<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:9727</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-12T12:51:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 24 _ 5239</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:9727">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:9727</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-12T12:48:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:9727 Rechtbank Amsterdam , 22-10-2025 / AWB - 24 _ 5239</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:9727:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aanvraag exploitatievergunning hotel Parkview terecht geweigerd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:9727:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>RECHTBANK AMSTERDAM</title>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 24/5239 </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2025 in de zaak tussen</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [eiser] , te [plaats] , eiseres</title>
    <para>(gemachtigde: mr. H.J.M. van Schie),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de burgemeester van Amsterdam, verweerder</title>
    <para>(gemachtigden: mr. S.A. de Wied en [gemachtigde] ).</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een exploitatievergunning voor hotel [naam 1] aan de [adres 1] .<footnote-ref linkend="_a95d4bbb-b8a1-49b2-b48d-dde433e09ae6" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 18 april 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Met het besluit van 6 augustus 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing gebleven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder. Als toehoorder is verschenen de dochter van eiseres.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Totstandkoming van het besluit</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is er aan de procedure voorafgegaan?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiseres was eigenaar van twee hotels, namelijk hotel [naam 1] en hotel [naam 2] is met een besluit van 17 juli 2019 voor onbepaalde tijd gesloten. Aanleiding hiervoor vormden twee incidenten: een handgranaat die was neergelegd in het portiek in de nacht van 23 op 24 oktober 2018 en een explosie bij de [adres 2] op 6 juli 2019. Op 5 december 2019 heeft verweerder het pand<footnote-ref linkend="_c9b6ae98-1dba-42a3-a6fe-de15acf13743" /> aangewezen als pand waar voor de exploitatie van een hotel een vergunning moet worden aangevraagd.<footnote-ref linkend="_329b6e4f-64f0-45ff-a682-6ef40e2faef2" /> Op 30 september 2020 is de eerste aanvraag van eiseres voor een exploitatievergunning voor hotel [naam 1] afgewezen. Op 11 juni 2021 heeft eiseres een tweede aanvraag voor een vergunning ingediend met een aangepast bedrijfsplan. Verweerder heeft vervolgens op 24 juni 2022 een exploitatievergunning voor hotel [naam 1] aan eiseres verleend met een looptijd van één jaar. Aan de exploitatievergunning zijn verschillende bijzondere voorschriften verbonden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op 31 maart 2023 heeft eiseres opnieuw een aanvraag voor een exploitatievergunning voor hotel [naam 1] ingediend. Verweerder heeft het Landelijk Bureau Bibob (LBB) op 24 augustus 2023 verzocht om advies ten aanzien van de vergunningverlening. De aanleiding hiervoor is een bestuurlijke rapportage waaruit blijkt dat [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ), voormalig leidinggevende van hotel [naam 1] en zoon van eiseres, zou zijn aangehouden vanwege overtreding van de Opiumwet. Het LBB heeft op 29 december 2023 advies uitgebracht en is tot de conclusie gekomen dat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.<footnote-ref linkend="_0db65f06-d5b4-4957-995d-462724e9d12d" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Besluitvorming</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>3. Met het primaire besluit heeft verweerder de vergunning geweigerd, omdat niet aannemelijk is dat de feitelijke exploitatie van hotel [naam 1] in overeenstemming zal zijn met hetgeen in de aanvraag van eiseres is vermeld.<footnote-ref linkend="_abb12e98-1dff-4fca-a10f-e4a792a7aa22" /> Daarnaast heeft verweerder het vermoeden dat er ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede gebruikt zal worden om strafbare feiten te plegen.<footnote-ref linkend="_47b6725a-6320-480a-a13a-ee4562af5ae7" /> Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de vergunning geweigerd mocht worden op grond van het advies van het LBB van 29 december 2023 en dat er geen reden is om aan dit advies te twijfelen. Verweerder stelt dat er sprake was van een zakelijk samenwerkingsverband en voor zover dat verbroken is dit makkelijk kan herleven. Verweerder stelt dat er voldoende samenhang is tussen mogelijk te plegen delicten en de exploitatievergunning voor het hotel. Verweerder heeft een belangenafweging gemaakt en die valt in het nadeel van eiseres uit.