<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2026:1705</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-23T07:43:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-323122-25</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:1705">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:1705</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T16:13:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2026:1705 Rechtbank Amsterdam , 17-02-2026 / 13-323122-25</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2026:1705:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolgings-EAB Italië. Overlevering toegestaan. Identiteit van de opgeëiste persoon. De rechtbank gaat ervan uit dat sprake is van een kennelijke verschrijving in de geboortedatum in het EAB. Genoegzaamheidsverweer verworpen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een genoegzame omschrijving van de strafbare feiten waarvan de opgeëiste persoon in Italië wordt verdacht en dat voldoende duidelijk is in welke mate hij bij deze feiten betrokken zou zijn geweest. Artikel 11 OLW. Detentieomstandigheden in Italië. Verweer raadsman verworpen. In eerdere uitspraak is geen algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten meer aangenomen ten aanzien van gedetineerden die een gevangenisstraf uitzitten in Italië. De raadsman heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit een algemeen reëel gevaar van schending van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie blijkt. Artikel 11 OLW staat dan ook niet aan overlevering van de opgeëiste persoon in de weg.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2026:1705:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-323122-25 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 17 februari 2026 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 5 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_ee1591f0-ce3e-4037-87a7-2400510cd5ed" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juni 2025 door de rechter belast met het vooronderzoek van de Rechtbank Reggio Calabria (<emphasis role="italic">Giudice Indagini Preliminari del Tribunale di Reggio Calabria</emphasis>), Italië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag 1] 1991 in [geboorteplaats] (voormalig Sovjet-Unie), </para>
      <para>zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para> nu gedetineerd in [detentieadres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. G.N. Weski, advocaat in Rotterdam, en door een tolk in de Georgische taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_073ef61d-04ab-47c3-8aa7-435cb6680449" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Georgische nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft bepleit dat de overlevering moet worden geweigerd. De verschenen persoon is niet de opgeëiste persoon waarvoor de overlevering wordt verzocht. Het EAB vermeldt immers als geboortedatum [geboortedag 2]  1991, terwijl de verschenen persoon is geboren op [geboortedag 1]  1991. De rechtbank kan dit niet als een kennelijke verschrijving aannemen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om aan de Italiaanse autoriteiten om opheldering te vragen ten aanzien van de identificatie van de opgeëiste persoon. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>Volgens de officier van justitie is het niet aannemelijk dat sprake is van een persoonsverwisseling. Hiervoor vindt hij van belang dat de opgeëiste persoon reeds in een eerder stadium had kunnen aangeven dat hij niet de betreffende persoon is waarvoor de overlevering wordt verzocht, in plaats van dit pas ter zitting naar voren te brengen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een kennelijke verschrijving.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>Nu de identiteitsgegevens van de in het kader van de overleveringsprocedure voor de rechtbank verschenen persoon niet geheel overeenkomen met de identiteitsgegevens die in het EAB staan vermeld is het aan de rechtbank om vast te stellen of de verschenen persoon inderdaad de door de uitvaardigende justitiële autoriteit gezochte opgeëiste persoon betreft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt dat de voor- en achternaam, de geboortedag, het geboortejaar, de geboorteplaats- en land en de woonplaats in [land] van de opgeëiste persoon overeenkomen met die van de verschenen persoon. Dat maakt dat het dermate onwaarschijnlijk is dat het EAB ziet op een andere persoon dan de verschenen persoon, dat de rechtbank er daarom van uitgaat dat er sprake is van een kennelijke verschrijving in de geboortedatum zoals genoemd in het EAB. