<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2026:1868</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-03T15:55:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">81.211291.20 (ontneming)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:1868">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:1868</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-03T13:03:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2026:1868 Rechtbank Amsterdam , 20-02-2026 / 81.211291.20 (ontneming)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2026:1868:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Onderzoek Kristal. Ontneming na handel in ketamine. Uitgebreide kasopstelling. WVV en betalingsverplichting: € 269.584</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2026:1868:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="e18092ab-7afc-4660-a3cd-fcca324d6ab8" depth="16" width="550" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling Publiekrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Teams Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 81.211291.20 (ontneming)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 20 februari 2026</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [veroordeelde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,</para>
      <para>wonende op het adres [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzittingen van 12, 17, 18 november 2025 (inhoudelijke behandeling) en 20 februari 2026 (sluiting).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De vordering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering van de officier van justitie van 12 augustus 2025 strekt tot:</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>­ het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat op € 269.584,‑ en</para>
      <para>­ het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van ditzelfde bedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geschatte voordeel is berekend aan de hand van een uitgebreide kasopstelling en de vordering is gebaseerd op artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag van de vordering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van heden ter zake van het volgende strafbare feit veroordeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 38 van de Geneesmiddelenwet gegeven verbod.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het wederrechtelijk verkregen voordeel</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie vindt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld kan worden op het in de rapportage berekende bedrag van € 269.584,-.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De verdediging verzoekt het wederrechtelijk verkregen voordeel naar beneden bij te stellen. De verdediging stelt in de eerste plaats dat het voordeel over een kortere periode zou moeten worden berekend. Daarnaast betwist de verdediging een deel van de posten die zijn opgenomen in de uitgebreide kasopstelling:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>De looninkomsten van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] moeten worden meegenomen als legale inkomsten;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Het contante geldbedrag van € 30.100,- is niet van veroordeelde en moet niet worden meegenomen in het contante eindsaldo;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Een deel van de auto’s die aan veroordeelde worden toegerekend was van zijn schoonvader;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Een betaling voor een vakantiewoning is niet door veroordeelde verricht.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank schat het door verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel op het in het rapport berekende bedrag van € 269.584,-. De rechtbank ontleent deze schatting aan het met betrekking tot veroordeelde opgemaakte Rapport inzake berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 21 juni 2023 (in het bijzonder par. 4b). Het wederrechtelijk verkregen voordeel is op hoofdlijnen als volgt berekend.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Beginsaldo (contant)	€	1.040,00</para>
        <para>Beginsaldo (giraal)	<emphasis role="underline">€	4.859,00	+</emphasis></para>
        <para>Beginsaldo 1-1-2017 (totaal)	€	5.899,00</para>
        <para>Legale ontvangsten	€	44.656,22	+</para>
        <para>Eindsaldo (contant)	€	30.100,00</para>
        <para>Eindsaldo (giraal)	<emphasis role="underline">€	4.983,00	+</emphasis></para>
        <para>Eindsaldo 27-8-2020 (totaal)	<emphasis role="underline">€	35.083,00	-</emphasis></para>
        <para>Beschikbaar voor het doen van uitgaven	€	15.472,22</para>
        <para>Feitelijke uitgaven (contant en giraal)	<emphasis role="underline">€	285.056,37	-</emphasis></para>
        <para>Verschil € -269.584,15</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Wederrechtelijk verkregen voordeel (afgerond)	€ 269.584,00</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging die zouden moeten leiden tot het vaststellen van een lager wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Periode uitgebreide kasopstelling</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank gaat uit van de kasopstelling over de periode van 1 januari 2017 tot en met 27 augustus 2020. Deze periode valt binnen de terugkijkperiode van artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht. De keuze om in het onderzoek terug te kijken tot 1 januari 2017 wordt daarnaast gelegitimeerd doordat tijdens het onderzoek is vastgesteld dat vanaf begin 2017 zeer geringe girale uitgaven zijn gedaan ten behoeve van levensonderhoud (rapport, p. 4), wat wijst op een contante geldstroom.