<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2026:1033</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-06T08:47:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-308330-25</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_internationaalStrafrecht">Strafrecht; Internationaal strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:1033">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:1033</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-05T10:51:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2026:1033 Rechtbank Amsterdam , 03-02-2026 / 13-308330-25</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2026:1033:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie-EAB uit Polen. De situatie als bedoeld in artikel 12. sub b, OLW is van toepassing. Artikel 11 OLW; er is geen algemeen gevaar voor veroordeelde gedetineerden. Door de raadsman zijn ook geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit zou kunnen volgen dat er een algemeen reëel gevaar bestaat. Evenredigheidsverweer verworpen: De rechtbank begrijpt dat het voor de opgeëiste persoon vervelend is dat hij ondanks zijn binding met Nederland geen beroep heeft kunnen doen op een dergelijke gelijkstelling, maar dat maakt niet dat de overlevering onevenredig is. Overlevering toestaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2026:1033:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-308330-25</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 3 februari 2026</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 21 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_95de1a9b-0a73-475c-977a-7da8b4fcac97" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 7 november 2025 door <emphasis role="italic">Sąd Okręgowy [Circuit Court] Warszawa-Praga in Warsaw, </emphasis>Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] (Polen), </para>
      <para>zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,</para>
      <para>	nu gedetineerd in de [penitentiaire inrichting] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E.B. Jobse, advocaat in Rotterdam, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_d132a8d3-bcd6-45e4-ba9a-ed6363666948" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een <emphasis role="italic">judgement in force of Sąd Rejonowy [District Court] in Wołomin, Polen,</emphasis></para>
      <para>van 14 februari 2020<emphasis role="italic">, file reference: II K 1043/19.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, vijf maanden en zeventien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_4b04cee5-d63b-4078-b691-9c9d2d81f244" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten onvoldoende heeft kunnen uitoefenen. Uit het EAB en de van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie kan niet worden opgemaakt dat de opgeëiste persoon de advocaat expliciet een mandaat heeft gegeven om hem in hoger beroep bij te staan. Er wordt melding gemaakt dat de opgeëiste persoon gebruikt zou hebben gemaakt van een <emphasis role="italic">chosen defense attorney</emphasis>, maar niet is gebleken dat deze advocaat ook door de opgeëiste persoon was gemachtigd om namens hem hoger beroep in te stellen en hem op zitting te vertegenwoordigen. Onder 3.2 van de aanvulling van sectie D van het EAB door Polen van 13 januari 2026 wordt benoemd dat de opgeëiste persoon een mandaat gegeven zou hebben aan een juridisch adviseur, maar niet blijkt dat dit de door de opgeëiste persoon gekozen raadsman is. Daarnaast blijkt uit de aanvullende informatie dat de opgeëiste persoon om een kopie van het vonnis heeft verzocht en hij dat vonnis vervolgens op 18 maart 2020 heeft ontvangen. Het vonnis is hem echter niet in persoon betekend. Ook kan de opgeëiste persoon geen verwijt worden gemaakt dat hij niet in contact is gebleven, gelet op zijn mentale staat in die periode. Omdat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon in persoon is opgeroepen voor de zitting in hoger beroep, niet is gebleken dat het hoger beroep is ingesteld en hij op zitting is vertegenwoordigd door een door hem daartoe gemachtigde advocaat en er ook geen verzetsgarantie is verstrekt, dient de overlevering te worden geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie </emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Uit de door de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie blijkt onder 3.2 dat de opgeëiste persoon in hoger beroep is bijgestaan door een door hem gemachtigde raadsman. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat uitgegaan dient te worden van de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat afgezien kan worden van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW, omdat uit het EAB en de ontvangen aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.<footnote-ref linkend="_ee5f30f3-bc24-4b29-93b1-ca25d4c52846" /> De rechtbank zal daarom de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW toetsen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Uit het EAB en de van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie van 13 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren, en dat tijdens het proces de verdediging ook daadwerkelijk is gevoerd door een gemachtigde raadsman. Het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat uitgegaan wordt van de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie. Bovendien zijn geen objectieve stukken overgelegd waaruit zou blijken dat de informatie in het EAB onjuist is. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is daartoe niet voldoende.</para>
      <para>De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is derhalve niet van toepassing.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder c van de Opiumwet gegeven verbod</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>en</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder c van de Opiumwet gegeven verbod.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Artikel 11 OLW</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_57485831-0a1e-46f4-b93c-65f4734e2b85" /><?linebreak?></para>