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank dan ook geen reden om nadere vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB – in samenhang gelezen met het A-formulier – vermeldt een bevel tot toepassing van de toezichtmaatregel van voorlopige hechtenis in de gevangenis uitgevaardigd door <emphasis role="italic">the judge for preliminary investigations at the Court of Reggio Calabria</emphasis> met kenmerk N. 426123 R.G.N.R. D.D.A., NR. 524124 R.G.I.P. D.D.A., NR. 612024 R. O.C.C. D.D.A. De rechtbank constateert dat, alhoewel niet wordt vermeld op welke datum dit bevel is uitgevaardigd, hiermee voldoende herleidbaar is welk nationaal aanhoudingsbevel aan het EAB ten grondslag ligt.<footnote-ref linkend="_d127d28c-0afd-404c-9ac2-a12b29f1fc81" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Italiaans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_7ed4f4f0-764a-451f-8da2-b127b14e058e" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Genoegzaamheid </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft bepleit dat de overlevering dient te worden geweigerd, omdat uit de feitenomschrijving in het EAB niet blijkt dat de opgeëiste persoon strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het EAB bevat weliswaar een omvangrijke uiteenzetting van feiten, maar de rol van de opgeëiste persoon zou slechts een ondergeschikte rol zijn. Zo wordt hem verweten dat hij zijn rekening ter beschikking heeft gesteld en dat met zijn rekening betalingen zijn gedaan aan leden van de vermeende organisatie en smokkelschippers. Uit het EAB zou ten minste moeten blijken op basis waarvan de opgeëiste persoon redelijkerwijs wist, of kon vermoeden, dat zijn rekening werd misbruikt voor criminele doeleinden. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om aan de Italiaanse autoriteiten op dit punt aanvullende vragen te stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>Volgens de officier van justitie is het EAB genoegzaam. De feitenomschrijving in het EAB is voldoende duidelijk, waardoor de opgeëiste persoon weet voor welke strafbare feiten de overlevering wordt verzocht. Dat de rol van opgeëiste persoon volgens de raadsman slechts ondergeschikt is, doet daar niet aan af. De verdenking ziet immers ook op deelname aan een criminele organisatie. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. In deze zaak is het volgende van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de feitenomschrijving in onderdeel e) van het EAB en uit het A-formulier blijkt dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie die zich bezighoudt met de smokkel van illegale immigranten. Volgens de verdenking, zoals blijkt uit het EAB, zou de opgeëiste persoon in de periode 2017-2022 in [plaats] (Italië) als financiële tussenpersoon hebben opgetreden. Hij zou zich onder meer hebben bezighouden met de overdracht van sommen geld aan familieleden van zogenoemde “smokkelschippers”. Tot slot vermeldt het EAB dat de rol van de opgeëiste persoon als ‘deelnemer’ wordt aangemerkt. De rechtbank merkt daarbij op dat de rolverdeling binnen de criminele organisatie in het EAB zeer uitgebreid staat beschreven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een genoegzame omschrijving van de strafbare feiten waarvan de opgeëiste persoon in Italië wordt verdacht en dat voldoende duidelijk is in welke mate hij bij deze feiten betrokken zou zijn geweest. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in Italië wordt verdacht, zal later in Italië moeten blijken. De gerechtvaardigdheid van de verdenkingen tegen de opgeëiste persoon hoeft in de onderhavige procedure niet te worden onderbouwd met bewijsmateriaal. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verweer van de raadsman wordt verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feiten vermeld in bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">deelneming aan een criminele organisatie;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	mensenhandel.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Italië maximaal een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in Italië</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft bepleit dat de overlevering moet worden geweigerd. Het is aannemelijk dat sprake is van schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), omdat sprake is van zorgwekkende detentieomstandigheden in Italië. De raadsman heeft hierbij verwezen naar het rapport van <emphasis role="italic">the Comittee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishmen</emphasis>t (hierna: CPT) van 13 december 2024<footnote-ref linkend="_a6624b7e-b042-4228-82de-56841eb0c8b3" /> en naar een onderzoek van <emphasis role="italic">The Global Detention Project</emphasis>.