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Dienstverbanden [bedrijf 1] en [bedrijf 2]</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank acht het aannemelijk dat de dienstverbanden van veroordeelde bij [bedrijf 1] en [bedrijf 2] fictief waren. De in de arbeidsovereenkomst vermelde werkzaamheden en werklocatie komen niet overeen met wat veroordeelde daarover zelf heeft verklaard. Veroordeelde is niet of nauwelijks gezien op de contractuele werklocatie en dat veroordeelde voor deze bedrijven op een externe locatie heeft gewerkt is niet aannemelijk geworden. Het onderzoek heeft hiervoor geen aanwijzingen opgeleverd en veroordeelde heeft hierover niet nader kunnen of willen verklaren.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">€ 30.100,- aan contant geld</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank heeft in de strafzaak geoordeeld dat het contante geld dat in de woning van de vader van veroordeelde aan veroordeelde toebehoort. De rechtbank gaat ook in de ontnemingszaak van die vaststelling uit en zal daarom het geldbedrag van € 30.100,- meenemen in het eindsaldo contant geld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Auto’s</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank acht aannemelijk dat alle voertuigen die in de ontnemingsrapportage aan veroordeelde worden toegeschreven, aan veroordeelde toegeschreven kunnen worden. De verdediging betwist dat een Audi Q7 Etron aan veroordeelde toebehoorde. Uit de ontnemingsrapportage volgt echter dat deze auto grotendeels is betaald door een auto die op naam stond van veroordeelde in te ruilen. Gelet daarop is het aannemelijk dat ook de Audi aan veroordeelde toebehoorde. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De verdediging betwist ook dat een Mercedes Benz A 180D aan veroordeelde kan worden toegeschreven. Dit voertuig is in de berekening meegenomen voor het bedrag gelijk aan de inruilwaarde. Ten tijde van het inruilen van dit voertuig stond deze auto op naam van veroordeelde en gelet daarop is het aannemelijk dat deze auto aan veroordeelde toebehoorde.</para>
        <para>
          <?linebreak?>Deze Mercedes is samen met de Audi Q7 Etron ingeruild voor een Lincoln Continental. Vervolgens is deze Lincoln ingeruild voor een Volvo V90 die op naam van veroordeelde stond. Gelet daarop acht de rechtbank het – anders dan de verdediging - eveneens aannemelijk dat deze Lincoln Continental aan veroordeelde toebehoorde.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tot slot acht de rechtbank ook aannemelijk dat de betwiste Jeep Wranger Sport aan veroordeelde toebehoorde. Daarvoor zijn in het bijzonder de opmerkelijkheden rondom het eigendom, de betaling en de factuur van belang en wat daarover door [persoon] en de dochter van veroordeelde is opgemerkt rondom de doorzoekingen (zie AMB-056, par. 4.3.5).</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Vakantiewoning</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank acht aannemelijk dat de aanschafprijs voor de vakantiewoning/het tuinhuisje in [plaats] voor rekening van veroordeelde is gekomen. Het bedrag van € 20.000,- is weliswaar betaald vanaf de rekening van [persoon] , maar voorafgaand aan deze overboeking is nagenoeg hetzelfde bedrag contant op de rekening van [persoon] gestort. Uit de bevindingen, weergegeven in AMB-041, blijkt verder dat het feitelijke gebruik van de vakantiewoning bij veroordeelde en zijn gezin ligt en de kosten hiervan ook voor rekening van veroordeelde komen. Daarnaast blijkt uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen met betrekking tot auto’s op naam van [persoon] dat veroordeelde vaker vermogensbestandsdelen van hem op naam van anderen, in het bijzonder van [persoon] , heeft gezet.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De verplichting tot betaling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank legt aan veroordeelde een betalingsverplichting op van € 269.584,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn in de ontnemingsprocedure. De redelijke termijn is aangevangen in augustus 2020, omdat toen een machtiging conservatoir beslag is afgegeven die mede zag op het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel en bij de doorzoeking van de woning van veroordeelde vermogensbestandsdelen in beslag zijn genomen. De rechtbank acht een termijn van twee jaar redelijk, zodat de redelijke termijn in de ontnemingszaak met ongeveer 3,5 jaar is overschrijden. De rechtbank volstaat echter met de constatering van deze overschrijding, omdat de rechtbank veroordeelde in de onderliggende strafzaak bij vonnis van heden reeds heeft gecompenseerd voor de overschrijding van de redelijke termijn in de strafzaak en beide overschrijdingen overlappen en samenhangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet daarnaast op dit moment geen aanleiding om rekening te houden met de verbeurdverklaring in de strafzaak van het geldbedrag van € 30.100,-. In het bijzonder omdat die verbeurdverklaring op dit moment niet onherroepelijk is. Op het moment dat de verbeurdverklaring in de strafzaak wel onherroepelijk is geworden, kan in de executiefase van deze ontnemingsmaatregel de verbeurdverklaring in mindering gebracht worden op de betalingsverplichting.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 269.584,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 269.584,- (tweehonderdnegenenzestigduizend vijfhonderdvierentachtig euro) aan de Staat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 1080 dagen.</para>
      <para>Dit vonnis is gewezen door</para>
      <para>mr. F. Dekkers, voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.M. van Hall en M. Wiewel, rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 februari 2026.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>