<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2026:1803</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-25T13:05:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-060860-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#internationaalPubliekrecht">Internationaal publiekrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:1803">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:1803</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-23T08:53:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2026:1803 Rechtbank Amsterdam , 19-02-2026 / 13-060860-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2026:1803:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolgings- en executie-EAB Letland. Tussenuitspraak. De officier van justitie is ontvankelijk in haar vordering. De verstrekte verzetgarantie voldoet aan de eisen van art. 12, onder d, OLW. Er is niet voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid; de rechtbank ziet aanleiding om van toepassing van de weigeringsgrond van art. 7 OLW af te zien. Beroep op de terugkeergarantie als bedoeld in art. 6 lid 1 OLW. Geen sprake van verjaring; de weigeringsgrond van art. 9 lid 1, aanhef en onder f, OLW is niet aan de orde. Art. 11 OLW: individueel gevaar vastgesteld voor de opgeëiste persoon en een redelijke termijn van 30 dagen gesteld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2026:1803:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-060860-24</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 19 februari 2026</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">TUSSEN-</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 17 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_ef921016-473d-4104-8f22-8fda445ff307" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 28 maart 2023 door <emphasis role="italic">the Prosecutor General’s Office of the Republic of Latvia</emphasis>, Letland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon]</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970, </para>
      <para>	ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>	[BRP-adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 5 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. W.R. Jonk, advocaat in Amsterdam. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_3d7de9cd-4698-4f61-9a0d-265a9f725e9b" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het EAB blijkt dat de overlevering wordt verzocht voor zowel de vervolging van de opgeëiste persoon als voor de tenuitvoerlegging van een aan de opgeëiste persoon opgelegde vrijheidsbenemende straf. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vervolging van de opgeëiste persoon</emphasis>
      </para>
      <para>Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van <emphasis role="italic">the Rïga City Centre District Court </emphasis>van </para>
      <para>22 oktober 2014 met kenmerk 12507000312. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Lets recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_29b1d937-09f3-4b38-837d-f979c5c84946" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf</emphasis>
      </para>
      <para>Het EAB vermeldt een vonnis van <emphasis role="italic">the Rïga City Court </emphasis>van 25 januari 2023, met kenmerk 11815002311 (K77-48-23/87). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, zeven maanden en negentien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_2891712d-83e7-47cd-baee-3147366bf99b" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Ontvankelijkheid van de officier van justitie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege schending van het vertrouwensbeginsel. De Letse autoriteiten hebben al in 2014 om de overlevering van de opgeëiste persoon gevraagd. Het EAB is toen rauwelijks afgewezen door het Openbaar Ministerie (OM). Deze afwijzing is bij brief van 1 mei 2017 aan de opgeëiste persoon bevestigd. In die brief heeft het OM geconcludeerd dat de prostitutiefeiten en daarmee ook de daaruit voortvloeiende feiten - het witwassen - niet strafbaar zijn in Nederland. Aan deze conclusie heeft de opgeëiste persoon een gerechtvaardigd vertrouwen mogen ontlenen dat het OM niet zou overgaan tot overlevering voor de feiten waarvoor destijds zijn overlevering is verzocht. De feiten uit het EAB van 2014 zijn gelijkluidend aan de feiten in het huidige EAB. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zij ontvankelijk is in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. De weigeringsgrond van artikel 7 OLW is tegenwoordig facultatief. Daarnaast is er een nieuw EAB uitgevaardigd waarop moet worden beslist. De opgeëiste persoon heeft geen gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen aan de brief van het OM uit 2017, aangezien het gaat om een nieuw EAB. De eerdere afwijzing van het OM zegt niet dat de grondslag daarvan, namelijk de Letse veroordeling en de vervolging, is komen te vervallen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de afwijzing door het OM van het EAB uit 2014 niet het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat hij in de toekomst niet zou kunnen worden overgeleverd voor diezelfde feiten. In 2017 is het overleveringsverzoek rauwelijks afgewezen door het OM vanwege het destijds geldende artikel 7 OLW. In dit verband overweegt de rechtbank allereerst dat een rauwelijkse afwijzing van het EAB door de officier van justitie in strijd is met Kaderbesluit 2002/584/JBZ, omdat dit kaderbesluit de bevoegdheid om over de tenuitvoerlegging van een EAB te beslissen opdraagt aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit. Daarnaast betekent een weigering niet dat de uitvaardigende justitiële autoriteit geen nieuw EAB kan uitvaardigen voor dezelfde feiten waarvoor de overlevering destijds op grond van het toen uitgevaardigde EAB werd geweigerd. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest <emphasis role="italic">AY</emphasis> van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU).<footnote-ref linkend="_79fe48a8-9c17-485c-aba9-7a60a3a46ba3" /> Hieruit volgt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit op elk EAB een beslissing moet nemen, ook als de overlevering eerder is geweigerd. Bovendien vermeldt de brief van het OM van 1 mei 2017 dat de opgeëiste persoon ‘in de huidige omstandigheden’ niet kan worden overgeleverd voor de feiten waarvan hij in Letland destijds werd verdacht. Die ‘huidige omstandigheden’ zijn inmiddels gewijzigd door een wetswijziging, waarmee artikel 7 OLW een zogenoemde facultatieve weigeringsgrond is geworden. Voorts overweegt de rechtbank dat de gestelde strijd met het vertrouwensbeginsel naar het Unierecht geen grond oplevert om de overlevering niet toe te staan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vordering op grond van artikel 23 OLW. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering voor het executiegedeelte moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. In het EAB is een verzetgarantie afgegeven, maar deze bevat slechts algemene informatie. Niet duidelijk is wanneer de daarin genoemde termijn van 30 dagen waarbinnen de opgeëiste persoon verzet of hoger beroep moet instellen, begint te lopen. Subsidiair moet de zaak worden aangehouden om hierover duidelijkheid te verkrijgen van de Letse autoriteiten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft zich onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank<footnote-ref linkend="_576f79a5-5709-424c-9a7c-5c422808e23f" /> op het standpunt gesteld dat de verstrekte verzetgarantie voldoet aan de eisen van artikel 12, onder d, OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt in onderdeel d):</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“3.4. the person was not personally served with the judgment, but</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	- the person will be personally served with this decision without delay after the</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	surrender, and</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- when served with the decision, the person will be expressly informed of his or her right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed, and</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	- the person will be informed of the time frame within which he or she has to request a</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	retrial or appeal, which will be 30 days.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, blijkt uit deze garantie ondubbelzinnig wanneer de termijn om verzet of hoger beroep in te stellen begint te lopen, namelijk vanaf het moment dat de beslissing - na feitelijke overlevering - aan de opgeëiste persoon is betekend en waarbij hij over de termijn van 30 dagen zal worden geïnformeerd.<footnote-ref linkend="_c30011d2-b85a-4095-bc97-efc5d86f1b48" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu sprake is van een afdoende verzetgarantie is het vonnis niet onherroepelijk, zodat ook de weigeringsgrond van artikel 6a, eerste lid, OLW zich niet voordoet. Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, OLW verwijst de rechtbank naar haar overwegingen onder punt 7.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat feit drie (het witwassen) lichtvaardig is aangekruist als lijstfeit en dat ten aanzien van dat feit daarom de dubbele strafbaarheid moet worden getoetst. Het enkele feit dat de opgeëiste persoon geld verdiende binnen zijn legitieme bedrijven maakt niet dat dit geld afkomstig was van zijn werkzaamheden voor het escortbureau. De opgeëiste persoon had een aantal bedrijven waarin winst werd gemaakt, maar die niets met strafbare feiten te maken hadden. Er is dan ook geen sprake van witwassen via deze bedrijven. Daarnaast zijn de prostitutiefeiten niet strafbaar naar Nederlands recht, waardoor de opbrengsten daarvan ook niet als opbrengsten uit een misdrijf kunnen worden gekwalificeerd. Bovendien was het OM in 2017 kennelijk van oordeel dat het witwasfeit geen strafbaar feit naar Nederlands recht opleverde. De overlevering van de opgeëiste persoon dient daarom op grond van artikel 7 OLW te worden geweigerd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het lijstfeit met betrekking tot feit drie in redelijkheid is aangekruist. De dubbele strafbaarheid hoeft daarom niet getoetst te worden. De inhoudelijke toets die ziet op de herkomst van de gelden dient in Letland plaats te vinden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst feit drie aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	witwassen van opbrengsten van misdrijven. </emphasis>
        </para>
        <para>