<footnote-ref linkend="_cb3dbcf3-7289-4709-ac11-bd0b933b42f7" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat onderzoek moet worden gedaan naar de detentieomstandigheden en een detentiegarantie moet worden opgevraagd bij de Italiaanse autoriteiten voordat de overlevering kan worden toegestaan. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit verzoek verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank.<footnote-ref linkend="_cb60aa73-98b2-4049-802a-00af97d5a42e" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>Volgens de officier van justitie is geen sprake van een algemeen reëel gevaar dat personen die in Italië zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld in verband met detentieomstandigheden in Italiaanse detentiecentra. Een detentiegarantie is dus niet nodig. Ter onderbouwing hiervan heeft de officier van justitie verwezen naar eerdere uitspraken van deze rechtbank.<footnote-ref linkend="_29233cb9-9af4-4d81-ab1f-6892888668ab" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank overweegt dat zij in een eerdere uitspraak van 27 mei 2025 geen algemeen reëel gevaar van schending van grondrechten meer heeft aangenomen ten aanzien van gedetineerden die een gevangenisstraf uitzitten in Italië.<footnote-ref linkend="_27fcfdfe-c6e0-4bf0-9b2d-a9c777c7b3b9" />Het door de raadsman aangehaalde CPT-rapport ziet op een ad hoc bezoek aan detentiecentra waar vreemdelingen verblijven in afwachting van hun uitzetting of verwijdering uit het land. Dit CPT-rapport heeft geen betrekking op Penitentiaire Instellingen en is reeds daarom niet relevant. Dit geldt ook voor de informatie op de website van de <emphasis role="italic">Global Detention Project</emphasis>, die eveneens betrekking heeft op omstandigheden in detentiecentra waar vreemdelingen verblijven. De raadsman heeft daarnaast geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit een algemeen reëel gevaar van schending van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie blijkt voor personen die een gevangenisstraf uitzitten in Italië vanwege de zorgwekkende detentieomstandigheden aldaar. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of sprake is van een concreet gevaar voor de opgeëiste persoon dat zijn grondrechten zullen worden geschonden. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding hierover nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende autoriteit. Geconcludeerd wordt dat artikel 11 OLW niet aan de overlevering in de weg staat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[de opgeëiste persoon] </emphasis>aan de rechter belast met het vooronderzoek van de Rechtbank Reggio Calabria (<emphasis role="italic">Giudice Indagini Preliminari del Tribunale di Reggio Calabria</emphasis>), Italië voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,</para>
      <para>mrs. E. van den Brink en L. Sanders, rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 februari 2026.	</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_ee1591f0-ce3e-4037-87a7-2400510cd5ed" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_073ef61d-04ab-47c3-8aa7-435cb6680449" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d127d28c-0afd-404c-9ac2-a12b29f1fc81" label="3">
    <para> Vgl. ECLI:NL:RBAMS:2012:BW0091</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7ed4f4f0-764a-451f-8da2-b127b14e058e" label="4">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a6624b7e-b042-4228-82de-56841eb0c8b3" label="5">
    <para>
      <emphasis role="italic">Report to the Italian Government on the visit to Italy carried out by the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) from 2 to 12 April 2024</emphasis>.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cb3dbcf3-7289-4709-ac11-bd0b933b42f7" label="6">
    <para> https://www.globaldetentionproject.org/reports-of-inhumane-conditions-and-worrying-lack-of-transparency-at-milans-cpr</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cb60aa73-98b2-4049-802a-00af97d5a42e" label="7">
    <para> Rb. Amsterdam 19 maart 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1760.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_29233cb9-9af4-4d81-ab1f-6892888668ab" label="8">
    <para> Rb. Amsterdam 19 juni 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4260, Rb. Amsterdam 4 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6851 en Rb. Amsterdam 17 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7075.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_27fcfdfe-c6e0-4bf0-9b2d-a9c777c7b3b9" label="9">
    <para> Rb. Amsterdam 27 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3475.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>