<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:8819</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-12T11:12:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/13/715999 / HA ZA 22-293</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#proceskostenveroordeling">Proceskostenveroordeling</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#schadevergoedingsuitspraak">Schadevergoedingsuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:8819">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:8819</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-06-12T11:12:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-06-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:8819 Rechtbank Amsterdam , 19-11-2025 / C/13/715999 / HA ZA 22-293</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:8819:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eindvonnis in het geschil inzake de Galaxy Tower in Utrecht</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:8819:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="448c488d-eaaf-4a56-8788-a3f5e5ae9ded" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="5032a5e1-bf81-4c21-89ac-35744e64a8a6" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM	</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling privaatrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/13/715999 / HA ZA 22-293</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 19 november 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">BALLAST NEDAM BOUW &amp; ONTWIKKELING SPECIALE PROJECTEN B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Amsterdam,</para>
      <para>eiseres in conventie,</para>
      <para>verweerster in reconventie,</para>
      <para>advocaat mr. A. Moret te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">DE LELIE VASTGOED B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Bussum,</para>
      <para>gedaagde in conventie,</para>
      <para>eiseres in reconventie,</para>
      <para>advocaat mr. F.G. Horsting te Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna BN en DLV worden genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
        <para>- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 10 en 12 september 2025 en de daarin genoemde stukken;</para>
        <para>- de akte reactie eisvermeerdering met producties van DLV;</para>
        <para>- de akte uitlating producties van BN. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Inleiding </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In dit vonnis beoordeelt de rechtbank de vorderingen in conventie en in reconventie voor zover dat in eerdere (tussen)vonnissen nog niet gebeurd. Het betreft vorderingen die zien op de openstaande posten in de eindafrekening, de over en weer gevorderde vertragingsschade, de bankgaranties, doorlopende kosten, diverse andere kosten, rente over deze posten en verklaringen voor recht. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat hieraan vooraf ging</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Alvorens hiertoe over te gaan zal de rechtbank eerst kort het verloop van de procedure tot nu toe schetsen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>In 2018 heeft DLV opdracht aan BN gegeven tot de bouw van de Galaxy Tower in Utrecht, een gebouw van 30 verdiepingen waarvan in de eerste 7 verdiepingen een hotel komt en in de overige verdiepingen 317 appartementen. De uiteindelijke afnemer van het hotel is Amrâth Hotel Jaarbeurs Utrecht B.V. Afnemer van de appartementen is Stichting Pensioenfonds Rail &amp; Openbaar Vervoer. De aanneemsom bedroeg € 71.150.000,- en de oplevertermijn was 8 juni 2021. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Gedurende de bouw is ernstige vertraging ontstaan. Volgens BN was deze vertraging grotendeels te wijten aan de schorsing van het werk door DLV in 2019, meerwerk en te late verstrekking van informatie door DLV. Volgens DLV was de vertraging juist te wijten aan BN, met name door conflicten met haar onderaannemers en vertraagde uitvoering van het werk. Tussen partijen is vervolgens discussie ontstaan over de verschuldigdheid van termijnbetalingen. Er zijn over en weer diverse beslagen gelegd en kort gedingen gevoerd. DLV heeft de door BN gestelde bankgarantie uitgewonnen en BN is de onderhavige procedure begonnen die aanvankelijk zag op het krijgen van termijnverlening, meerwerk en schade. De tegenvordering van DLV zag op schade en een boete wegens te late oplevering. BN heeft op 17 februari 2023 het werk (tussentijds) beëindigd en is retentierecht op de bouwplaats gaan uitoefenen. Beide partijen hebben hun vorderingen in deze procedure aangepast aan de situatie na de voortijdige beëindiging (zie hierna onder r.o. 3). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>In het eerste tussenvonnis van 17 mei 2023 (ECLI:NL:RBAMS:2023:3228) heeft de rechtbank beslist dat de beëindiging in onvoltooide staat door BN, gerechtvaardigd was. Gevolg hiervan is dat BN op grond van paragraaf 45 lid 2 en 14 lid 10 UAV 2012 recht heeft op de aanneemsom, vermeerderd met de kosten die het gevolg zijn van het niet voltooien van het werk en verminderd met de bespaarde kosten. Daartoe moet een eindafrekening worden opgesteld. Teneinde de vertragingsschade te beoordelen heeft de rechtbank bepaald dat een deskundige de oorzaken en omvang van de vertraging en de daardoor veroorzaakte schade moet onderzoeken. Tot slot heeft de rechtbank bepaald dat de overeengekomen maximum korting voor DLV van € 1.000.000,- vanwege overschrijding van de oplevertermijn door BN, in stand blijft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Voor onderzoek naar de vertragingsschade is bij vonnis van 3 januari 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:8949) deskundige ir. J.T. Bresters van Witteveen en Bos (hierna: Bresters) benoemd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Bij incidenteel vonnis van 24 januari 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:791) heeft de rechtbank de incidentele vordering van DLV om het retentierecht (op de bouwplaats van de Galaxy Tower) op te heffen, toegewezen op voorwaarde dat DLV een bankgarantie zou stellen van € 43.486.788,85. Verder werd BN veroordeeld de door haar ten laste van DLV gelegde beslagen op te heffen indien DLV een bankgarantie zou stellen van € 25.637.000,-. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>In het tussenvonnis van 5 juni 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:8950) heeft de rechtbank beslist over een groot aantal posten in de eindafrekening en heeft zij ten aanzien van negentien onderwerpen een deskundigenbericht gelast. Daarnaast zijn partijen verzocht zich uit te laten bij akte over acht onderwerpen. De door BN ingestelde incidentele vorderingen tot betaling door DLV van een voorschot werden afgewezen. De incidentele vordering tot teruggave van de bankgarantie (nr. [nummer] ) en terugbetaling van het onder de door BN gestelde bankgarantie getrokken bedrag van € 3.625.000,-, is toegewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Voor onderzoek naar de resterende geschilpunten in de eindafrekening is bij vonnis van 11 september 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:8951) deskundige ir. C.A. van der Steen van Techno (hierna: Van der Steen) benoemd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>Op de mondelinge behandeling van 18 november 2024 heeft de rechtbank mondeling vonnis gewezen op de door DLV incidenteel ingestelde vorderingen tot opheffing van het retentierecht van BN op de bouwplaats en de door BN gelegde beslagen (ECLI:NL:RBAMS:2024:7156). Deze vorderingen zijn toegewezen op voorwaarde dat DLV een bankgarantie stelt voor een bedrag van € 29.200.000,-.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>Bij vonnis van 4 december 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:8952) heeft de rechtbank beslist op twee geschilpunten uit de eindafrekening (vervangen isolatie gevel en bespaarde garantieaanspraken) waarover partijen zich bij akte hadden uitlaten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>Op 3 september 2025 heeft BN de ten laste van DLV gelegde beslagen en het retentierecht op de bouwplaats opgeheven tegen betaling door DLV van € 15.000.000,- en het stellen van een bankgarantie voor een bedrag van € 10.575.000,-. Partijen hebben bij die gelegenheid ook een aantal afspraken gemaakt met het oog op het weer beschikbaar stellen van de bouwplaats aan DLV en de voortzetting van de werkzaamheden door een andere aannemer.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Vorderingen in conventie en in reconventie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In conventie: </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Na eiswijziging, laatstelijk bij akte van 18 augustus 2025, vordert BN in conventie, uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.1.1.</nr>
        <para>DLV te veroordelen tot betaling aan BN van € 21.009.831,- (de eindafrekening) te vermeerderen met btw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 17 februari 2023, te verhogen met de renteverhoging van 2% ex. § 45 lid 2 UAV 2012 vanaf 14 dagen na 19 juli 2023, althans de wettelijke rente vanaf 17 februari 2023 tot aan de dag der algehele voldoening; </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.2.</nr>
        <para>DLV te veroordelen tot betaling aan BN van € 418.747,- (de wettelijke handelsrente over de openstaande termijnen) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening; </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.3.</nr>
        <para>DLV te veroordelen tot betaling aan BN van € 12.142.382,- (de vertragingsschade) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.4.</nr>
        <para>DLV te veroordelen tot betaling aan BN van € 3.625.000,- (de bankgarantie) te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, vanaf de datum waarop de bankgarantie is uitgekeerd aan DLV tot aan de dag der algehele voldoening; </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.5.</nr>
        <para>DLV te veroordelen tot betaling aan BN van € 618.639,- (kosten voor stellen bankgarantie en gederfde rente wegens latere betaling aan derden vanwege het door DLV gelegde beslag), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.6.</nr>
        <para>DLV te veroordelen de namens BN gestelde bankgarantie met nummer [nummer] binnen 2 dagen na dagtekening van dit vonnis aan B te retourneren op straffe van een aan BN te verbeuren dwangsom van € 1.000.000,- (één miljoen euro) voor iedere dag (een dagdeel daaronder begrepen) dat DLV hiermee in gebreke blijft; </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.7.</nr>
        <para>DLV te veroordelen tot betaling aan BN van € 784.608,- (de doorlopende (tijdgebonden) kosten), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 18 augustus 2025, althans de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.8.</nr>
