<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2026:1394</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-13T15:45:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-297778-25 (EAB I)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:1394">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:1394</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-13T14:43:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2026:1394 Rechtbank Amsterdam , 03-02-2026 / 13-297778-25 (EAB I)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2026:1394:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolgings- en executie-EAB uit Polen. Gelijkstellingsverweer verworpen nu niet middels stukken een ononderbroken rechtmatig verblijf gedurende vijf jaar is aangetoond. Poolse detentieomstandigheden in remand regime: detentiegarantie afdoende. Overlevering toegestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2026:1394:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-297778-25 (EAB I)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 3 februari 2026 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 14 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_e8e0fc7e-821c-484e-9325-fb90f422ea4d" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 23 februari 2024 door <emphasis role="italic">Sąd Okręgowy W Bydgoszczy, III Wydział Karny</emphasis> (<emphasis role="italic">Regional Court in Bydgoszcz, III Criminal Division), </emphasis>Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold"> [de opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1989 te [geboorteplaats] (Polen), </para>
      <para>feitelijk verblijfadres: [adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting van 7 januari 2026</emphasis>
      </para>
      <para>De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 7 januari 2026 in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. Namens de opgeëiste persoon is aanwezig </para>
      <para>mr. R.F.M. Gerritsen, die waarneemt voor mr. S. de Goede, beiden advocaat in Breda. De opgeëiste persoon is niet verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Zitting van 27 januari 2026</emphasis>
      </para>
      <para>Op deze zitting is de behandeling van het EAB opnieuw aangevangen in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_6cd7f09d-5c36-4299-b442-16e74c2708bf" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het vervolgingsdeel</emphasis>
      </para>
      <para>Het EAB vermeldt een:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- <emphasis role="italic">decision of the District Court in Bydgoszcz dated October 25,2023,files reference number III Kp 426/23 on application with reference to [de opgeëiste persoon] a preventive measure in the form of temporary arrest for the period of 14 days from the date of his apprehension for the case of the District Public Prosecutor's office Bydgoszcz-Pótnoc in Bydgoszcz, files reference number PR 1 Ds. 795.2019</emphasis>;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- <emphasis role="italic">decision of the District Court in Bydgoszcz dated October 9, 2023, files reference number IX Kp 415/23 on application with reference to [de opgeëiste persoon] a preventive measure in the form of temporary arrest for the period of 14 days from the date of his apprehension for the case of the District Public Prosecutor's office Bydgoszcz-Pótnoc in Bydgoszcz, files reference number PR 5 Ds. 208.2019</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_87204183-12fe-4fbd-872f-8d36bac86452" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het executiedeel</emphasis>
      </para>
      <para>Tevens vermeldt het EAB een:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>A. <emphasis role="italic">judgment of the District Court in Bydgoszcz as of August 10, 2017, files reference number IV K 49/17</emphasis>;<?linebreak?>B. <emphasis role="italic">judgment of the District Court in Bydgoszcz as of June 30, 2014, files reference number XVI K 2154/13</emphasis>;<?linebreak?>C. <emphasis role="italic">judgment of the District Court in Bydgoszcz as of January 15, 2016, files reference number IV K 804/15</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt ten aanzien van deze vonnissen verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen voor de duur van respectievelijk drie jaar (IV K 49/17), nog geheel te ondergaan, één jaar (XVI K 2154/13), waarvan nog elf maanden en tien dagen resteren, en acht maanden (IV K 804/15), waarvan nog zeven maanden en 28 dagen resteren. Deze vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_b315706e-cef5-4bc7-a0a2-2dda275b744b" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het standpunt van de raadsman en de officier van justitie </emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman en officier van justitie hebben zich – kortgezegd – op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het oordeel van de rechtbank </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis met nummer IV K 49/17</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In onderdeel d) van het EAB is vermeld dat de opgeëiste persoon tijdens het verhoor in het vooronderzoek het feit heeft bekend. De opgeëiste persoon is tijdens dit verhoor gewezen op de verplichting om iedere adreswijziging door te geven en de oproeping voor de zitting is naar het toenmalige verblijfadres van de opgeëiste persoon gestuurd. Op dat adres is op </para>
      <para>19 juni 2017 en op 27 juni 2017 een bericht achtergelaten dat het poststuk afgehaald kan worden bij het postkantoor. Op grond van het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het feit waarvan hij werd verdacht, alsmede dat hij er rekening mee moest houden dat er een vervolging tegen hem zou worden ingesteld en dat hij daarover officiële correspondentie zou ontvangen op het adres dat hij had opgegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze omstandigheden maken dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De opgeëiste persoon had kunnen en moeten weten dat een strafproces tegen hem aanhangig was. De rechtbank is daarom van oordeel dat de opgeëiste persoon, voor zover hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis met nummer XVI K 2154/13</emphasis>