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid de aanvraag van eiseres voor een exploitatievergunning voor hotel [naam 1] heeft kunnen weigeren. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van haar aanvraag voor een exploitatievergunning voor hotel [naam 1] in stand blijft.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Juridisch kader</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft de vergunning geweigerd op basis van artikel 3.67, aanhef en onder e, van de Algemene plaatselijke Verordening 2008 (APV) en artikel 3 van de Wet Bibob. Deze regelgeving is in de bijlage van deze uitspraak opgenomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft bij het al dan niet toekennen van een vergunning een discretionaire bevoegdheid. De rechtbank dient het bestreden besluit daarom terughoudend te toetsen. Dit betekent dat de rechtbank het oordeel van verweerder alleen opzij kan schuiven als verweerder niet in redelijkheid tot dat oordeel heeft kunnen komen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Was er sprake van een zakelijk samenwerkingsverband?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Ter zitting heeft eiseres desgevraagd toegelicht dat er in het verleden sprake is geweest van een zakelijk samenwerkingsverband tussen eiseres en [persoon 1] . Eiseres exploiteerde hotel [naam 1] en hotel [naam 2] en er was sprake van een arbeidsovereenkomst tussen eiseres en [persoon 1] . [persoon 1] verrichte tot 2021 werkzaamheden in beide hotels. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Eiseres voert aan dat er sinds de wijziging van het bedrijfsplan in juni 2021 geen zakelijk samenwerkingsverband meer is tussen haar en [persoon 1] met betrekking tot hotel [naam 1] en dat de exploitatievergunning daarom had moeten worden verleend. Eiseres stelt dat sinds zij bekend is met de informatie uit het onderzoek van het LBB in december 2023, [persoon 1] ook niet meer betrokken is bij hotel [naam 2] . Sindsdien is er dus helemaal geen zakelijk samenwerkingsverband meer. Er is ook geen risico dat het zakelijk samenwerkingsverband tussen eiseres en [persoon 1] weer zal herleven omdat [persoon 1] is verhuisd naar Zwitserland en hij geen contact meer heeft met eiseres. Eiseres stelt verder dat de eerdere samenwerking met [persoon 1] bij hotel [naam 2] haar niet kan worden verweten omdat aan [persoon 1] in het verleden twee verklaringen omtrent het gedrag zijn afgegeven voor een functie binnen hotel [naam 2] . Bovendien is de vergunningplicht enkel voor hotel [naam 1] ingevoerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_a8c02b31-842e-4d8b-9dcd-de4e3dc336dc" /> volgt dat voor het aannemen van een zakelijk samenwerkingsverband een relatie moet bestaan die is gericht op samenwerking en een zeker duurzaam en structureel karakter heeft.<footnote-ref linkend="_be9a0f2d-c254-4a1c-9509-83c7ef70a028" /> Ook een zakelijk samenwerkingsverband uit het verleden kan in de beoordeling van de mate van het gevaar als bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob worden betrokken.<footnote-ref linkend="_9bde8f2e-2501-42b2-a154-b344950b1c86" /> Als het zakelijk samenwerkingsverband inmiddels is verbroken is het aan verweerder om te motiveren waarom het samenwerkingsverband uit het verleden voor de toekomst nog steeds een ernstig gevaar oplevert.<footnote-ref linkend="_dfdcd077-666d-45ae-ae17-b3896ee603dd" /> De Afdeling heeft herhaaldelijk geoordeeld dat de aanwezigheid van een familierelatie in combinatie met het gegeven dat men in dezelfde branche werkzaam is, een aanwijzing is voor een mogelijk samenwerkingsverband.<footnote-ref linkend="_eafa70aa-93c5-4767-9166-d33031c45432" /> Ten slotte volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat verweerder zich ervan moet vergewissen dat het advies en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige tot stand gekomen zijn en dat de feiten de conclusies kunnen dragen.<footnote-ref linkend="_d28b6b43-68a3-4d48-b183-55cdcf1654f9" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat in het advies van het LBB van 29 december 2023 uiteengezet is waarom er sprake was van een zakelijk samenwerkingsverband tussen eiseres en [persoon 1] . Zo is er een arbeidsovereenkomst tussen [persoon 1] en eiseres en vervulde [persoon 1] een leidinggevende positie bij hotel [naam 1] . Dit volgt uit het bedrijfsplan van 20 maart 2020 en de betrokkenheid van [persoon 1] bij personele aangelegenheden. Uit berichten blijkt bijvoorbeeld dat [persoon 1] contact had met een medewerker over diens loonsverhoging. Verder blijkt uit het advies dat [persoon 1] in 2020 en 2021 een rol had bij de herfinanciering en mogelijke overname van het hotel. Daarbij komen chatberichten uit september 2021 naar voren waaruit blijkt dat [persoon 1] intensief betrokken was bij het zoeken naar een financier, taxateur en gesprekken voerde over financiële zekerheden. Daarnaast zijn er berichten waaruit volgt dat er naar buiten toe mogelijk een andere voorstelling van zaken wordt gegeven over de daadwerkelijke rol van [persoon 1] bij hotel [naam 1] . Zo schrijft [persoon 1] aan eiseres: “<emphasis role="italic">wekunne ook zegge, als ik fysiek aanwezig was op hotel dan altijd [naam 2] , nooit [naam 1] ...</emphasis>”.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3.</nr>