        <para>DLV te veroordelen tot betaling aan BN van € 334.507,76 (de wettelijke rente over de getrokken bankgarantie), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.9.</nr>
        <para>DLV te veroordelen tot betaling aan BN van € 84.434,56 (de kosten voor het uitvoeren van de werkzaamheden als retentor), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 18 augustus 2025, althans de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.10.</nr>
        <para>DLV te veroordelen in de kosten van deze procedure met inbegrip van de nakosten vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag der voldoening.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">In reconventie</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Na eiswijziging, laatstelijk bij akte van 12 december 2023, vordert DLV, uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.2.1.</nr>
        <para>te verklaren voor recht dat BN door overschrijding van de contractuele oplevertermijn tekort is geschoten in de nakoming van de aanneemovereenkomst en: </para>
        <para />
        <para>a.  dat DLV terecht de korting als bedoeld in artikel 12 van de aanneemovereenkomst tot een bedrag van € 1.000.000, heeft ingehouden op de termijnen van de aanneemsom; </para>
        <para />
        <para>b.	dat BN op de voet van art. 6:94 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aansprakelijk is voor de door DLV geleden en te lijden schade als gevolg van de overschrijding van de contractuele oplevertermijn voor zover deze schade het bedrag van <?linebreak?>€ 1.000.000,- te boven gaat, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.2.</nr>
        <para>te verklaren voor recht dat BN niet gerechtigd was over te gaan tot beëindiging van het werk in onvoltooide staat en uitoefening van het retentierecht per 17 februari 2023 en aansprakelijk is voor de schade die DLV dientengevolge heeft geleden, lijdt en nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.3.</nr>
        <para>te verklaren voor recht dat BN tekort is geschoten in de nakoming van haar coördinatieverplichtingen met betrekking tot de realisatie van Galaxy Tower en aansprakelijk is voor de schade die DLV dientengevolge heeft geleden en zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.4.</nr>
        <para>BN te veroordelen tot betaling aan DLV van € 401.640,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van het in deze procedure te wijzen vonnis;</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.5.</nr>
        <para>BN te veroordelen het retentierecht op (de bouwplaats) van Galaxy Tower op te heffen en opgeheven te houden en alle door BN ten laste van DLV gelegde conservatoire beslagen op te heffen;</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.6.</nr>
        <para>BN te verbieden ten laste van DLV aanvullende/nieuwe conservatoire beslagen te (doen) leggen;</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.7.</nr>
        <para>BN te veroordelen in de kosten van deze procedure, met inbegrip van de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van de uitspraak en indien voldoening binnen die termijn niet plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf veertien dagen na dagtekening van de uitspraak.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">In conventie en in reconventie</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Bij de beoordeling van de vorderingen zal de rechtbank de bedragen op hele euro’s afronden. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Verdere beoordeling in conventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De eindafrekening</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>In het navolgende wordt bij behandeling van de resterende posten van de eindafrekening de volgorde van het tussenvonnis van 5 juni 2024 aangehouden. Tenzij anders vermeld, wordt in dit hoofdstuk 4 met ‘tussenvonnis’ verwezen naar het tussenvonnis van 5 juni 2024. Hetzelfde geldt voor de verwijzingen naar rechtsoverwegingen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>In het tussenvonnis is reeds vastgesteld dat de aanneemsom € 71.150.000,- bedraagt en dat DLV van de aanneemsom een bedrag van € 51.344.182,- heeft betaald. In beginsel staat daarmee dus nog een bedrag van € 19.805.818,- open. In het kader van de eindafrekening moet daarbij een aantal posten worden opgeteld (meerwerk, stelposten en kosten in verband met de beëindiging, paragraaf 4.3 t/m 4.44) en een aantal posten worden afgetrokken (besparingen als gevolg van de voortijdige beëindiging, paragraaf 4.45 t/m 4.109).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Overeengekomen meer- en minderwerk en stelposten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>In het kader van de eindafrekening moet bij de aanneemsom het overeengekomen meer- en minderwerk worden opgeteld. Op BN rust de stelplicht en bewijslast van het bestaan en de omvang hiervan. In hoofdstuk 3 van het tussenvonnis is op de door BN in dit kader opgevoerde posten beslist. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De posten hierna onder r.o. 4.5 t/m 4.13 zijn door DLV in het kader van de eindafrekening opgevoerd als besparingen en onder die noemer besproken in het tussenvonnis in hoofdstuk 7. Feitelijk gaat het echter om een betwisting van meerwerk door DLV, waarvan op BN de stelplicht en bewijslast rust. De rechtbank zal die posten dan ook in dit kader beoordelen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [post 1] , kozijnen [naam B.V. 1] , r.o. 7.8</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Partijen zijn overeengekomen dat BN zich ervoor zou inspannen dat er een bezuiniging van € 1.350.000,- zou worden gerealiseerd voor onder meer inkoop van de kozijnen. Indien dat niet zou lukken zou er sprake zijn van meerwerk. BN heeft laten weten dat de bezuiniging niet was gerealiseerd en dat er een contract met [naam B.V. 1] - de leverancier van de kozijnen - is gesloten voor € 5.482.329,-. BN heeft ter zake van de bezuiniging een bedrag als meerwerk in rekening gebracht. DLV heeft op een later moment de overeenkomst met [naam B.V. 1] onder ogen gekregen en vastgesteld dat de opdracht is verstrekt voor een lager bedrag dan haar door BN was voorgehouden. Het verschil tussen het opgevoerde bedrag en de daadwerkelijke aanneemsom bedraagt € 413.318,- en is volgens DLV ten onrechte bij haar in rekening gebracht als meerwerk. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>BN is in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten bij akte. BN betwist dat zij DLV onjuist zou hebben voorgelicht en verwijst naar gerealiseerde inkoopvoordelen en het doorberekenen van bepaalde risico’s. Ook wijst zij erop dat DLV de meerwerkaanbieding zonder voorbehoud heeft ondertekend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>De toelichting van BN snijdt geen hout en biedt in ieder geval geen verklaring voor het door DLV geconstateerde en door BN op zich niet betwiste verschil tussen het bedrag in de overeenkomst tussen BN en [naam B.V. 1] en het bedrag dat BN heeft opgegeven aan DLV. Ook gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van BN dat DLV het opgedragen meerwerk zonder voorbehoud heeft ondertekend. Onduidelijk is welk voorbehoud DLV in de gegeven omstandigheden had moeten maken. De conclusie is dan ook dat het bedrag van € 413.318,- in het kader van de eindafrekening in mindering zal komen op het meerwerk. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [post 2] , wijzigen kernkleur keramiek, r.o. 7.8</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Hetzelfde geldt voor het door BN als meerwerk in rekening gebrachte bedrag van € 404.615,- voor het wijzigen van de kernkleur van het keramiek. Volgens DLV heeft BN dit bedrag ten onrechte opgevoerd als meerwerk omdat BN van leverancier is gewisseld en de nieuwe leverancier niet in staat was om een gewijzigde kleur te leveren. De kosten zijn daarom niet gemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>BN heeft in haar laatste akte erop gewezen dat DLV de opdracht voor het wijzigen van de kernkleur zonder voorbehoud heeft getekend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Het verweer van DLV slaagt. Met de wisseling van leverancier is de wijziging van de kernkleur komen te vervallen en daarmee de grondslag voor het meerwerk. Op zitting is door BN nog verklaard dat er wel andere wijzigingen hebben plaatsgevonden, maar daarvoor had BN dan een aangepast meerwerkaanbod moeten doen. Uit niets blijkt dat DLV ten tijde van het tekenen van de oorspronkelijke meerwerkopdracht op de hoogte was van de nieuwe leverancier en wat dit betekende voor het wijzigen van de kleur. DLV kan dus ook niet geacht worden akkoord te zijn gegaan met een toekomstige wisseling en wijziging van de meerwerkopdracht. Dit betekent dat een bedrag van € 404.615,- in het kader van de eindafrekening in mindering zal komen op het meerwerk.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [post 3] , aanpassen wanden trappenhuizen, r.o. 7.9</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>Volgens DLV hebben partijen op verzoek van BN afgesproken dat de wanden van het trappenhuis niet in kalksteen, maar metal-stud zouden worden uitgevoerd. DLV heeft niet ingestemd met de door BN in verband hiermee in rekening gebrachte extra kosten van € 205.418,- en is op grond van het bestek daartoe ook niet gehouden omdat de wijziging op verzoek van BN heeft plaatsgevonden, aldus DLV. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>BN is in de gelegenheid gesteld zich hierover bij akte uit te laten. BN betwist dat de wijziging op haar verzoek heeft plaatsgevonden. Zij beroept zich op de door DLV ondertekende offerte. Dat DLV daarop een voorbehoud heeft gemaakt, doet daar niet aan af omdat BN het niet eens was met dit voorbehoud. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>De rechtbank volgt het standpunt van DLV. Op de offerte (die ook op andere onderwerpen ziet) heeft DLV bij dit onderdeel expliciet vermeld dat het gaat om een voorstel van BN en dat DLV de kosten daarom niet hoeft te betalen. Dit betekent dat het aanbod van BN om de kosten van de aanpassing door DLV te laten betalen op dit punt door DLV niet is geaccepteerd. Het gevolg hiervan is dat een bedrag van € 205.418,- in het kader van de eindafrekening in mindering zal komen op het meerwerk.