorlevering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
      </para>
      <para>Op de zitting van 22 januari 2026 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om (onder andere) na te gaan of de opgeëiste persoon afstand heeft gedaan van het specialiteitsbeginsel bij de uitlevering van de Verenigde Staten aan Nederland. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 27 januari 2026 heeft de Afdeling Internationale Aangelegenheden en Rechtshulp in Strafzaken (AIRS) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid de volgende informatie verstrekt: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“In deze zaak heeft de uitlevering plaatsgevonden via de </emphasis>
        <emphasis role="bold underline italic">vereenvoudigde procedure als bedoeld in artikel 16 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika</emphasis>
        <emphasis role="italic"> (</emphasis>
        <emphasis role="underline italic">wetten.nl - Regeling - Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika - BWBV0001032</emphasis>
        <emphasis role="italic">). </emphasis>
        <emphasis role="bold underline italic">In dat geval is artikel 15 van het Verdrag (het specialiteitsbeginsel) niet van toepassing.</emphasis>
        <emphasis role="italic"> De Nederlandse autoriteiten zijn hiervan in kennis gesteld door de centrale autoriteit van de Verenigde Staten, te weten het Department of Justice, tevens overeenkomstig het verdrag.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 3 februari 2026 heeft AIRS de volgende informatie verstrekt: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Zoals eerder aangegeven door mijn collega (…), heeft de uitlevering plaatsgevonden conform artikel 16 van het tussen Nederland en de Verenigde Staten van toepassing zijnde uitleveringsverdrag. Deze vereenvoudigde uitleveringsprocedure kan enkel plaatsvinden indien (zo volgt uit de tekst van artikel 16) de opgeëiste persoon hier schriftelijk mee instemt, en nadat hij door de rechter in de aangezochte staat (in dit geval dus: de Amerikaanse rechter) is geïnformeerd over zijn rechten, en de gevolgen van het instemmen met de vereenvoudigde procedure. Het vertrouwensbeginsel dat in dit soort procedures van toepassing is tussen Nederland en de VS, brengt met zich mee dat wij erop vertrouwen dat deze procedure correct heeft plaatsgevonden.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Uit artikel 16 volgt vervolgens expliciet (zie de laatste zin van dat artikel) dat het specialiteitsbeginsel niet van toepassing is bij een vereenvoudigde uitleveringsprocedure. Met andere woorden: doordat [opgeëiste persoon] heeft ingestemd met de vereenvoudigde uitleveringsprocedure ten overstaan van de Amerikaanse rechter, heeft hij ook afstand gedaan van het zich kunnen beroepen op het specialiteitsbeginsel, noch is de Nederlandse overheid gehouden aan dit beginsel. Wij hebben geen proces-verbaal ontvangen van deze procedure, dit is ook niet gebruikelijk. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Specifiek voor wat betreft mogelijk doorlevering naar Italië, informeer ik u graag nog als volgt. De VS interpreteert het specialiteitsbeginsel zodanig dat uit het hiervan afstand doen, automatisch volgt dat voor verdere doorlevering geen aanvullende toestemming nodig is. Zij hebben mij dit via e-mail laten weten met het volgende bericht:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold underline italic">As you know, he waived extradition, and hence the rule of specialty does not apply.</emphasis>
        <emphasis role="italic"> As a result, I’d like to acknowledge that the U.S. is also aware that the Netherlands may send him to Italy after the disposition of his case in the Netherlands. Since the rule of specialty does not apply, there is no need to obtain U.S. consent to transfer him to Italy.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">.(…)”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat uit informatie van AIRS van 27 januari en 3 februari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon bij zijn uitlevering van de Verenigde Staten naar Nederland heeft gekozen voor de vereenvoudigde procedure. In dat geval is het specialiteitsbeginsel niet van toepassing, zodat geen aanvullende toestemming van de Verenigde Staten voor doorlevering aan Italië is vereist. De beslistermijn is daarom aangevangen op het moment van voorlopige aanhouding van de opgeëiste persoon en verloopt op 15 februari 2026. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden omdat uit de aanvullende informatie van AIRS nog steeds onvoldoende blijkt of de Verenigde Staten aanvullende toestemming moeten geven voor doorlevering. Artikel 22, tweede lid, OLW bepaalt dat de beslistermijn ingaat op het moment dat die toestemming van de derde staat – in dit geval de Verenigde Staten – is ontvangen. Nu deze toestemming nog niet is ontvangen, is de beslistermijn in de overleveringsprocedure nog niet gaan lopen en is er nog ruimte voor het stellen van nadere vragen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank stelt vast dat uit de informatie van AIRS van 27 januari en 3 februari 2026 volgt dat de uitlevering van de opgeëiste persoon aan Nederland heeft plaatsgevonden met toepassing van artikel 16 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: het Uitleveringsverdrag). Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van de door de centrale autoriteit van de Verenigde Staten (<emphasis role="italic">Department of Justice</emphasis>) verstrekte gegevens aan het Nederlandse Ministerie van Justitie en Veiligheid. Uit artikel 16 van het Uitleveringsverdrag volgt expliciet dat het specialiteitsbeginsel niet van toepassing is bij een vereenvoudigde uitleveringsprocedure, waarvan in deze zaak sprake is. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen aanvullende toestemming van de Verenigde Staten vereist is voor doorlevering aan Italië. Het gevolg is dat de beslistermijn is aangevangen op het moment van de voorlopige aanhouding van de opgeëiste persoon, te weten op 18 november 2025. De (verlengde) beslistermijn verloopt op 15 februari 2026. De rechtbank wijst het verzoek van de officier van justitie om de zaak aan te houden dan ook af.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een arrest van <emphasis role="italic">the Court of Appeal of Catania </emphasis>van 24 september 2007 met een onderliggend vonnis van 22 juni 2005 van <emphasis role="italic">the Catania Court</emphasis> (onherroepelijk geworden op 14 december 2007).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 21 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_1ed5c00f-4a88-4167-a95c-03ef64611664" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.1.1.</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