      <para>Ter zitting heeft eiseres betoogd dat [persoon 1] wel betrokkenheid had bij het leggen van contact voor de financiering van het hotel, maar dat dat niet betekent dat hij ook betrokken was bij de exploitatie van het hotel. De rechtbank overweegt dat uit de chatberichten blijkt dat [persoon 1] contact heeft gelegd met investeerders voor de herfinanciering en dat daaruit blijkt wat de rol en betrokkenheid van [persoon 1] was bij hotel [naam 1] en de samenwerking daarbij met eiseres. Het betoog van eiseres dat de rol van [persoon 1] zeer beperkt is geweest en dat hij uiteindelijk niet de herfinancierder is geweest doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar standpunt dat [persoon 1] geen leidinggevende rol heeft gehad nu in het bedrijfsplan [naam 1] Hotel van 20 maart 2020 is opgenomen dat [persoon 1] destijds leidinggevende was bij [naam 1] Hotel. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.4.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de gegevens in het advies van het LBB van 29 december 2023 voldoende onderbouwing geven voor een zakelijk samenwerkingsverband tussen [persoon 1] en eiseres. Het advies van het LBB vermeldt verschillende bronnen die in dezelfde richting wijzen en niet onderling tegenstrijdig zijn waardoor de feiten de conclusies kunnen dragen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Is dit samenwerkingsverband voldoende actueel?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>Eiseres stelt dat zij de samenwerking met [persoon 1] in december 2023 volledig heeft verbroken en dat, wanneer er al een samenwerkingsverband van na 2021 zou worden aangenomen, dit in ieder geval niet meer actueel was ten tijde van het primaire besluit. Daarnaast heeft eiseres toegelicht dat de werkzaamheden voor hotel [naam 1] en hotel [naam 2] in elkaar overliepen en dat daardoor mogelijk bij het personeel van hotel [naam 1] ten onrechte de indruk is gewekt dat [persoon 1] in 2023 nog werkzaam was voor hotel [naam 1] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier blijkt dat [persoon 1] tot en met oktober 2023 op de loonlijst stond bij eiseres. Omdat hotel [naam 1] en hotel [naam 2] werden gerund vanuit dezelfde eenmanszaak was er ook maar één loonlijst en is daarin geen onderscheid te maken tussen [naam 1] en [naam 2] . Daarnaast heeft hotelmedewerker [persoon 2] in december 2023 een verklaring afgelegd dat [persoon 1] beide hotels runt en op beide locaties aanwezig is. Hieruit volgt dat er voldoende aanwijzingen zijn dat [persoon 1] in ieder geval tot eind december 2023 nog betrokken was bij hotel [naam 1] . Vervolgens is van belang dat er sprake is van een familierelatie en dat een eventueel verbroken samenwerkingsverband om die reden eenvoudig weer kon worden opgestart waardoor ook na december 2023 het samenwerkingsverband nog actueel kon zijn. Dat [persoon 1] in het buitenland verblijft maakt dat niet anders omdat hij ook op afstand instructies zou kunnen geven. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder ten tijde van het bestreden besluit in redelijkheid kon tegenwerpen dat het samenwerkingsverband nog actueel was.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.3.</nr>
      <para>Eiseres heeft het samenhangcriterium niet betwist waardoor kan worden aangenomen dat er voldoende samenhang bestaat tussen de exploitatie van het hotel en de strafbare feiten waarmee [persoon 1] in verband wordt gebracht. Verweerder heeft daarom op voldoende gronden het standpunt kunnen innemen dat ernstig gevaar bestond dat de vergunning mede zou worden gebruikt om strafbare feiten te plegen en dat het niet aannemelijk was dat de feitelijke exploitatie van hotel [naam 1] in overeenstemming zou zijn met hetgeen in de aanvraag is vermeld waardoor verweerder in redelijkheid de vergunning heeft kunnen weigeren. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>9.	Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. H. Belhadi, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier </para>