      </para>
      <para>Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 3 december 2025 is de vrijheidsstraf aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van <emphasis role="italic">the District Court in Bydgoszcz</emphasis> van 19 september 2017 (referentie IX Ko 1114/17) is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen vanwege twee nieuwe veroordelingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023<footnote-ref linkend="_adb4ad85-1baa-4449-8667-3afbee1391c4" /> volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing tot tenuitvoerlegging van 19 september 2017 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Die beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.<footnote-ref linkend="_d0090018-5611-4800-8430-1ab9295b3d81" /> De processen die hebben geleid tot de nieuwe veroordelingen moeten wel aan artikel 12 OLW worden getoetst. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eén van deze processen is het vonnis met nummer IV K 804/15. Zoals hierna zal worden overwogen, was de opgeëiste persoon bij dit proces aanwezig waardoor de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet aan de orde is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het andere proces dat heeft geleid tot de tenuitvoerlegging is het vonnis van 19 november 2015 van <emphasis role="italic">the District Court in Bydgoszcz</emphasis> (IV K 752/15). Op grond van de aanvullende informatie van 26 november 2025 van de uitvaardigende justitiële autoriteit stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op 21 oktober 2015 in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gesteld van de tijd en plaats van de zitting en is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vonnis met nummer IV K 804/15</emphasis>
      </para>
      <para>Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Conclusie</emphasis>
      </para>
      <para>De weigeringsgrond van artikel 12 OLW staat niet aan overlevering in de weg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het vervolgingsdeel</emphasis>
        </para>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	oplichting.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten  achterwege moet blijven.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het executiedeel</emphasis>
        </para>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">verduistering;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">opzetheling, meermalen gepleegd.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW en 6a OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het standpunt van de raadsman </emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander, nu over de jaren 2017 tot en met 2021 een ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland is aangetoond. Indien de rechtbank van oordeel is dat de opgeëiste persoon inderdaad voldoet aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling, heeft de raadsman de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de informatie en stukken die verder nodig zijn op te vragen bij de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) en de Poolse autoriteiten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het standpunt van de officier van justitie </emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet met een Nederlander gelijk kan worden gesteld. Hij heeft daarbij gewezen op de wirwar aan verschillende adressen, waarvan sommige in Polen, die op meerdere overgelegde stukken worden vermeld. Op basis hiervan kan geen ononderbroken verblijf gedurende vijf jaren worden vastgesteld. Daarbij komt dat uit het aantal gewerkte uren ook niet kan worden afgeleid dat het niet anders kan dan dat de opgeëiste persoon in Nederland moet hebben verbleven. Bovendien heeft de opgeëiste persoon niet voldaan aan de inkomenseis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het executiedeel</emphasis>
      </para>
      <para>Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:</para>
    </parablock>
    <para>1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;</para>
    <para>2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De eerste voorwaarde</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt allereerst dat, ondanks dat de raadsman hier meermalen op is gewezen, een schriftelijke toelichting op en een conclusie op grond van de overgelegde stukken ontbreekt over waar de opgeëiste persoon zou hebben verbleven gedurende een ononderbroken periode van vijf jaren, alsmede een berekening van de inkomsten uit rechtmatige werkzaamheden per jaar over die jaren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van die stukken stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon in de Basisregistratie Personen nooit ingeschreven heeft gestaan op een adres in Nederland. Uit de overgelegde stukken volgt voor het eerst een adres in Nederland op de jaaropgave over 2017, waarbij als ingangsdatum van indiensttreding de datum 20 september 2017 staat vermeld. De rechtbank neemt daarom die datum als startdatum om een ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland te toetsen. De rechtbank stelt vervolgens vast dat, hoewel op sommige stukken een adres in Nederland wordt vermeld, concrete stukken waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk op die adressen heeft verbleven, ontbreken. Dat klemt te meer, nu de opgeëiste persoon op de zitting heeft verklaard dat hij sommige woningen particulier heeft gehuurd, zodat het op zijn weg had gelegen om daarover stukken zoals een huurovereenkomst of bewijzen van huurbetalingen te verstrekken. Bovendien kan op basis van het aantal gewerkte uren niet voor alle jaren binnen de vijfjaarsperiode worden vastgesteld dat het niet anders kan dan dat de opgeëiste persoon in Nederland moet hebben verbleven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu niet aan het eerste vereiste voor gelijkstelling is voldaan, behoeft het tweede vereiste geen bespreking meer. De rechtbank verwerpt het verweer. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het vervolgingsdeel</emphasis>
