<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:9973</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-05T09:13:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/7800</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:9973">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:9973</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-05T09:12:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:9973 Rechtbank Amsterdam , 15-12-2025 / 24/7800</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:9973:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wegslepen e-auto omdat de auto stond geparkeerd op een parkeerplaats die bestemd is voor elektrische voertuigen en niet was aangesloten op een laadpaal. Eigen melding en schade aan de auto maken niet dat de auto niet had mogen worden weggesleept. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:9973:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: AMS 24/7800 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [woonplaats], eiser</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, het college </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: [naam] ).</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om de leaseauto van eiser weg te slepen. Eiser is het niet eens met dat besluit. Eiser verzoekt de rechtbank daarom om het besluit te vernietigen en het college te veroordelen in de (gedeeltelijke) teruggave van de bij hem in rekening gebrachte wegsleepkosten. Ook verzoekt eiser om immateriële schadevergoeding en de teruggave van het griffierecht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen gelijk krijgt.  Het beroep is dus ongegrond en eiser krijgt de wegsleepkosten niet (gedeeltelijk) terug. Ook krijgt eiser het griffierecht niet terug en geen immateriële schadevergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Met het besluit van 24 juni 2024 (het primaire besluit) heeft het college de leaseauto van eiser (hierna; de auto) laten wegslepen, overbrengen en in bewaring laten stellen, omdat de auto stond geparkeerd op een parkeerplaats die bestemd is voor elektrische voertuigen en niet was aangesloten op een laadpaal. De aan het wegslepen verbonden kosten (€ 452,-) heeft het college op eiser verhaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiser heeft op 29 juli 2024 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Met het bestreden besluit van 19 november 2024 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Op 5 augustus 2025 heeft het college op het beroep gereageerd met een verweerschrift.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Heeft het college gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_49e651b4-c0e9-40a4-8d9d-a7ce63118eb7" />
        <emphasis role="underline">?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Eiser voert aan dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door een aantal omstandigheden niet bij de beoordeling van zijn bezwaar te betrekken. Dit  maakt volgens eiser dat het besluit op bezwaar geen stand kan houden en hij (een gedeeltelijke) teruggave moet krijgen van de bij hem in rekening gebrachte wegsleepkosten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Eiser wijst ten eerste op de omstandigheid dat hij op de avond dat de auto is weggesleept zelf een melding heeft gemaakt over een andere auto die foutief geparkeerd stond. Zonder zijn eigen melding was de auto nooit in beeld gekomen bij het college. Eiser voert aan dat hieruit zijn goede intentie blijkt en hij niet bewust of uit onwil handelde. Volgens eiser is hij, ondanks zijn goede bedoelingen, onredelijk hard gestraft door de kosten voor het wegslepen op hem te verhalen. Ten tweede had het college volgens eiser in het besluit op bezwaar rekening moeten houden met de schade die door het wegslepen aan de auto zou zijn ontstaan. Toen eiser de auto ging ophalen merkte hij storingen en gebreken op en gaf ook het dashbord foutmeldingen aan. Volgens de factuur van de garage heeft de reparatie € 179,32,- gekost. Ten slotte had het college volgens eiser de overschrijding van de beslistermijn als verzachtende omstandigheid bij het bestreden besluit moeten betrekken. Volgens eiser heeft het college onzorgvuldig gehandeld door de beslistermijn te laten verstrijken en de omstandigheid dat hij het college zelf heeft moeten herinneren aan de termijnen. Ook brengt eiser naar voren dat hij nog geen dwangsom van het college heeft ontvangen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. De rechtbank neemt aan dat eiser niet uit onwil handelde door zijn auto niet aan te sluiten op een laadpaal. Het is aannemelijk dat eiser met alle goede bedoelingen een melding heeft gemaakt bij de gemeente over een andere foutief geparkeerde auto en het daarom wrang voelt dat mogelijk deze melding ertoe heeft geleid dat de auto is weggesleept. Dat betekent echter niet dat het college de auto niet mocht wegslepen en de kosten daarvan niet heeft mogen verhalen op eiser. In de regel gaan uitoefening van bestuursdwang en kostenverhaal samen en kunnen alleen bijzondere omstandigheden het bestuursorgaan ertoe nopen om geheel of gedeeltelijk van kostenverhaal af te zien. Dat eiser met goede bedoelingen en niet uit onwil handelde is niet zo’n omstandigheid. De wetgever heeft de mogelijkheid tot handhaving in een situatie dat een auto in strijd met de voorschriften op de weg staat juist niet afhankelijk gesteld van opzet. Het in strijd met de voorschriften parkeren van de auto kan dus op zichzelf en los van de intentie van de overtreder handhaving en kostenverhaal rechtvaardigen. De rechtbank volgt het college verder in zijn standpunt dat het betreurenswaardig is dat er tijdens het wegslepen schade zou zijn ontstaan aan de auto, maar dat ook die schade niet kan leiden tot (een gedeeltelijke) teruggave van de wegsleepkosten. Eiser heeft de gemaakte kosten inmiddels vergoed gekregen van het leasebedrijf. Daarnaast wordt het handelen van het college en de daaruit voortvloeiende gestelde schade beoordeeld door het [bedrijf] en heeft het college daar niet in het kader van het bestreden besluit op moeten beslissen. Voor wat betreft de overschrijding van de beslistermijn heeft het college terecht aangevoerd dat deze termijn een termijn van orde is en geen fatale termijn. Bovendien doet de termijnoverschrijding niet af aan de bevoegdheid van het college tot handhaving en bijbehorend kostenverhaal. Het college heeft op zitting bevestigd dat aan eiser een dwangsom is toegekend. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Voor zover eiser een beroep doet op het evenredigheidsbeginsel<footnote-ref linkend="_75da15ce-c4b2-4f37-868c-698dac5753b2" />, is de rechtbank niet gebleken van zodanig bijzondere omstandigheden die maken dat de gevolgen van het bestreden besluit onredelijk bezwarend zijn voor eiser.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college niet onzorgvuldig gehandeld en mocht zij de kosten voor het wegslepen (€ 452,-) verhalen op eiser. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Moet het college een immateriële schadevergoeding aan eiser betalen?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Eiser voert aan dat hij immateriële schade heeft geleden, omdat hij meerdere dagen de auto niet heeft kunnen gebruiken om voor zijn werk klanten te bezoeken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Nog los van de omstandigheid dat eiser de gestelde immateriële schade niet heeft onderbouwd, komt eiser niet in aanmerking voor een schadevergoeding. Gelet op wat de rechtbank onder 4 heeft overwogen, is er namelijk geen sprake van schade die in verband staat met een onrechtmatig besluit.<footnote-ref linkend="_c292f373-c9a0-42ef-b401-5066cf33277a" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt de wegsleepkosten en het griffierecht niet terug een geen immateriële schadevergoeding.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond; </para>
    <para>- wijst het verzoek om schadevergoeding af. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Klinkhamer, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Kroft, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
              <para>
                <emphasis role="italic">De griffier is verhinderd te ondertekenen</emphasis>
              </para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_49e651b4-c0e9-40a4-8d9d-a7ce63118eb7" label="1">
    <para> Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_75da15ce-c4b2-4f37-868c-698dac5753b2" label="2">
    <para> Artikel 3:4 van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c292f373-c9a0-42ef-b401-5066cf33277a" label="3">
    <para> Artikel 8:88 van de Awb. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>