      <para>rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bijlage</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 1:5, tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 luidt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bevoegde bestuursorgaan kan een vergunning of ontheffing weigeren als aannemelijk is dat de feitelijke toestand niet in overeenstemming zal zijn met hetgeen in de aanvraag is vermeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 3.67, aanhef en onder e, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 luidt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.5 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in artikel 3.64 weigeren als</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>e. het bedrijfsplan als bedoeld in artikel 3.65 naar zijn oordeel onvoldoende garanties geeft dat bedrijfsmatige activiteit de openbare orde of de veiligheid niet nadelig beïnvloedt, ontoelaatbare druk op de leefbaarheid oplevert of ondermijning faciliteert.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 3, eerste lid en zesde lid, van de Wet Bibob luidt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. Voorzover bestuursorganen bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, kunnen zij weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:</para>
    <para>a. uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten, of</para>
    <para>b. strafbare feiten te plegen.</para>
    <para />
    <para>6 Eenzelfde bevoegdheid tot weigering dan wel intrekking als bedoeld in het eerste lid hebben bestuursorganen, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd. De weigering dan wel intrekking vindt slechts plaats, indien deze tenminste evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 3, derde lid, van de Wet Bibob luidt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b,</para>
    <para>betreft, wordt de mate van het gevaar vastgesteld op basis van:</para>
    <para>a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de</para>
    <parablock>
      <para>betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die</para>
      <para>overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt</para>
      <para>aangevraagd dan wel is gegeven,</para>
    </parablock>
    <para>b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,</para>
    <para>c. de aard van de relatie en</para>
    <para>d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 3, vierde lid, van de Wet Bibob luidt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De betrokkene staat in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde</para>
      <para>lid, indien:</para>
    </parablock>
    <para>a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,</para>
    <para>b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft</para>
    <parablock>
      <para>dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een</para>
      <para>rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze</para>
      <para>strafbare feiten heeft begaan, of</para>
    </parablock>
    <para>c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon leidinggevende van</para>
    <para>betrokkene is, dan wel zeggenschaphebbende over betrokkene, vermogensverschaffer van betrokkene of een persoon die in een zakelijk samenwerkingsverband tot betrokkene staat of heeft gestaan.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_a95d4bbb-b8a1-49b2-b48d-dde433e09ae6" label="1">
    <para> Op grond van artikel 3.64 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c9b6ae98-1dba-42a3-a6fe-de15acf13743" label="2">
    <para> [adres 1] .</para>
  </footnote>
  <footnote id="_329b6e4f-64f0-45ff-a682-6ef40e2faef2" label="3">
    <para> In de zin van artikel 2.16A van de APV.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0db65f06-d5b4-4957-995d-462724e9d12d" label="4">
    <para> Artikel 3, eerste lid sub b, van de Wet Bibob.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_abb12e98-1dff-4fca-a10f-e4a792a7aa22" label="5">
    <para> Artikel 1.5, tweede lid, van de APV en artikel 3.67, sub e, van de APV.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_47b6725a-6320-480a-a13a-ee4562af5ae7" label="6">
    <para> Artikel 3, eerste lid sub b, van de Wet Bibob.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a8c02b31-842e-4d8b-9dcd-de4e3dc336dc" label="7">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_be9a0f2d-c254-4a1c-9509-83c7ef70a028" label="8">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:214.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9bde8f2e-2501-42b2-a154-b344950b1c86" label="9">
    <para> Zie de uitspraken van de Afdeling van 28 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1028 en 17 juli 2019, ECLl:NL:RVS:20 19:2450.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dfdcd077-666d-45ae-ae17-b3896ee603dd" label="10">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4759.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_eafa70aa-93c5-4767-9166-d33031c45432" label="11">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 19 september 2007, ECLI:RVS:2007:BB3818 en 24 mei 2006, ECLl:NL:RVS:2006:AX4420.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d28b6b43-68a3-4d48-b183-55cdcf1654f9" label="12">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2676.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>