<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2026:1813</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-09T13:52:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">81.119064.23 (ontneming)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:1813">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:1813</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-09T13:50:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2026:1813 Rechtbank Amsterdam , 19-02-2026 / 81.119064.23 (ontneming)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2026:1813:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontneming na visfraude. Betalingsverplichting van € 83.474,51</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2026:1813:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="2dca63f2-592b-4bd5-8e2b-b785e985afff" depth="16" width="550" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling Publiekrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Teams Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 81.119064.23 (ontneming)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 19 februari 2026</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [veroordeelde] ,</emphasis> hierna: veroordeelde,</para>
      <para>gevestigd op het adres [adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 5 februari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De vordering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering van de officier van justitie van 9 december 2025 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel, van (voorlopig) € 83.474,51.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank maakt uit de stukken waarop de vordering berust en waarnaar de officier van justitie ter onderbouwing verwijst, op dat die is gegrond op het feit waarvoor veroordeelde in onderliggende strafzaak is veroordeeld en andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag van de vordering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van heden ter zake van het volgende strafbare feit veroordeeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Andere feiten</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat ook ten aanzien van de visreizen die niet in de tenlastelegging/bewezenverklaring worden genoemd, sprake is van het opzettelijk gebruik maken van valse geschriften. Het gaat om doorgegeven visreizen van de [naam vaartuig 1] , waarop gevangen zeebaars is weggeschreven, terwijl namens verdachte is verklaard dat de geregistreerde [naam vaartuig 1] niet kon varen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het wederrechtelijk verkregen voordeel</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van het Openbaar Ministerie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie vordert dat het wederrechtelijk verkregen voordeel overeenkomstig het rapport wordt vastgesteld op € 83.474,51.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De verdediging stelt primair dat geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat de verkochte vis niet op illegale wijze is verkregen. Subsidiair stelt de verdediging dat het wederrechtelijk verkregen voordeel beperkt moet worden tot de bespaarde kosten voor het overschrijven van de vismachtiging op de bijboot van de [naam vaartuig 1] , dan wel de bespaarde kosten om de [naam vaartuig 1] te repareren. Nog meer subsidiair stelt de verdediging dat niet alleen de veilingkosten in mindering gebracht moeten worden op de opbrengst van de verkochte vis, maar dat ook het door de boekhouder berekende percentage bedrijfskosten (ten opzichte van de bruto-omzet) daarop in mindering moet worden gebracht. Over 2021 gaat het om 71,8% van de bruto-omzet en in 2022 om 66,7%.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank is in lijn met het strafvonnis van oordeel dat met het strafbare handelen de mogelijkheid is gecreëerd om met de [naam vaartuig 2] gevangen vis die niet kon worden aangeland, alsnog als vangst van de [naam vaartuig 1] te verkopen. Gelet daarop is de gehele opbrengst van de zeebaars die als vangst van de [naam vaartuig 1] is verkocht, in redelijkheid als wederrechtelijk aan te merken. Er bestaat dus ook geen aanleiding om het wederrechtelijk verkregen voordeel te beperken tot de kosten van het overschrijven van de vismachtiging of de kosten van de reparatie van de [naam vaartuig 1] .</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De opbrengst van de zeebaars is in paragraaf 6.2 van de ontnemingsrapportage berekend op € 89.093,59. Daarvoor is aansluiting gezocht bij de uitbetaalstaten die door de Visveiling zijn opgemaakt. De rechtbank gaat van de juistheid van de berekening uit, omdat die inzichtelijk is en niet is betwist. De uitbetaalstaten zijn op naam van [naam bedrijf ] gesteld, maar de bedragen zijn door de maatschap ontvangen, zo is ter zitting namens de maatschap verklaard door [persoon] .</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet geen aanleiding om andere kosten op deze opbrengst in mindering te brengen dan de kosten die gemaakt zijn voor het veilen van de verkochte vis. Voor aftrek in aanmerking komende kosten zijn die kosten die rechtstreeks in verband staan met het begaan van de strafbare feiten. Nu de overige bedrijfskosten ook gemaakt zouden zijn als de verkochte zeebaars niet was aangeland, zijn dit geen kosten die in mindering gebracht dienen te worden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De hoogte van de veilingkosten ontleent de rechtbank aan de ontnemingsrapportage, par. 6.3, en bedragen € 5.619,08.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op (€ 89.093,59 -/- € 5.619,08 =) € 83.474,51.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De verplichting tot betaling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft verzocht om een betalingsverplichting op te leggen gelijk aan het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel. </para>
      <para>De verdediging heeft verzocht om bij het opleggen van de betalingsverplichting rekening te houden met de beperkte draagkracht van de maatschap. De verdediging heeft daarbij gewezen op de overgelegde stukken van de boekhouder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het uitgangspunt in ontnemingszaken is dat de draagkracht aan de orde wordt gesteld in de executiefase. Alleen als aanstonds duidelijk is dat de betrokkene ten tijde van de ontnemingszaak en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben, kan daar bij het vaststellen van de betalingsverplichting al rekening mee te houden.<footnote-ref linkend="_46b6d4fc-c456-4a04-a834-88f322e54bc5" /> Dat van deze uitzonderingssituatie sprake is, is onvoldoende gebleken. Wel is door de verdediging informatie overgelegd van de boekhouder waaruit volgt dat het recente verleden en de huidige financiële situatie van de maatschap de financiële ruimte beperkt is. Er is op dit moment echter geen informatie beschikbaar over de financiële positie van de individuele maten. Ook is met de beschikbare gegevens onvoldoende zicht op toekomstige ontwikkelingen binnen de onderneming en in de branche. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eventuele draagkrachtproblematiek in de executiefase aan de orde dient te komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet ook voor het overige geen aanleiding om een lagere betalingsverplichting vast te stellen dan het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel, zodat de rechtbank aan verdachte een betalingsverplichting zal opleggen ter hoogte van € 83.474,51. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 83.474,51.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt op aan <emphasis role="bold">[veroordeelde]</emphasis> de verplichting tot betaling van € 83.474,51 (drieëntachtigduizend vierhonderdvierenzeventig euro en eenenvijftig cent) aan de Staat.</para>
      <para>Dit vonnis is gewezen door </para>
      <para>mr. J.M.R. Vastenburg, voorzitter,</para>
      <para>mrs. M. Smit en M. Nieuwenhuijs, rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 februari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_46b6d4fc-c456-4a04-a834-88f322e54bc5" label="1">
    <para> ECLI:NL:HR:2021:376.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>