          <?linebreak?>Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Letland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of het strafbare feit waarvoor overlevering wordt verzocht onder het hiervoor genoemde lijstfeit valt. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden.<footnote-ref linkend="_fa318255-c3e7-4cfa-ba34-9b0929d29f85" /> Op basis van wat de raadsman aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan af te wijken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van feit drie waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de prostitutiefeiten (feiten één en twee) niet strafbaar zijn naar Nederlands recht. Er is dus niet voldaan aan de voor overlevering vereiste dubbele strafbaarheid, zodat voor deze feiten de overlevering dient te worden geweigerd op grond van artikel 7 OLW. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de prostitutiefeiten niet strafbaar zijn naar Nederlands recht. Het gaat hier echter om een facultatieve weigeringsgrond. Daarom heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om af te zien van weigering. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde nu de feiten zijn begaan in Letland. De feiten hangen daarnaast samen met feit drie. Bovendien kan weigering van de overlevering leiden tot straffeloosheid. Tot slot heeft de officier van justitie verwezen naar het arrest van het HvJ EU van 15 januari 2026.<footnote-ref linkend="_e63f975e-d6bf-4f16-8ba1-c9614e8a079b" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten één en twee (de prostitutiefeiten) niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van deze feiten niet is voldaan aan het vereiste van dubbele strafbaarheid. De Nederlandse wet kent geen strafbaarstelling voor het exploiteren van de opbrengsten van prostitutie zonder dat er minderjarigen bij betrokken zijn en/of sprake is van een uitbuitingssituatie. Uit het EAB blijkt niet dat sprake is van minderjarigen en/of een uitbuitingssituatie. Dit betekent dat de weigeringsgrond van artikel 7 OLW van toepassing is. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om van toepassing van deze weigeringsgrond af te zien. Daarbij is redengevend dat de feiten onvoldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtsorde hebben. De feiten zijn immers begaan in en vanuit Letland nu daar het centrum van de prostititiewerkzaamheden plaatsvonden. De feiten zijn voorts begaan tegen (hoofdzakelijk) Letse onderdanen, waarbij de rechtsorde van Letland is geschonden. Weigering van overlevering voor deze feiten zou verder leiden tot straffeloosheid, wat in beginsel voorkomen moet worden. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd.<footnote-ref linkend="_1680718e-c042-4703-9b7c-96eb62df3b93" /> Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">The Prosecutor of the International Cooperation Division of the General Prosecutor’s Office of the Republic of Latvia</emphasis> heeft op 19 januari 2026 de volgende garantie gegeven:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“The General Prosecutor’s Office of the Republic of Latvia expresses its respect to the Public Prosecutor’s Office of the Amsterdam District Court of the Kingdom of the Netherlands and responding to your e-mail from 12 January 2026 on extradition case of [opgeëiste persoon] informs, that after consultations with the Ministry of Justice of the Republic of Latvia </emphasis>
        <emphasis role="underline italic">the General Prosecutor’s Office of the Republic of Latvia guarantees, that in case [opgeëiste persoon] after his surrender to the Republic of Latvia is sentenced to a prison sentence in Latvia, he will be returned for serving that custodial sentence to the Netherlands</emphasis>
        <emphasis role="italic">.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Artikel 9 OLW: verjaring</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft aangevoerd dat voor het witwasfeit de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW, omdat het recht op vervolging voor dit feit verjaard is. Aangezien de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft en witwassen in Letland een strafbaar feit is, heeft Nederland op grond van artikel 7 Wetboek van Strafrecht (Sr) rechtsmacht over dat feit. Op witwassen zoals bedoeld in artikel 420bis Sr staat een maximale gevangenisstraf van zes jaren, zodat op grond van artikel 70, eerste lid, onder 3ᵒ, Sr een verjaringstermijn van twaalf jaren geldt. De laatste handeling jegens de opgeëiste persoon die de verjaring heeft doen stuiten, was het moment waarop hij in Letland uit voorlopige hechtenis werd vrijgelaten. Het enkele feit dat in 2014 een EAB was uitgevaardigd dat door het OM rauwelijks was afgewezen, kan niet gelden als een stuitingshandeling. Het uitvaardigen van een EAB kan niet worden gelijkgesteld aan een daad van vervolging als bedoeld in artikel 72 Sr. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van verjaring en dat de overlevering kan worden toegestaan. De verjaringstermijn van witwassen is naar Nederlands recht twaalf jaar. In geval van vervolgingsverjaring geldt de uitvaardiging van een EAB als een stuitingshandeling.<footnote-ref linkend="_4b4c30da-b99a-4978-8003-5ba88044a4bc" /> Er is dus een nieuwe verjaringstermijn gaan lopen toen het eerdere EAB van 23 december 2014 werd uitgevaardigd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>Eerder in deze uitspraak heeft de rechtbank al vastgesteld dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft, zodat ingevolge artikel 7, eerste lid, Sr sprake is van rechtsmacht ten aanzien van het witwasfeit. Om te bepalen of het recht tot strafvervolging voor dit feit verjaard is, moet daarom worden gekeken naar Nederlands recht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 70, eerste lid, onder 3ᵒ, Sr vervalt het recht tot strafvervolging voor dit feit na twaalf jaren. Uitgaande van de datum waarop het feit voor het eerst zou zijn gepleegd, namelijk 23 april 2010, zou de verjaringstermijn op 23 april 2022 zijn verlopen. De vraag is vervolgens of deze verjaringstermijn is gestuit als bedoeld in artikel 72, eerste lid, Sr en, zo ja, of die stuitingshandeling tot gevolg heeft gehad dat de verjaringstermijn op dit moment nog loopt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Al eerder heeft de rechtbank vastgesteld dat de uitvaardiging van een EAB in ieder geval als stuitingshandeling gezien moet worden.