<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:9433</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-04T15:51:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-091544-25</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:9433">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:9433</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-04T13:33:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:9433 Rechtbank Amsterdam , 03-12-2025 / 13-091544-25</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:9433:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vervolgings-EAB Polen, tussenuitspraak i.v.m. IND-advies en terugkeergarantie opvragen. Artikel 11 OLW: detentiegarantie voldoende bevonden, voldoende tijd buiten de cel gegarandeerd met aanbieding van activiteiten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:9433:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-091544-25</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 3 december 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">  TUSSENUITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 23 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_c7af1bbc-c057-46f8-bc7b-ec3d42d5fff8" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 27 november 2019 door <emphasis role="italic">the Regional Court in Wrocław,</emphasis> Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[de opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1996, </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>
        [BRP-adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 november 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. A. Kilinç, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_3b7b204a-f862-41d1-abbb-c810ebedbd8a" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen onder gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een <emphasis role="italic">decision of the District Court of Wrocław Śródmieście of 20 August 2019, on temporary detention of the suspect for the period of 14 days of the date of detention</emphasis> met referentie II 2 Kp 276/19.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_bf853168-49d4-4c2c-9e7c-836c217715be" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het eerste strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">	deelneming aan een criminele organisatie.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het tweede strafbare feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op het feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het feit levert naar Nederlands recht op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Gelijkstelling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman twee dagen voor de zitting, bij </para>
      <para>e-mail van 23 november 2025, verschillende stukken overgelegd over het inkomen en de verblijfplaats van de opgeëiste persoon in de afgelopen vijf jaar. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie stelt zich – onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank<footnote-ref linkend="_da1b192c-f550-468a-a9e8-22634787ecd4" /> – op het standpunt dat de stukken ten behoeve van het gelijkstellingsverweer buiten beschouwing gelaten moeten worden, omdat deze niet tijdig zijn overgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;</para>
    <para>2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De eerste voorwaarde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de jurisprudentie van de rechtbank volgt, dat <emphasis role="italic">in beginsel</emphasis> een termijn van uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting redelijk is. Indiening van de stukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer na de tiende dag voorafgaande aan de zitting <emphasis role="italic">kan</emphasis> ertoe leiden dat de rechtbank deze stukken buiten beschouwing laat.<footnote-ref linkend="_c0b22753-7163-4810-b50d-b79455c9d965" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat, ondanks het late moment van indienen van de stukken op 23 november 2025, deze stukken wel in behandeling worden genomen. Daarvoor acht zij de volgende bijzondere omstandigheid relevant. De opgeëiste persoon is in 2017 met haar partner tegen wie tegelijkertijd een overleveringsprocedure aanhangig is naar Nederland gekomen. Haar partner heeft inmiddels een duurzaam verblijfsrecht in Nederland. In het licht hiervan acht de rechtbank het niet billijk om de ten behoeve van de opgeëiste persoon ingediende stukken buiten beschouwing te laten, ook al zijn zij te laat ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat zij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon zich op 17 november 2017 bij de gemeente Rotterdam heeft laten inschrijven als niet-ingezetene. Verder blijkt uit het UWV-overzicht dat de jaren 2018-2024 kunnen meetellen voor de duur van een uitkering. Uit het overzicht blijkt dat de opgeëiste persoon de afgelopen jaren zodanig veel uren heeft gewerkt dat vastgesteld kan worden dat zij ook in Nederland heeft verbleven. Daarnaast is gebleken dat zij samen met haar partner naar Nederland is gekomen en steeds met hem heeft samengewoond en een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Alles overwegend, stelt de rechtbank vast dat voldaan is aan de eerste voorwaarde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De tweede voorwaarde</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND). Deze informatie, als ook een garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW, ontbreekt in het dossier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om deze informatie op te vragen bij de IND. Daarnaast verzoekt de rechtbank de officier van justitie ook aan de uitvaardigende justitiële autoriteit een terugkeergarantie op te vragen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Artikel 11 OLW</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU  </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_1d4fa3d6-dcd5-4606-9aa7-0dac17276a12" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van haar strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_611c1120-7fbe-401c-b261-23d85b1f260d" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Poolse detentieomstandigheden</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inleiding</emphasis>