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [post 4] en [post 5] premie CAR-verzekering, r.o. 3.3.1 en 3.3.2</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>In r.o. 3.3.1 en 3.3.2 van het tussenvonnis is vastgesteld dat DLV opdracht heeft gegeven tot aanvullende CAR-verzekering voor nevenaannemers en dat de daarmee gemoeide bedragen bij de aanneemsom zullen worden opgeteld. Voor het overige is het onderwerp behandeld in het kader van de besparingen en de vertragingsschade en zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over door BN daadwerkelijk betaalde premie en een eventuele besparing op de CAR verzekering. Uit de aktes blijkt dat de premie voor een lager bedrag moet worden opgenomen in het meer- en minderwerk dan in het tussenvonnis voorzien. Daarvoor is het volgende redengevend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <para>In artikel 19, eerste lid, van de aanneemovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat de Construction All Risk (CAR) verzekering door BN wordt afgesloten. In datzelfde artikel heeft BN ook op zich genomen om een CAR-verzekering af te sluiten voor de nevenaannemers (installateurs, liftleverancier, etc). Tevens is bepaald dat de kosten voor het afsluiten van de CAR-verzekering voor de nevenaannemers niet in de overeenkomst is verdisconteerd en dat deze kosten zullen worden gefactureerd als meerwerk. In verband met het afsluiten van die CAR-verzekering voor nevenaannemers vordert BN betaling van de meerwerkfacturen [post 4] (€ 82.009,-) en [post 5] (€ 191.976,-). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <para>BN heeft bij haar nadere akte productie E-227 overgelegd. BN stelt dat uit de bij die productie gevoegde facturen van verzekeraar Aon Risk Solutions (hierna: Aon) en bankafschriften van ING Bank volgt dat zij de bedragen € 82.009,- en € 191.976,- aan CAR-premie voor de nevenaannemers heeft betaald. Ten aanzien van de restitutie van de CAR-premie heeft BN aangevoerd dat zij eerder een bedrag van € 119.111,- als besparing op de CAR-verzekering had begroot, maar dat zij in werkelijkheid slechts een besparing heeft gerealiseerd van € 54.450,-. Dit deelonderwerp komt verder aan de orde bij de bespaarde kosten, zie vanaf r.o. 4.46.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17.</nr>
      <para>Productie E-227 bevat diverse facturen van Aon, waaronder facturen van 11 september 2018 en 1 juli 2022, die zien op het hoofdcontract dat BN met Aon voor de CAR-verzekering heeft afgesloten. Niet in geschil is dat de facturen die daarop zien voor rekening van BN zijn. Daarnaast bevat productie E-227 de volgende facturen van Aon waarin melding wordt gemaakt van het meeverzekeren van nevenaannemers:</para>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>factuurdatum</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>omschrijving</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>bedrag</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>1</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>12 november 2018</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>meeverzekeren aannemers</para>
                <para>termijn 01-07-2018 t/m 01-07-2021 </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€   81.314,08</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>2</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>19 augustus 2021</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>meeverzekeren aannemers</para>
                <para>Haitjema aanleg WKO installaties</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€     2.450,25</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>3</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>7 juni 2022</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>meeverzekeren nevenaannemers</para>
                <para>afbouw hotel</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€   14.278,00</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>4</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>28 september 2022</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Nevenaannemers Homij en Schindler</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€   31.125,17</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 129.167,75</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <parablock>
        <para>DLV erkent in haar nadere akte dat de onder 1 tot en met 4 genoemde facturen zien op de CAR-premie die door BN is voldaan voor nevenaannemers. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18.</nr>
      <para>Verder bevat productie E-227 een factuur van Aon van 28 januari 2021 ter hoogte van € 56.991,-, met de vermelding “Conform aanhangsel 2 d.d. 01-11-2019 Termijn 01-07-2021 t/m 01-07-2023”. BN heeft tegenover de betwisting door DLV onvoldoende onderbouwd dat die factuur ziet op het meeverzekeren van nevenaannemers. Hetzelfde geldt voor de factuur van 2 september 2021 ter hoogte van € 14.278,-, met als omschrijving “Verhoging verzekerd bedrag Sectie I met meerwerk”. Ook uit deze omschrijving blijkt onvoldoende dat die factuur ziet op het meeverzekeren van nevenaannemers.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19.</nr>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat BN met productie E-227 tot een bedrag van in totaal afgerond € 129.168,- voldoende heeft onderbouwd dat zij CAR-premie ten behoeve van de nevenaannemers heeft betaald. Waarbij meerwerkfactuur [post 4] tot een bedrag van € 81.314,- voldoende is onderbouwd en meerwerkfactuur [post 5] tot het resterende bedrag van € 47.854,-. Deze bedragen dienen als meerwerk bij de aanneemsom te worden opgeteld en niet de bedragen van € 191.967,- en € 82.009,- die bij deze meerwerkposten in het tussenvonnis in rechtsoverwegingen 3.3.1 en 3.3.2 stonden vermeld. Het bedrag aan overeengekomen bestekwijzigingen dat bij de aanneemsom wordt opgeteld zal in zoverre worden gecorrigeerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.20.</nr>
      <para>In hoeverre er in het kader van de CAR-verzekering sprake is van een besparing of schade als gevolg van vertraging, volgt hierna onder 4.46 en 6.11.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie overeengekomen meer- en minderwerk en stelposten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.21.</nr>