      </para>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat het beroep op artikel 6, eerste en derde lid, OLWevenmin kan slagen.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest <?linebreak?></title>
    <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_a8a421f8-5df1-4d12-8fa3-9e53cba4831a" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben of een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_7f067930-52dd-4bc3-b45a-66f8dacc93d7" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Artikel 11 OLW: Poolse detentieomstandigheden in remand prisons</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft eerder geoordeeld<footnote-ref linkend="_b2f8bd9b-5502-4098-ab36-09150dfeb9b0" /> dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van</para>
      <para>schending van de grondrechten van gedetineerden die in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> in Polen</para>
      <para>terechtkomen. Het kernpunt is dat in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis>, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> in Polen waar hij zal worden gedetineerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het kader van dit onderzoek heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (hierna: IRC) op </para>
      <para>19 november 2025 de volgende vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“1. Could you please inform me whether [de opgeëiste persoon] , immediately after surrender, will most likely be detained in the remand regime in Poland?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">If so, please also answer the following:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">On 05.06.2024, in another surrender case, the Court of Amsterdam ruled that there is a general real risk of violation of fundamental rights for remand prisoners in Poland. The reason is prisoners in the remand regime have 3 – 4 m2 of personal space while they can spend up to 23 hours per day in their cell. Therefore, the Court of Amsterdam requires more information on the time that prisoners can spend outside of their cell. The Court has stated that this general real risk of ill-treatment can be repaired with a </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">guarantee that the wanted person will be able to spend at least 2 hours per day outside of his cell. The Court also understands that such a guarantee cannot always be given because the time spent outside of the cell is dependent on many different factors. If such a guarantee cannot be given, the Court will require more information on how much time the wanted person will be able to spend outside of his cell under normal circumstances and if he requests to participate in the activities offered by the prison.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Therefore, I would like to ask you to provide me with the following information:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">2. In which remand prison will [de opgeëiste persoon] most likely be detained after his surrender?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">3. How much m2 personal space (excluding sanitary facilities) will [de opgeëiste persoon] have in a multi-occupancy cell? In case [de opgeëiste persoon] will be provided with an amount of personal space between 3 and 4 square meters (excluding sanitary facilities) in a multi-occupancy cell, could you please answer the following question(s):</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">4. Can you guarantee that the wanted person will be able to spend at least two hours per day outside of his cell?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">5. If not, how many hours per day on average would [de opgeëiste persoon] , under normal circumstances, be able to spend outside his cell at a minimum if he took advantage of all opportunities offered to him to leave his cell?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">The Court requests information on:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- Which activities the wanted person can participate in;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- The areas the wanted person can access daily (such as sport facilities, the library,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">common rooms, etc.);</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">The frequency of such activities and how much time the wanted person can access</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">the common areas outside of the cell;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">- Whether the permission to participate in activities or access to common areas</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">is dependent on certain conditions or procedural rules and, if that is the case, which</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">conditions or procedural rules; and/or</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- <emphasis role="italic">Any other provisions or measures by which the Court can decide that the general risk of ill-treatment has been discounted.”</emphasis></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Poolse autoriteiten hebben deze vragen op 26 november 2025 als volgt beantwoord:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“1. Het is niet makkelijk vooraf te zien, of [de opgeëiste persoon] onverwijld na zijn overlevering in het huis van bewaring in Polen zal worden aangehouden, omdat hij in drie diverse strafzaken gezocht wordt en in elke van die zaken zal de behandelende officier van justitie over een eventuele vordering tot tijdelijke hechtenis van de verdachte gaan beslissen. Zeker zal hij enkele dagen vanaf het moment van de overlevering tot het moment van het verhoor door de afzonderlijke officieren van justitie zal [de opgeëiste persoon] in hechtenis verblijven. </emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">2. [de opgeëiste persoon] zal waarschijnlijk in het huis van bewaring worden geplaatst [Areszt Śledczy] te Bydgoszcz in de straat Wały Jagiellońskie 4. De regel is, dat de autoriteit, ter beschikking waarvan de voorlopig gedetineerde blijft, in het bevel tot opname de plaats van zijn/haar detentie opgeeft</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">3.	