        <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_6fbce5c4-dbeb-49b4-8b6e-b7cab6bc2a81" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Poolse detentieomstandigheden</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd. Door de Poolse autoriteiten is een soort algemene detentiegarantie afgegeven voor veroordeelden en het is om die reden vaste jurisprudentie dat er geen algemeen gevaar is voor veroordeelde opgeëisten personen. Gelet op het actuelere CPT- rapport van 22 februari 2022, dat weliswaar ziet op het regime van verdachten, kan de raadsman zich niet aan de indruk onttrekken dat de vele zorgen die in dat rapport geuit worden ook in meerdere of mindere mate van kracht zijn op veroordeelde gedetineerden. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden, om nadere vragen te stellen over de detentieomstandigheden, zodat mogelijke garanties door Polen kunnen worden verstrekt als waarborg tegen het individuele gevaar van onmenselijke behandeling van de opgeëiste persoon. Tevens dient te worden gevraagd in welke detentie-instelling de opgeëiste persoon na zijn overlevering zal worden geplaatst. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Er is door de rechtbank geen algemeen gevaar aangenomen dat veroordeelde gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Polen onmenselijk of vernederend worden behandeld. De behandeling van de zaak hoeft dan ook niet te worden aangehouden om te onderzoeken of dit algemene gevaar voor de opgeëiste persoon kan worden weggenomen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank overweegt dat zij in eerdere uitspraken steeds tot het oordeel is gekomen dat er geen algemeen reëel gevaar bestaat dat veroordeelde gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Polen onmenselijk of vernederend worden behandeld. <?linebreak?></para>
        <para>Nu van een dergelijk <emphasis role="italic">algemeen</emphasis> gevaar voor Poolse gedetineerden geen sprake is, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is van een dergelijk <emphasis role="italic">concreet</emphasis> gevaar voor de opgeëiste persoon. De rechtbank wijst het subsidiair door de raadsman geformuleerde verzoek, stekkende tot aanhouding van de behandeling van de zaak om de Poolse uitvaardigende justitiële autoriteit hier nadere vragen over te stellen, dan ook af. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Evenredigheidsverweer</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman verzoekt de rechtbank, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon en zijn binding met Nederland, geen gevolg te geven aan de overlevering vanwege het onevenredige karakter van de overlevering. De opgeëiste persoon komt op enkele maanden na niet in aanmerking voor gelijkstelling op grond van artikel 6a OLW. Gezien de duur die de opgeëiste persoon in Nederland is en zijn werkgeschiedenis sinds zijn aankomst in Nederland kan er wel degelijk gesproken worden over voldoende binding wat de overlevering onevenredig maakt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het door de raadsman, al dan niet verkapte, gelijkstellingsverweer als bedoeld in artikel 6a OLW te laat is gevoerd, nu de stukken ter onderbouwing van dit verweer één dag en niet de vereiste tien dagen voor de zitting zijn ingediend. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet gelijk kan worden gesteld met een Nederlander, omdat hij niet vijf jaar ononderbroken in Nederland heeft verbleven. De opgeëiste persoon verblijft vier jaar en zes maanden in Nederland en dat is onvoldoende om voor gelijkstelling met een Nederlander in aanmerking te komen. De officier van justitie heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 oktober 2025,<footnote-ref linkend="_c618bd9a-f134-4430-98f9-7e4dbc6f90e2" /> waarin een vergelijkbaar ononderbroken verblijf onvoldoende voor gelijkstelling werd geacht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>De opgeëiste persoon heeft niet aangetoond dat hij vijf jaar ononderbroken in Nederland heeft verbleven. Er is door de raadsman, om die reden, ook geen beroep gedaan op gelijkstelling met een Nederlander als bedoeld in artikel 6a OLW. Voor zover er al sprake is van de omstandigheid dat er in het geval van de opgeëiste persoon net niet is voldaan aan het de vereisten voor gelijkstelling, en hoewel de rechtbank begrip heeft voor de situatie waar de opgeëiste persoon daarmee in terecht komt, heeft de raadsman onvoldoende onderbouwd in het kader van welke toets in het kader van de OLW het net niet voldoen aan de voorwaarden voor gelijkstelling maakt dat een overlevering onevenredig is. </para>
      <para>De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>10</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 47 Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10 en 11 van Opiumwet en de artikelen 2, 5 en 7 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>11</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[de opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">Sąd Okręgowy [Circuit Court] Warszawa-Praga in Warsaw, </emphasis>Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. M. Westerman,	  				                         		    voorzitter,</para>
      <para>mrs. M. Scheeper en L. Baroud,				   		  	       rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos,  						         griffier.</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 februari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_95de1a9b-0a73-475c-977a-7da8b4fcac97" label="1">
    <para> Zie artikel 23 OLW.	</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d132a8d3-bcd6-45e4-ba9a-ed6363666948" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
    <para>ÁG513124276567UÈ </para>
    <para>G513124276567</para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_4b04cee5-d63b-4078-b691-9c9d2d81f244" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ee5f30f3-bc24-4b29-93b1-ca25d4c52846" label="4">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (<emphasis role="italic">Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)</emphasis>), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_57485831-0a1e-46f4-b93c-65f4734e2b85" label="5">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6fbce5c4-dbeb-49b4-8b6e-b7cab6bc2a81" label="6">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c618bd9a-f134-4430-98f9-7e4dbc6f90e2" label="7">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2025:7264</para>
    <para />
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>