      <parablock>
        <para>In het kader van de CAR-verzekering voor nevenaannemers zal het totaal van € 129.168,- (€ 81.314,- en € 47.854,-) worden opgeteld bij het meer- en minderwerk, in plaats van het in het tussenvonnis genoemde € 191.967,- en € 82.009,- (totaal: € 273.976,-). Dit betekent dat het in het tussenvonnis onder r.o. 3.6 vastgestelde bedrag aan overeengekomen meer- en minderwerk en stelposten van € 9.888.620,- moet worden verminderd met € 144.808,- (€ 273.976,- minus € 129.168,) en uitkomt op € 9.743.812,-. </para>
        <para>De bedragen van € 413.318,- ( [naam B.V. 1] ) en € 404.615,- (wisselen kleur keramiek) en € 205.418,- (wanden trappenhuizen) zullen in het kader van de eindafrekening in mindering komen op dat bedrag, zodat € 8.720.461,- resteert dat bij de aanneemsom zal worden opgeteld. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Lopend meer- en minderwerk, r.o. 4 </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.22.</nr>
      <para>In aanvulling op het overeengekomen meer- en minderwerk vraagt BN een vergoeding voor bouwkundige voorzieningen en bestekwijzigingen waar geen (schriftelijke) overeenstemming over bestaat. Ook hier rust op BN de stelplicht en bewijslast. Op de posten <emphasis role="italic">herstel vloeren</emphasis> en <emphasis role="italic">bouwwarmte</emphasis> was in het tussenvonnis nog niet beslist. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [post 6] , herstel vloeren, r.o. 4.17</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.23.</nr>
      <para>BN stelt dat in de eindafrekening een bedrag van € 228.887,- moet worden opgenomen voor herstel van vloeren. DLV betwist dat zij deze kosten moet vergoeden omdat het herstel het gevolg is van een fout door BN. De rechtbank heeft Van der Steen gevraagd de oorzaak van de problemen met de vloeren te onderzoeken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.24.</nr>
      <para>Volgens Van der Steen is het opdrijven van de leidingen het gevolg van het niet goed gebeugeld zijn van de leidingen, dan wel het niet goed verzwaard zijn daarvan. De rechtbank heeft geen reden om af te wijken van deze conclusie. Door BN is onbetwist gesteld dat de wijze waarop de leidingen moeten worden aangelegd tot de ontwerpverantwoordelijkheid van DLV behoort. Fouten als gevolg van het ontwerp komen daarmee voor rekening van DLV. Dat het opdrijven van de leidingen het gevolg zou zijn van een uitvoeringsfout door BN, zoals DLV subsidiair heeft aangevoerd, is door DLV niet voldoende onderbouwd. DLV beroept zich in dat kader nog op een bepaling in het bestek (artikel 22.00.20.95) op grond waarvan BN verantwoordelijk is voor verankering van mantelbuizen. Uit het bestek blijkt echter dat deze bepaling ziet op metselwerk en niet op vloeren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.25.</nr>
      <para>Tot slot voert DLV aan dat BN haar waarschuwingsplicht heeft geschonden omdat zij veel eerder had moeten ontdekken dat er een probleem was en niet pas na storting van de vloeren op de 30ste verdieping. BN heeft verklaard dat dit niet kon omdat het beton eerst moet drogen en het probleem zich daarom pas later openbaart. Omdat DLV niet voldoende concreet gemaakt heeft wanneer BN had kunnen en moeten waarschuwen, gaat de rechtbank aan het verweer van DLV voorbij. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.26.</nr>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat ter zake van de kosten van herstel van de vloeren een bedrag van € 228.887,- in het kader van de eindafrekening moet worden opgeteld bij het lopende meer- en minderwerk. De door DLV in dit kader opgevoerde onderzoekskosten van € 39.000,- worden afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [post 7] , bouwwarmte, r.o. 4.18</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.27.</nr>
      <para>BN stelt dat het werk in de winter 2022/2023 niet verwarmd kon worden omdat nevenaannemer Homij vertraagd was met de uitvoering van de aanleg van de vloerverwarming en dat zij om vorstschade te voorkomen toen een tijdelijke warmtevoorziening heeft moeten treffen. BN stelt dat de meerwerkkosten daarvan € 287.475,- bedragen. Tegelijkertijd heeft BN als besparing op bouwkundige voorzieningen een bedrag van € 165.632,- als besparing op meerwerkpost [post 7] opgenomen (zie productie E-118). Per saldo zouden de kosten als gevolg van de geleverde bouwwarmte dan € 121.843,- bedragen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.28.</nr>
      <para>DLV heeft, onder verwijzing naar artikel 00.02.06, sub 91, van het bestek, aangevoerd dat al het verbruik van energie benodigd voor de levering van bouwwarmte voor rekening van BN is en dat het door BN genoemde bedrag dus voor rekening van BN zelf komt. Daarnaast heeft DLV een beroep op verrekening gedaan met energiekosten die zij in verband met de afname van warmte heeft betaald en die, aldus DLV, voor rekening van BN komen, zijnde een bedrag van € 126.862,-.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.29.</nr>
      <para>In het tussenvonnis heeft de rechtbank de beslissing over de kosten van de bouwwarmte aangehouden totdat de rechtbank een beslissing zal geven over de vertragingsschade, omdat deze kostenpost mogelijk verband houdt met de vertraging van de bouw (zie r.o. 4.18.3 en 7.19 van het tussenvonnis). Met het deskundigenbericht van Bresters inzake de vertraging, kan die beslissing nu worden gegeven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.30.</nr>