<footnote-ref linkend="_8e80f99b-0862-4cbf-ae3b-ddf8ba1cb5b1" /> Dit betekent dat met de uitvaardiging van het eerdere EAB op 23 december 2014 de verjaring is gestuit. Na deze stuitingshandeling is vervolgens een nieuwe verjaringstermijn van twaalf jaren aangevangen, zodat het recht tot strafvervolging op dit moment nog niet is verjaard </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Evenmin is sprake van verjaring naar Nederlands recht op de grond dat vanaf de aanvang van de verjaringsperiode op 23 april 2010 een periode van twee maal de voor het feit geldende verjaringstermijn van twaalf jaar is verstreken.<footnote-ref linkend="_40252871-41a9-4e82-9efd-0cdee8e62276" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, OLW is dus niet aan de orde. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Artikel 11 OLW: Letse detentieomstandigheden </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank heeft, onder meer in haar uitspraken van 21 februari 2024<footnote-ref linkend="_aedd8831-f51a-4924-8911-4d5435787ec0" /> en 19 september 2024<footnote-ref linkend="_ecf5ac2c-b04b-4009-8c91-331308bc47e4" />, geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar dat gedetineerden in Letland aan een onmenselijke of vernederende behandeling zullen worden blootgesteld. Het algemene gevaar ziet met name op het bestaan van een informele hiërarchie onder gedetineerden (het ‘kastenstelsel’) in de Letse gevangenissen, met geweld tegen en een vernederende behandeling van gedetineerden in de lagere kasten als gevolg. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat betekent dat de rechtbank ook in deze zaak concreet en nauwkeurig moet beoordelen of er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon dit gevaar zal lopen na overlevering aan Letland. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">The Department of Imprisonment Institutions</emphasis> in Riga heeft op 16 januari 2026 - voor zover van belang - in antwoord op de door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) gestelde vragen van 29 december 2025, de volgende informatie verstrekt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>“<emphasis role="bold italic">In reply to 1st question “In which prison in Latvia will the wanted person most likely be detained after his surrender?”</emphasis><emphasis role="italic"> the Department informs that the person concerned will be initially placed in Rïga Central Prison Investigation Prison Unit in case of his extradition to the Republic of Latvia.</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">In summary, the continuous supervision system (i.e. 24/7) is combined with the video surveillance, regular checks and operational action by the staff to efficiently prevent any abuse and to ensure the protection of prisoners from inhuman or degrading treatment.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">[P]risoners are uninterruptedly monitored, and they have an operative access to officials, that guarantees the prisoner a possibility to directly refer to the prison officials at any time in case of endangerment.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">[I]f prisoner is in danger of being subjected to inhuman or degrading treatment, the relocation to another cell, unit or other secure room </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">is ensured immediately</emphasis>
        <emphasis role="italic">, as soon as any threats are found or there is an impartially demonstrable endangerment to the safety of the prisoner.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">[T]he placing of convicts into any specific prison shall be decided by Chief of the Department of Imprisonment Institutions (…) according to the </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">medical, security and crime prevention criteria</emphasis>
        <emphasis role="italic">. According to the Section 132(1) of the Code the committee for the allocation of convicted persons established by the order of the head of a prison shall determine in which ward, unit and cell of the prison the convicted person shall be placed, </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">considering vacant places in cells, psychological compatibility, health conditions, attitude towards smoking, prior criminal record of the convicted persons. Those convicts whose personal qualities and the criminal experience would have the negative impact to other convicts, or who are oppressing and abusing others, also shall be placed separately</emphasis>