De oppervlakte van de wooncel, die op één gedetineerde toekomt, bedraagt tenminste 3 m2.</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">4.	Het parket is niet in staat te waarborgen, dat de verdachte persoon tenminste 2 uur per dag buiten zijn/haar cel zal kunnen verblijven. Een gedetineerde heeft recht op tenminste 1 uur wandeling buiten per dag.</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">5.	De voorlopig gehechten hebben toegang op cultureel-educatieve en sportactiviteiten georganiseerd in recreatieruimtes en op sportvelden. Op het terrein van het huis van bewaring worden onder meer virtuele e­sport activiteiten georganiseerd met gebruik van gaming consoles, sportactiviteiten op sportvelden, kunstactiviteiten, muziekactiviteiten, deelname aan historische en andere tentoonstellingen. De tijd voor gebruik van de cultureel-educatieve en sportactiviteiten is afhankelijk van het vastgestelde dagprogramma. Men dient ook denken aan de tijden bestemd voor maaltijden, persoonlijke hygiëne, medische spreekuren en andere voorzorg-activiteiten. De voorlopig gehechten melden hun wil tot deelname aan de activititeiten georganiseerd buiten de wooncel zelfstandig bij de penitentiair inrichtingswerker. De beslissing wordt genomen op de dag van melding van de wens - na hat vaststellen van de beschermingsregels voor de gedetineerden.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hierop heeft het IRC op 15 december 2025 de volgende nadere vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“1. Could you please confirm that the personal space of at least 3m2, as indicated in the additional information of 26.11.2025, is excluding sanitary facilities?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">2. How many hours a day, at least, would [de opgeëiste persoon] be able to spend outside his cell in the detention centre in Bydgoszcz? Could you, in your answer, please elaborate more on the duration of daily activities and the possibilities for detainees to use the common room and/or other areas the requested person can access daily?”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Poolse autoriteiten hebben deze vragen op 2 januari 2026 als volgt beantwoord:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“1.	De oppervlakte van de wooncel, die op één gedetineerde toekomt en die tenminste 3 m2 bedraagt, is exclusief de afgezonderde delen van de sanitaire ruimtes, en daarnaast is exclusief de nis voor het raam en voor de radiator en exclusief de oppervlakte buiten de tralies van de binnenwand.</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">2.	Zoals het blijkt uit de informatie van het huis van bewaring, is het niet mogelijk om precies vast te stellen, hoeveel uren per dag de verdachte persoon buiten zijn cel zal mogen verblijven. Er is op dat gebied geen gedetailleerde tijdschema, duur van de dagelijkse activiteiten, en de hoeveelheid uren buiten de cel kan gevolg zijn van de classificering toegedeeld aan de verdachte persoon door de penitentiaire commissie pas nadat hij in het detentiehuis wordt geplaatst.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens heeft het IRC op 19 januari 2026 aan de Poolse autoriteiten onderstaande garantie voorgelegd die in een andere overleveringszaak is verstrekt ten aanzien van de detentie-instelling in Bydgoszcz en die door de rechtbank destijds als afdoende is beschouwd. Het IRC heeft daarbij de vraag gesteld of de informatie ook voor de opgeëiste persoon geldt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“Temporarily detained inmates have the right, in particular, to at least an hour's walk and the opportunity to participate in organized cultural and educational activities outside their housing cells, which, depending on the nature of the activities, may last from 40 to 90 minutes. In addition, the detainee can use the common room, which is</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">located in each residential unit, depending on the needs of the detainees, they can also stay in the common room using the available equipment/supplies. The time of use of the common room is restricted only by a break for administrative activities such as: eating meals, bathing, walking.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 20 januari 2026 hebben de Poolse autoriteiten als volgt geantwoord:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“In response to the email of January 19, 2026, I would like to inform you that all information contained in the letter of November 26, 2025 and in the letter of January 2, 2026 also applies to [de opgeëiste persoon] .”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op de vraag van het IRC van 20 januari 2026 of de garantie zoals vermeld op 19 januari 2026 ook op de opgeëiste persoon van toepassing is als hij na overlevering in de detentie-instelling in Bydgoszcz zal worden geplaatst, hebben de Poolse autoriteiten op 21 januari 2026 geantwoord:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“yes, the information provided applies to this situation.”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie onvoldoende is om voor de opgeëiste persoon het gevaar van schending van zijn grondrechten weg te nemen. De latere bevestiging dat de verstrekte garantie uit een andere overleveringszaak ook geldt voor de opgeëiste persoon, lijkt in tegenspraak te zijn met de eerder verstrekte informatie waarin een dergelijke tijdsindicatie niet kon worden gegeven. De behandeling van de zaak moet daarom worden aangehouden om de Poolse autoriteiten hierover nader te bevragen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie voldoende is, zodat geen gevaar van een schending van artikel 4 van het Handvest meer bestaat voor de opgeëiste persoon. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het oordeel van de rechtbank </emphasis>