      <para>Bij de beoordeling wordt in herinnering gebracht dat in het tussenvonnis van 17 mei 2023 is geoordeeld dat BN slechts recht op vergoeding van vertragingsschade heeft, als de vertragingsschade alleen in de invloedsfeer van DLV ligt. Als de vertraging gelijktijdig door BN en DLV optreedt heeft BN geen recht op vergoeding van vertragingsschade (zie r.o. 5.7 van het tussenvonnis van 17 mei 2023). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.31.</nr>
      <para>De rechtbank komt mede op basis van het deskundigenbericht van Bresters tot het oordeel dat er in de periode van 1 juli 2021 tot 1 december 2021 een vertraging op het kritieke pad lag die uitsluitend aan BN was toe te rekenen; in de periode van 1 december 2021 tot en met 21 juli 2022 waren er samenlopende vertragingen op het kritieke pad. Op 21 juli 2022 begon de afbouw. Zie hierna onder 6.28. Genoemde vertragingen zijn niet aan Homij toe te rekenen en BN heeft niet onderbouwd dat nadat de afbouw met de genoemde vertragingen was begonnen aan Homij een verwijt gemaakt kan worden dat zij haar werkzaamheden in de winter van 2022/2023 nog niet had verricht. Dit betekent dat de consequenties van het nog niet aanwezig zijn van vloerverwarming ook niet ten laste kunnen komen van DLV. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.32.</nr>
      <para>BN dient de gestelde meerkosten van de bouwwarmte dus zelf te dragen. Dit heeft tevens tot gevolg dat de besparing die BN stelt op meerwerkpost [post 7] te hebben gerealiseerd (zie hierna onder 4.52 bij de berekening van de eindafrekening buiten beschouwing dient te worden gelaten.      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie lopend meer- en minderwerk</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.33.</nr>
      <para>In het tussenvonnis is onder r.o. 4.19 het lopend meer- en minderwerk vastgesteld op € 321.580,-.Ingevolge het voorgaande zal daarbij € 228.887,- worden opgeteld, zodat de aanneemsom met in totaal € 550.467,- zal worden vermeerderd. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Kosten als gevolg van de niet voltooiing van het werk, r.o. 5 </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.34.</nr>
      <para>In hoofdstuk 5 van het tussenvonnis is al een beslissing genomen over een aantal kostenposten als gevolg van de niet voltooiing van het werk en als gevolg van het door BN uitgeoefende retentierecht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.35.</nr>
      <para>Over materialen is in het tussenvonnis geoordeeld dat de kosten voor materiaal dat BN voor het werk heeft besteld en dat door haar niet meer te gebruiken is, voor rekening van DLV komt. Het gaat om twee categorieën materialen: materialen bij onderaannemers / leveranciers (zie r.o. 5.17 t/m 5.20 van het tussenvonnis) en nog niet verwerkte materialen op de bouwplaats (zie r.o. 5.21 van het tussenvonnis). Bij de beoordeling is steeds voorop gesteld dat op BN de stelplicht en de bewijslast rust dat zij schade heeft geleden en hoe omvangrijk die schade is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bouwmateriaal bij onderaannemers/leveranciers, r.o. 5.17 – 5.20</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.36.</nr>
      <para>Over materialen bij onderaannemers / leveranciers had BN de volgende posten nog onvoldoende onderbouwd:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>in totaal een bedrag van € 501.600,- voor materialen bij A.T. Projecten (€ 26.200,-), [naam B.V. 1] (€ 249.000,-) en NBK Keramik (€ 226.400,-),</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 331.500,- voor het bij Kingspan aanwezige materiaal,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 151.027,- voor het bij Senta aanwezige materiaal.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.37.</nr>
      <para>BN heeft geen nadere onderbouwing gegeven van het eigendom van de bij de onderaannemers A.T. Projecten, [naam B.V. 1] , en NBK Keramik aanwezige bouwmaterialen, en de door BN voor die materialen betaalde kosten. Daarom is deze post van € 501.600,- niet toewijsbaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.38.</nr>
      <para>Voor de bouwmaterialen bij de onderaannemers Kingspan en Senta heeft BN nader bewijs in de vorm van bouwmaterialenlijsten, foto’s van het bouwmateriaal en verklaringen van Kingspan en Senta in het geding gebracht. Met die onderbouwing is voldoende komen vast te staan om welk materiaal het gaat. BN maakt aanspraak op de volledige betaling van de posten, maar DLV heeft terecht gewezen op creditfacturen van Kingspan en Senta. Daarmee rekening houdend, zal een bedrag van € 158.000,- voor de bouwmaterialen bij Kingspan en € 40.573,- voor de materialen bij Senta worden toegewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.39.</nr>
      <para>In het tussenvonnis is in r.o. 5.20 het bedrag in verband met het bij onderaannemers aanwezige bouwmateriaal vastgesteld op € 1.555.029,-. Gezien hetgeen hiervoor overwogen onder r.o. 4.38 zal daarbij € 198.573,- (€ 158.000,- en € 40.573,-) worden opgeteld. Dat betekent dat bij het opmaken van de eindafrekening een bedrag van € 1.753.602,- in het kader eindafrekening zal worden opgeteld bij de kosten als gevolg van de niet voltooiing van het werk. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Nog niet verwerkte materialen aanwezig op de bouwplaats, NBK Keramik r.o. 5.21.1</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.40.</nr>