        <emphasis role="italic">.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">For the prevention of the prisoners’ informal hierarchy in prisons the Ministry of Justice developed and the Cabinet of Ministers supported on 8 October 2024 (Minutes No 41, § 33) the informative report “Action to reduce the informal hierarchy of prisoners in prisons”. (…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Regarding the improvements in procedures for ensuring the safety of the prisoners – a number of important improvements have been introduced in the regulatory enactments concerning the safety of the prisoners, especially regarding those who have been subjected to or fear of inter-prisoner violence. These improvements include internal procedures alongside technological and operational measures. The Department has improved the procedure for relocation of prisoners to another cell or place of imprisonment in the event of a threat to their safety; relocation is also possible in cases of any physical threats or psychological pressure from other prisoners.</emphasis>”</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 23 januari 2026 heeft het IRC aanvullende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit en verzocht meer concrete informatie te verstrekken om het algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon weg te nemen. In de aanvullende informatie van <emphasis role="italic">The Department of Imprisonment Institutions</emphasis> van 30 januari 2026 is vervolgens onder meer het volgende vermeld: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“[T]he person concerned in case of his extradition to the Republic of Latvia initially will be placed in Rïga Central Prison Investigation Prison Unit. The person will stay in the mentioned imprisonment institution until the moment when the abovementioned court ruling will come into legal force and when respective decision will be taken within the criminal procedure or when the respective court ruling will come into force and will be handed over for the enforcement. (…)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">[I]n the Republic of Latvia now there are nine prisons where prisoners are placed in custody or serve their custodial sentence, including five </emphasis>
        <emphasis role="underline italic">closed prisons, namely, Daugavgrïva Prison, Jelgava Prison, Olaine Prison, Valmiera Prison and Jëkabpils Prison,</emphasis>
        <emphasis role="italic"> and </emphasis>
        <emphasis role="underline italic">closed wards in two prisons</emphasis>
        <emphasis role="italic">, namely, in </emphasis>
        <emphasis role="underline italic">Rïga Central Prison and Liepäja Prison</emphasis>
        <emphasis role="italic">.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft de rechtbank verzocht geen gevolg te geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren. De beantwoording van <emphasis role="italic">The Department of Imprisonment Institutions</emphasis> is onvoldoende om het algemeen gevaar op onmenselijke en vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon weg te nemen.<footnote-ref linkend="_5c913106-e00e-4e09-bf61-ab5e6adf1bb2" /> Daarnaast loopt de opgeëiste persoon extra gevaar in de Letse detentie-instelling, omdat hij buitenlander is en wordt verdacht van feiten die hem onderaan het kastensysteem plaatsen. Voorts is gewezen op zijn gezondheidssituatie. De opgeëiste persoon is afhankelijk van een aanzienlijke hoeveelheid medicatie en periodieke controles, maar onduidelijk is in hoeverre de Letse autoriteiten daarin kunnen voorzien. De raadsman heeft de rechtbank vervolgens verzocht geen redelijke termijn te stellen, aangezien niet de verwachting bestaat dat een wijziging in omstandigheden zal optreden. Subsidiair moet aan de Letse autoriteiten een redelijke termijn worden gesteld. Meer subsidiair moeten aanvullende vragen worden gesteld aan de Letse autoriteiten in verband met de medische situatie van de opgeëiste persoon. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht een redelijke termijn van 30 dagen te stellen om de Letse autoriteiten in de gelegenheid te stellen concrete en op de opgeëiste persoon toegespitste aanvullende informatie te verstrekken.<footnote-ref linkend="_dd1bd92c-4ad6-4f37-9e07-57014336c045" /><emphasis role="italic">The Department of Imprisonment Institutions</emphasis> heeft met de aanvullende informatie onvoldoende concreet antwoord gegeven op de vragen met betrekking tot de <emphasis role="italic">inter-prisoner violence</emphasis>, het kastenstelsel en de individuele veiligheid van de opgeëiste persoon. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank heeft <emphasis role="italic">The Department of Imprisonment Institutions</emphasis> met de verstrekte informatie onvoldoende antwoord gegeven op de cruciale vraag naar de concrete bescherming van de opgeëiste persoon tegen geweld en andere negatieve gevolgen van het kastenstelsel indien hij in Letland in detentie geplaatst wordt. De informatie die is gegeven, is van algemene aard en ziet niet of nauwelijks op de concrete situatie van de opgeëiste persoon. Zo wordt alleen informatie verschaft over algemene maatregelen die worden genomen en wordt er gesproken over negen detentie-instellingen in Letland in plaats van specifiek de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande is het vastgestelde algemene gevaar niet weggenomen voor de opgeëiste persoon. Bij deze stand van zaken is er voor de opgeëiste persoon een reëel gevaar dat hij in detentie in Letland onmenselijk of vernederend zal worden behandeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu er een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon wordt aangenomen, moet de rechtbank de beslissing over de overlevering aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging in de omstandigheden. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat die situatie hier niet aan de orde is, omdat het niet ondenkbaar is dat aanvullende informatie wordt verstrekt waarmee het algemene gevaar alsnog voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarom houdt de rechtbank de beslissing over de overlevering aan op grond van artikel 11, tweede lid, OLW. De rechtbank stelt daarbij, ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW een redelijke termijn vast van 30 dagen. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van deze termijn (op 20 maart 2026) of uiterlijk tien dagen daarna, zodat kan worden nagegaan of binnen de redelijke termijn een wijziging in de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal ingevolge artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt na de verlenging ter zitting af op 6 maart 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij de beslistermijn met 60 dagen verlengen, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding met 60 dagen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>10</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT</emphasis> en <emphasis role="bold">SCHORST</emphasis> het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van de redelijke termijn (die verstrijkt op 20 maart 2026), namelijk in de periode van <emphasis role="bold">24 maart 2026 tot en met 2 april 2026</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERLENGT</emphasis> op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met <emphasis role="bold">60 dagen</emphasis> (<emphasis role="bold">eindigend op </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="bold">23 april 2026</emphasis>), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERLENGT </emphasis>op grond van artikel 27, derde lid, OLW de (geschorste) overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met <emphasis role="bold">60 dagen</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de <emphasis role="bold">oproeping van de opgeëiste persoon</emphasis> tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn <emphasis role="bold">raadsman</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M.C.M. Hamer,  				                         			voorzitter,</para>
      <para>mrs. L. Sanders en C.M.S Loven,                         					   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk,		                         		    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 februari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_ef921016-473d-4104-8f22-8fda445ff307" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3d7de9cd-4698-4f61-9a0d-265a9f725e9b" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_29b1d937-09f3-4b38-837d-f979c5c84946" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2891712d-83e7-47cd-baee-3147366bf99b" label="4">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_79fe48a8-9c17-485c-aba9-7a60a3a46ba3" label="5">
    <para> Arrest van 25 juli 2018, AY (Aanhoudingsbevel - Getuige), EU:C:2018:602.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_576f79a5-5709-424c-9a7c-5c422808e23f" label="6">
    <para> Rb. Amsterdam, 27 maart 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:2036. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c30011d2-b85a-4095-bc97-efc5d86f1b48" label="7">
    <para> Zie ook: Rb. Amsterdam, 12 januari 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:206. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_fa318255-c3e7-4cfa-ba34-9b0929d29f85" label="8">
    <para> Vgl. Hof van Justitie van de Europese Unie 6 oktober 2021, C-136/20, ECLI:EU:C:2021:804 (LU (Recouvrement d’amendes de circulation routière)), punt 42.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e63f975e-d6bf-4f16-8ba1-c9614e8a079b" label="9">
    <para> Zie Hof van Justitie van de Europese Unie, 15 januari 2026, ECLI:EU:C:2026:3 (<emphasis role="italic">Dubers</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1680718e-c042-4703-9b7c-96eb62df3b93" label="10">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (<emphasis role="italic">Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4b4c30da-b99a-4978-8003-5ba88044a4bc" label="11">
    <para> De officier van justitie heeft in dit verband verwezen naar Rb. Amsterdam, 21 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:462. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_8e80f99b-0862-4cbf-ae3b-ddf8ba1cb5b1" label="12">
    <para> Rb. Amsterdam, 9 juli 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3658. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_40252871-41a9-4e82-9efd-0cdee8e62276" label="13">
    <para> Art. 72, tweede lid, Sr. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_aedd8831-f51a-4924-8911-4d5435787ec0" label="14">
    <para> Rb. Amsterdam, 21 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1005.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ecf5ac2c-b04b-4009-8c91-331308bc47e4" label="15">
    <para> Rb. Amsterdam, 19 september 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:6164. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_5c913106-e00e-4e09-bf61-ab5e6adf1bb2" label="16">
    <para> De raadsman heeft in dit verband verwezen naar Rb. Amsterdam, 28 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:606. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_dd1bd92c-4ad6-4f37-9e07-57014336c045" label="17">
    <para> De officier van justitie heeft in dit verband verwezen naar Rb. Amsterdam, 28 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:606. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>