          </para>
          <para>Het EAB vermeldt in onderdeel d):</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">“[opgeëiste persoon] may appeal in cassation pursuant to art 175 2nd paragraph and 2nd paragraph bis of the criminal procedure code, which is reported below </emphasis>
          </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">"2 If a Judgment in default or a conviction decree has been pronounced, the accused shall be returned, at his request, within the deadline for proposing an appeal or opposition, unless he has had actual knowledge of the procedure or provision and has voluntarily renounced to appear or to submit an appeal or opposition to this end, the judicial authority carries out all necessary checks.</emphasis>
            <?linebreak?>
            <emphasis role="italic">2bis the request indicated in paragraph 2 is submitted, under sentence of forfeiture, within 30 days of the date on which the defendant became aware of the order in the event of extradition from abroad, the deadline for submitting the request starts from the sentenced person's delivery”</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Op 31 december 2025 heeft de uitvaardigende autoriteit aanvullende informatie over onderdeel d) van het EAB, ten aanzien van het arrest van <emphasis role="italic">the Court of Appeal of Catania </emphasis>van 24 september 2007:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">“3.2	being aware of the scheduled trial, the person had given a mandate to a legal counsellor, Aw CONSOLI Maria Concetta who was either appointed by the person concerned, to defend him at the trial, and was indeed defended by that counsel lor at the trial; </emphasis>
            <?linebreak?>
            <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
          </para>
        </parablock>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">The person concerned has elected domicile for service and appointed CONSOLI Maria Concetta as defence counsel of his trust,”</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op de zitting van 22 januari 2026 heeft de rechtbank vastgesteld dat in de tenuitvoerleggingsbeslissing met kenmerk No. SIEP 26/2008 is vermeld dat de opgeëiste persoon is verdedigd door Sebastiano Bordonaro. In de aanvullende informatie van 31 december 2025 staat echter vermeld dat de opgeëiste persoon bij <emphasis role="italic">the Court of Appeal of Catania</emphasis> is verdedigd door Maria Concetta Consoli. De rechtbank heeft de officier van justitie gevraagd bij de uitvaardigende justitiële autoriteit na te gaan waarom er twee verschillende advocaten genoemd worden, alsook welke advocaat door de opgeëiste persoon is gemachtigd om namens hem het hoger beroep in te stellen en namens hem de verdediging te voeren in de procedure die heeft geleid tot het arrest van <emphasis role="italic">the Court of Appeal of Catania </emphasis>van 24 september 2007.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In reactie op de door de rechtbank geformuleerde vragen heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit opnieuw onderdeel d) van het EAB ingevuld en verstrekt. Hierin staat onder andere:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“3.4. The person was not personally served with the decision, but</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">- the person will be personally served with this decision without delay after the surrender; and</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">- when served with the decision, the person will be expressly informed of his or her right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed; and</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">- the person will be informed of the timeframe within which he or she has to request a retrial or appeal, which will be 30 days from the surrender of the person.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 2 februari 2026 heeft het IRC aanvullende vragen gesteld met betrekking tot de gegeven verzetgarantie zoals weergegeven onder 3.4 van het nieuwe onderdeel d):</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“In section D of the EAW it is stated that according to art. 175 2nd paragraph and 2nd paragraph bis of the criminal procedure code, Mr [opgeëiste persoon] shall be returned, at his request, within the deadline for proposing an appeal or opposition, unless he has had actual knowledge of the procedure or provision and has voluntarily renounced to appear or to submit an appeal. Could you please confirm that by ticking 3.4 of the new section D form (as included in the annex), it is confirmed that Mr [opgeëiste persoon] has had </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">no actual knowledge</emphasis>
          <emphasis role="italic"> of the procedure, meaning that </emphasis>
          <emphasis role="underline italic">it is guaranteed that Mr [opgeëiste persoon] will have the right to a retrial or appeal upon his request.</emphasis>