        </para>
        <para>Bij uitspraak van 5 juni 2024 heeft deze rechtbank een algemeen reëel gevaar aangenomen van schending van de grondrechten van gedetineerden die in Polen in het <emphasis role="italic">remand regime </emphasis>terechtkomen.<footnote-ref linkend="_4d5e08f9-5a16-414c-9fa7-ef5c9b8ed525" />. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terecht komen in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis>, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) heeft daarom navraag gedaan bij de uitvaardigende justitiële autoriteit naar waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd en naar de omstandigheden aldaar.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij brief van 8 oktober 2025 heeft de <emphasis role="italic">Lower Silesian Regional Branch of the Organized Crime and Corruption Department in Wrocław </emphasis>onder andere het volgende geantwoord: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“In connection with the email received concerning [de opgeëiste persoon] (</emphasis>
          <emphasis role="bold italic">
            [de opgeëiste persoon]
          </emphasis>
          <emphasis role="italic">), born [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] (Poland), provisionally arrested under a European Arrest Warrant issued by the District Court in Wrocław III Kop 229/19 in case PK I WZ Ds. 25.2019 of 27 November 2019, I kindly inform you that if the above-mentioned person is transferred, he will be detained at the Penitentiary Facility no. 1 in Wrocław at ul. Kleczkowska 35.”  </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In de aanvullende informatie van 13 oktober 2025 staat verder onder meer: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“[..] I would like to inform you that</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ms. [de opgeëiste persoon] will be provided with a minimum personal space of 3 meters - this does not include the area of the toilets,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">- Mr. [de opgeëiste persoon] will be able to participate in activities of her choice, which are organized in the detention center in any situation, as long as it is justified and does not threaten public order or the safety of the inmate or her fellow inmates.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Vervolgens heeft het IRC op 23 oktober 2025 de volgende vragen gesteld: </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“I refer to your e-mail date 13-10-2025 and the translated letter dated 08-10-2025 regarding the European Arrest Warrant III Kop 229/19 issued on 27 November 2019 concerning [de opgeëiste persoon] , born on [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] , Poland (see below).</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">[..] </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Based on this, I request you to:</emphasis>
        </para>
        <para>- <emphasis role="italic">Guarantee that ms [de opgeëiste persoon] will be placed in a cell with at least 4 square meters personal space, not including sanitary facilities.</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Or</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">- Guarantee that ms. [de opgeëiste persoon] will be able to spend at least 2 hours per day outside his cell if she requests to participate in any and all activities that are available to her under normal circumstances.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In de brief van de <emphasis role="italic">Director of the Remand Centre in Wrocław </emphasis>van 3 november 2025 is daarop onder meer geantwoord:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“[..] During their stay at the Remand Centre in Wrocław, remand prisoners have the opportunity to participate in cultural and educational activities and religious services. In addition, within the residential wing, they can take advantage of common room activities and the library (according to the schedule). In addition to the above activities, remand prisoners are entitled to a one-hour walk once a day and a bath twice a week. Pursuant to Article 110 § 2 of the Code of Criminal Procedure, the living space per prisoner in a cell shall be no less than 3 m2. [..] Theoretically, a remand prisoner who expresses a willingness to participate in all activities offered and to perform cleaning work or take up employment may spend two hours a day or more outside their cell.