      </para>
      <para>Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de door de Poolse autoriteiten gegeven garantie, verstrekt met de aanvullende informatie van 21 januari 2026.<footnote-ref linkend="_62cd8598-0466-4c29-9bb1-dd4dd7a38f1a" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering naar alle waarschijnlijkheid in <emphasis role="italic">Areszt Śledczy </emphasis>in<emphasis role="italic"> Bydgoszcz </emphasis>wordt gedetineerd en dat ten minste 3 m2 persoonlijke leefruimte, exclusief sanitair, in een meerpersoonscel wordt gegarandeerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld<footnote-ref linkend="_8a8179c0-236c-4672-b086-45b916474053" />, wordt het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 en 4 m2 <emphasis role="italic">in ieder geval </emphasis>weggenomen met de garantie dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Als de autoriteiten een dergelijke garantie niet kunnen geven, heeft de rechtbank concrete informatie nodig met betrekking tot de vraag hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden – wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen – gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. Met andere woorden: de rechtbank heeft informatie nodig waaruit blijkt aan welke activiteiten de opgeëiste persoon dagelijks kan deelnemen, de duur van die activiteiten, én de omstandigheden waarvan die deelname en die duur afhankelijk zijn. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de aanvullende informatie van 21 januari 2026, gelezen in samenhang met de vraagstelling van het IRC op 19 en 20 januari 2026, begrijpt de rechtbank dat de opgeëiste persoon ten minste één uur per dag kan wandelen en daarnaast de mogelijkheid krijgt om dagelijks deel te nemen aan culturele en educatieve activiteiten buiten zijn cel, met een duur van 40 tot 90 minuten. In aanvulling daarop kan de opgeëiste persoon dagelijks gebruik maken van de gemeenschappelijke ruimten, afhankelijk van zijn behoefte en met uitzondering van de tijd die nodig is voor administratieve activiteiten. Op grond van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van deze verstrekte garanties. In het feit dat de Poolse autoriteiten op 26 november 2025 en 2 januari 2026 hebben meegedeeld dat zij geen exacte uren kunnen vaststellen dat de opgeëiste persoon per dag buiten de cel zou mogen verblijven, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de nadien verstrekte garanties. Daarvoor vindt de rechtbank overigens ook steun in het feit dat het haar ambtshalve bekend is dat de garantie vaker is verstrekt ten aanzien van de detentie-instelling in Bydgoszcz.<footnote-ref linkend="_a5d15dcd-d88b-4cf5-bd33-0e7724b728d0" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het algemene reële gevaar voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en ziet geen aanleiding om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>10</nr>Toepasselijke wetsartikelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 321 en 416 Wetboek van Strafrecht, 2, 3, 10 en 11 Opiumwet en 2, 5, 7 en 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>11</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[de opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">Sąd Okręgowy W Bydgoszczy, III Wydział Karny (the Regional Court in Bydgoszcz, III Criminal Division), </emphasis>Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,</para>
      <para>mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 februari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_e8e0fc7e-821c-484e-9325-fb90f422ea4d" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6cd7f09d-5c36-4299-b442-16e74c2708bf" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_87204183-12fe-4fbd-872f-8d36bac86452" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b315706e-cef5-4bc7-a0a2-2dda275b744b" label="4">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_adb4ad85-1baa-4449-8667-3afbee1391c4" label="5">
    <para> HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (<emphasis role="italic">Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)</emphasis>). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d0090018-5611-4800-8430-1ab9295b3d81" label="6">
    <para> HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (<emphasis role="italic">Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)</emphasis>), punt 53.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a8a421f8-5df1-4d12-8fa3-9e53cba4831a" label="7">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7f067930-52dd-4bc3-b45a-66f8dacc93d7" label="8">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793 en ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b2f8bd9b-5502-4098-ab36-09150dfeb9b0" label="9">
    <para> Rechtbank Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311</para>
  </footnote>
  <footnote id="_62cd8598-0466-4c29-9bb1-dd4dd7a38f1a" label="10">
    <para> HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8a8179c0-236c-4672-b086-45b916474053" label="11">
    <para> Rb Amsterdam 25 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7088.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a5d15dcd-d88b-4cf5-bd33-0e7724b728d0" label="12">
    <para> Naast de zaak waarnaar het IRC in het bericht van 19 januari 2026 heeft verwezen (uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 november 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:9025)) verwijst de rechtbank bijvoorbeeld naar haar uitspraak van 5 december 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:7624).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>