          <emphasis role="italic">”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 3 februari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit hierop het volgende geantwoord:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“With reference to your question regarding the fact that Annex D was ticked under point 3.4, this merely confirms that the requested person was not present at the trial that resulted in the conviction. However, this does not mean that the defendant was absent because he was genuinely unaware of the proceedings, nor that he knowingly chose not to attend. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Italian law on the reinstatement of procedural time limits, to which you refer, offers a safeguard for the defendant. In light of the interpretation that applies after the reform of the trial in absentia, </emphasis>
          <emphasis role="bold underline italic">the defendant may request restitution in terms if he can demonstrate that he did not voluntarily evade the proceedings and that he had no knowledge of them</emphasis>
          <emphasis role="italic">--for example, because no documents were personally served on him or on a lawyer of his choosing. In the present case, there is no indication that such personal service occurred. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">What we can assure is that, once surrendered, the requested person will have 30 days to submit a request for restitution in terms. A competent judge of the district will then assess this request on the basis of the principles outlined above.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 4 februari 2026 heeft het IRC de volgende aanvullende vraag gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“In which manner could Mr [opgeëiste persoon] have been aware of the procedure?”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft niet geantwoord op deze vraag.</para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.1.2.</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
          </para>
          <para>De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering geweigerd moet worden op grond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon is niet bij het proces aanwezig geweest en was niet op de hoogte van de procedure die tegen hem liep. Hij is niet in persoon opgeroepen en het arrest is hem niet persoonlijk uitgereikt. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft geen antwoord gegeven op de door de rechtbank geformuleerde vraag over wie de gemachtigde advocaat was die de opgeëiste persoon ter zitting heeft verdedigd. Daarom kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon is bijgestaan door een gemachtigde advocaat. Daarnaast heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit een verzetgarantie verstrekt die niet onvoorwaardelijk is. Het is daarom onzeker of de opgeëiste persoon bij overlevering daadwerkelijk een nieuw proces zal krijgen. Deze omstandigheden maken dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.1.3.</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
          </para>
          <para>De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de zaak moet worden aangehouden om aanvullende informatie te vragen over artikel 12 OLW. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. </para>
        </parablock>
        <para />
        <para />
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.1.4.</nr>
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
          </para>
          <para>Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.<footnote-ref linkend="_367aa6dc-718b-4088-a759-37f0b0216e37" /></para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank stelt allereerst vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de uitvaardigende justitiële autoriteit geen duidelijkheid heeft gegeven over door de rechtbank geformuleerde vragen over de advocaten en de bijstand in hoger beroep. De omstandigheid als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder b, OLW doet zich daarom niet voor.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het arrest is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.  </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat:</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>(i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>(ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank stelt op basis van de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 3 februari 2026 vast dat de verstrekte verzetgarantie niet zonder meer als onvoorwaardelijk kan worden aangemerkt. De omstandigheid als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder d, OLW doet zich daarom niet voor.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Zoals de rechtbank hiervoor onder 3 al heeft overwogen, biedt de beslistermijn geen ruimte meer voor het inwinnen van nadere informatie. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de officier van justitie af om de zaak aan te houden. </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De rechtbank zal de overlevering van de opgeëiste persoon aan Italië op grond van artikel 12 OLW weigeren. De stukken in het dossier bevatten geen informatie die aanleiding geven om af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5 en 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">WEIGERT</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[opgeëiste persoon]</emphasis> aan de <emphasis role="italic">Public Prosecutor of the Republic of Catania</emphasis>, Italië voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STELT VAST </emphasis>dat de overleveringsdetentie is geëindigd. </para>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M. Westerman,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. D.L.S. Ceulen en L. Sanders,						 	   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau,		             		            	    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 februari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_2c066cb6-b36f-4f49-b6bb-cd0fdf300742" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1ed5c00f-4a88-4167-a95c-03ef64611664" label="2">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_367aa6dc-718b-4088-a759-37f0b0216e37" label="3">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>