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsman stelt zich op het standpunt dat op grond van artikel 11 OLW geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB. Hierbij verwijst hij naar e-mailcorrespondentie met een Poolse advocaat, online afbeeldingen van gevangenissen van onder andere <emphasis role="italic">Wrocław</emphasis> en een document over de bezettingsgraad van gevangenissen in Polen. In de aanvullende informatie van 7 november 2025 zijn twee standaardbrieven meegestuurd. De gegeven garanties volstaan niet en binnen een redelijke termijn zullen zich ook geen wijziging van omstandigheden voordoen waardoor de overleveringsprocedure beëindigd dient te worden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie stelt zich – onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank<footnote-ref linkend="_b783d0d3-f5b9-430d-896e-8fccce063fa8" /> – op het standpunt dat artikel 11 OLW niet aan de overlevering in de weg staat. De gegeven detentiegarantie is voldoende om het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen, omdat gegarandeerd wordt dat de tijd buiten de cel kan oplopen tot twee uur per dag als de opgeëiste persoon meedoet aan alle aangeboden activiteiten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank stelt op grond van voornoemde individuele garantie van 8 oktober 2025 en 13 oktober 2025 vast dat de opgeëiste persoon na overlevering minimaal 3 m2, exclusief sanitair, persoonlijke leefruimte zal hebben in een meerpersoonscel in de detentie-instelling in <emphasis role="italic">Wrocław</emphasis>.  Dit betekent dat relevant is hoeveel tijd zij buiten haar cel kan doorbrengen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Recent heeft de rechtbank aanleiding gezien haar oordeel op dit punt als volgt te preciseren.<footnote-ref linkend="_b56ab9d0-2d5b-447b-acbe-e5e7c6ebbe50" /> Het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een persoonlijke ruimte tussen de 3 en 4 m2 wordt in ieder geval weggenomen met de garantie dat deze persoon minimaal twee uur per dag buiten de cel kan verblijven. Wanneer de autoriteiten een dergelijke garantie niet kunnen geven, heeft de rechtbank concrete informatie nodig over hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden, en wanneer deze persoon ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen, gemiddeld buiten haar cel kan verblijven. Met andere woorden: de rechtbank heeft informatie nodig waaruit blijkt aan welke activiteiten de opgeëiste persoon dagelijks kan deelnemen en wat de duur van die activiteiten is, alsmede de omstandigheden waarvan deelname en duur afhankelijk zijn.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Met de informatie uit de brief van 3 november 2025 is de rechtbank van oordeel dat dergelijke concrete informatie is gegeven. De opgeëiste persoon kan tenminste één uur per dag wandelen. Zij kan dagelijks, als zij meedoet aan alle aangeboden activiteiten, twee uur buiten haar cel verblijven. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op het voorgaande is de aanvullende informatie, gelezen in samenhang met de door het IRC gestelde vragen waarin is gevraagd naar de activiteiten per dag, voldoende om het algemene reële gevaar van schending van grondrechten voor de opgeëiste persoon weg te nemen nu hieruit volgt dat zij niet structureel 23 uur per dag in haar cel hoeft door te brengen. De detentieomstandigheden staan daarom niet aan overlevering in de weg.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT </emphasis>en<emphasis role="bold"> SCHORST </emphasis>het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 5 genoemde informatie op te vragen bij de IND en de uitvaardigende justitiële autoriteit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEPAALT</emphasis> dat de zaak zo mogelijk op 10 of 11 december 2025 of zo ver mogelijk vóór verstrijken van de verlengde beslistermijn op 15 december 2025, opnieuw op zitting wordt gepland. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan haar raadsman. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. J.G. Vegter,	  				                         			voorzitter,</para>
      <para>mrs. D.L.S. Ceulen en J.T.H. Zimmerman,                         			  	   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink,		                         		  	    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 december 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_c7af1bbc-c057-46f8-bc7b-ec3d42d5fff8" label="1">
    <para> Zie artikel 23 OLW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3b7b204a-f862-41d1-abbb-c810ebedbd8a" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_bf853168-49d4-4c2c-9e7c-836c217715be" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_da1b192c-f550-468a-a9e8-22634787ecd4" label="4">
    <para> Rb Amsterdam 12 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8802. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c0b22753-7163-4810-b50d-b79455c9d965" label="5">
    <para>Rechtbank Amsterdam 6 april 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:2560.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1d4fa3d6-dcd5-4606-9aa7-0dac17276a12" label="6">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_611c1120-7fbe-401c-b261-23d85b1f260d" label="7">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4d5e08f9-5a16-414c-9fa7-ef5c9b8ed525" label="8">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2024:3311.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b783d0d3-f5b9-430d-896e-8fccce063fa8" label="9">
    <para> Rb Amsterdam 18 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8947. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b56ab9d0-2d5b-447b-acbe-e5e7c6ebbe50" label="10">
    <para> Rb Amsterdam 26 september 2025, ECLI:RBAMS:2025:7088.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>