<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2026:1392</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-11T10:11:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-314454-25 (EAB I)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:1392">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:1392</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-11T10:10:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2026:1392 Rechtbank Amsterdam , 10-02-2026 / 13-314454-25 (EAB I)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2026:1392:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tussenuitspraak in Executie-EAB uit Polen. Situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. Aangehouden om gelijktijdig uitspraak te kunnen doen met EAB II waarin wegens de Poolse detentieomstandigheden in remand prisons een redelijke termijn wordt gegeven om te bezien of een wijziging in de omstandigheden zoals bedoeld in artikel 11 OLW zich zal voordoen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2026:1392:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-314454-25 (EAB I)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 10 februari 2026</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">TUSSEN</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 28 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_c536cb78-2929-4610-b16a-e603072e4800" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 2 oktober 2025 door<emphasis role="italic"> the 2nd Criminal Division of the Regional Court in Ostrołęka</emphasis>, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1997, </para>
      <para>	zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,</para>
      <para>gedetineerd in de [detentieplaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 januari 2026, in aanwezigheid van mr. J.J.M. Asbroek, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T.F. Ormel, die waarneemt voor mr. F.D.W. Siccama, beiden advocaat in Amsterdam-Duivendrecht, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_492ff705-c3b9-481c-99d9-af812706481a" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een vonnis van<emphasis role="italic"> the District Court in Ostrołęka </emphasis>van 9 maart 2023, met referentie II K 206/22.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en vier maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, drie maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_24f252c4-247a-49e9-946f-d576257e1e5a" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon betwist namelijk dat de dagvaarding hem in persoon is betekend en dat hij een advocaat zou hebben gemachtigd zoals in onderdeel d) van het EAB staat vermeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. In het EAB is namelijk vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard en dat hij op de zitting is verdedigd door een gemachtigd advocaat. Hierdoor is sprake van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder a en b, OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het oordeel van de rechtbank </emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. Allereerst heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit punt 1.a van onderdeel d) van het EAB niet aangekruist. Daarnaast staat in onderdeel d) onder punt 2 van het EAB als toelichting vermeld dat de dagvaarding ‘<emphasis role="italic">was properly delivered and deemed to have been duly notified and served on him’. </emphasis>Hiermee staat voor de rechtbank niet vast dat de opgeëiste persoon de dagvaarding in zijn handen heeft ontvangen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat wel sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. In het EAB is vermeld dat opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, dat hij een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van die informatie. Er zijn geen objectieve stukken overgelegd waaruit zou blijken dat deze informatie in het EAB onjuist is. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is daartoe niet voldoende. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">- diefstal door twee of meer verenigde personen;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">- diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermaals gepleegd. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU  </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_7962c52c-5945-42ac-b9d3-6dd5d00b711a" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_699fd8f2-fa8a-4eab-b47b-98b0bb362a6c" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Heropening en verlenging beslistermijn </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegelijkertijd met deze zaak heeft de rechtbank EAB II (parketnummer 13-153123-24) ter zitting behandeld. In die zaak heeft de rechtbank, kort gezegd, bij tussenuitspraak het onderzoek heropend in verband met de detentieomstandigheden in het Poolse <emphasis role="italic">remand regime </emphasis>en een redelijke termijn van 30 dagen gesteld, als bedoeld in artikel 11, vierde lid, OLW. Vervolgens zal de rechtbank in die zaak nagaan of binnen die redelijke termijn een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. De voortzetting van de behandeling van EAB II zal uiterlijk op de eerste zittingsdag na het verstrijken van de redelijke termijn (11 maart 2026) of uiterlijk tien dagen daarna worden ingepland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslistermijn van 90 dagen in deze zaak verstrijkt op 25 februari 2026. De rechtbank ziet echter aanleiding de beslistermijn te verlengen met 60 dagen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW, omdat sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in die bepaling. De rechtbank zal namelijk op beide EAB’s gelijktijdig moeten beslissen. Want als de rechtbank nu al een definitieve beslissing inzake EAB I zou nemen waarin de overlevering zou worden toegestaan, dan zou dat betekenen dat de opgeëiste persoon binnen tien dagen na die uitspraak feitelijk moet worden overgeleverd. Er is dan nog geen definitieve inhoudelijke beslissing genomen over EAB II, terwijl de opgeëiste persoon feitelijk niet meer in Nederland verblijft. De rechtbank acht dat een onwenselijke situatie. Daarnaast ziet de rechtbank in de zaak met betrekking tot EAB II geen mogelijkheid om een (zeer) korte redelijke termijn van maximaal tien dagen te stellen om in beide zaken gelijktijdig einduitspraak te doen. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bij een termijn van tien dagen bijzonder weinig tijd om informatie te verstrekken, mede gelet op de tijd die het kost om de uitvaardigende justitiële autoriteit daartoe in de gelegenheid te stellen. Daarbij komt dat na het verstrijken van een redelijke termijn van tien dagen de behandeling van EAB II op een nieuwe zitting voortgezet zal moeten worden om te beoordelen of sprake is van een wijziging van omstandigheden. Met andere woorden; het zal nog enige tijd duren voordat de rechtbank definitief kan beslissen over EAB II. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande betekent dat de rechtbank het onderzoek in deze zaak heropent en voor onbepaalde tijd schorst, zodat beide zaken gelijktijdig kunnen worden afgedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT </emphasis>en<emphasis role="bold"> SCHORST </emphasis>het onderzoek voor onbepaalde tijd, om de zaak gelijktijdig af te doen met de andere zaak van de opgeëiste persoon met parketnummer 13-153123-24 (EAB II).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERLENGT </emphasis>de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen (eindigend op 27 maart 2026), onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEPAALT </emphasis>dat de zaak (samen met de zaak met parketnummer 13-153123-24 (EAB II)) opnieuw wordt ingepland op een zitting in de periode van 11 maart tot en met 20 maart 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van de opgeëiste persoon tegen voornoemde datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman en een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M.C.M. Hamer,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven,					   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland,		                         		    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 februari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_c536cb78-2929-4610-b16a-e603072e4800" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_492ff705-c3b9-481c-99d9-af812706481a" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_24f252c4-247a-49e9-946f-d576257e1e5a" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7962c52c-5945-42ac-b9d3-6dd5d00b711a" label="4">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_699fd8f2-fa8a-4eab-b47b-98b0bb362a6c" label="5">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>.  </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>