      <para>Over nog niet verwerkte materialen op de bouwplaats hadden partijen nog discussie over het door NBK Keramik geleverde keramiek (post van € 390.320,-). Volgens DLV zit er een kleurverschil in het keramiek dat aan de gevel is bevestigd, en dus (volgens haar) ook in het keramiek dat nog op de bouwplaats ligt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.41.</nr>
      <para>Deskundige Van der Steen heeft het keramiek dat aan de gevel is bevestigd onderzocht. Hierna onder 4.85 en verder wordt toegelicht dat de rechtbank de deskundige volgt in zijn conclusie dat het geconstateerde kleurverschil niet onacceptabel is. Dit betekent dat het niet verwerkte keramiek dat nog op de bouwplaats ligt ook geen onacceptabel kleurverschil laat zien. Dit brengt mee dat DLV de post van € 390.320,- voor het nog niet verwerkte materiaal moet vergoeden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.42.</nr>
      <para>Over de rest van de nog niet verwerkte materialen was al in het vonnis van 5 juni 2024 vastgesteld dat die kosten toewijsbaar zijn (€ 996.104,-).	Het bedrag van € 390.320,- moet hierbij worden opgeteld, zodat de totale post van nog niet verwerkte materialen op de bouwplaats dat in het kader van de eindafrekening moet worden opgeteld uitkomt op € 1.386.424,-. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie kosten als gevolg van niet voltooiing van het werk</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.43.</nr>
      <para>In r.o. 5.23 van het tussenvonnis is bepaald dat de kosten als gevolg van het voortijdig beëindigen van het werk worden begroot op in totaal € 3.710.395,-. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.39 en 4.42 moet hierbij € 198.573,- en € 390.320,- worden opgeteld, zodat het totaal bedrag uitkomt op € 4.299.288,-. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:</para>
      <para />
      <para>- € 147.653,- aan kosten beveiliging en veilig stellen van het werk,</para>
      <para>- € 851.684,- aan loonkosten,</para>
      <para>- € 9.500,- aan mobilisatiekosten,</para>
      <para>- € 50.500,- aan schorsingskosten,</para>
      <para>- € 79.500,- aan onderhoud groengevel,</para>
      <para>- € 20.425,- aan opname werk,</para>
      <para>- € 1.753.602,- aan bouwmateriaal bij onderaannemers,</para>
      <para>- € 1.386.424,- aan nog niet verwerkt bouwmateriaal op het werk.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Bespaarde kosten in verband met het overeengekomen werk, r.o. 6</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.44.</nr>
      <para>In het kader van de eindafrekening moet van de aanneemsom worden afgetrokken de kosten die BN heeft bespaard als gevolg van het niet voltooien van het werk. In het tussenvonnis is reeds beslist op de directe kosten, een besparing van € 11.312.008,- (r.o. 6.2) en de indirecte kosten, een besparing van € 1.871.572,- (r.o. 6.6). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Bespaarde kosten in verband met het meer- en minderwerk, r.o. 7 </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.45.</nr>
      <para>In hoofdstuk 7 van het tussenvonnis zijn de posten in verband met het meer- en minderwerk opgenomen die zijn bespaard als gevolg van het niet voltooien van het werk en die in mindering moeten komen op de eindafrekening. Op DLV rust hier de stelplicht en de bewijslast. Op de volgende punten is in het tussenvonnis nog niet beslist. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Besparingen bestek </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [post 4] en [post 5] premie CAR-verzekering</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.46.</nr>
      <para>Hiervoor onder r.o. 4.19 is vastgesteld welk bedrag in verband met de CAR-verzekering voor nevenaannemers in de eindafrekening moet worden meegenomen als meer- en minderwerk. DLV heeft aangevoerd dat BN door de voortijdige beëindiging van de bouw een deel van die CAR-premie heeft kunnen besparen. In verband daarmee is BN in het tussenvonnis bevolen om bewijsstukken in het geding te brengen waaruit onder meer de omvang van de premiebetalingen en eventuele premierestitutie blijkt en is bepaald dat terugontvangen premie als bespaarde kosten geldt in de zin van §14, eerste lid, 10 UAV 2012 (zie 10.2.1. van het tussenvonnis).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.47.</nr>
      <para>BN stelt dat uit de door haar bij productie E-227 gevoegde bewijsstukken blijkt dat het eerder door haar begrote bedrag van € 119.111,- als besparing op de CAR-verzekering, te veel is en  dat zij in werkelijkheid slechts een besparing heeft gerealiseerd van € 54.450,-. BN heeft daarbij gewezen op een creditfactuur van Aon van 8 december 2023 die zich bevindt tussen de bij productie E-227 overgelegde stukken. DLV heeft onvoldoende onderbouwd dat er door verzekeraar Aon meer CAR-premie aan BN is gerestitueerd dan de door BN overgelegde creditfactuur van 8 december 2025 ter hoogte van € 54.450,-. Dat bedrag dient als besparing van de aanneemsom te worden afgetrokken. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Besparing bouwkundige voorzieningen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [post 8] , gebruik Schindler-liften, r.o. 7.17</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.48.</nr>
      <para>Partijen hebben tijdens de uitvoering van het werk afgesproken dat de Schindler-liften tijdens de bouw door BN mochten worden gebruikt en dat BN het onderhoud en herstelkosten bij oplevering zou betalen. DLV voert in het kader van de eindafrekening een besparing op van € 100.000,- voor ‘gebruik als bouwlift’ en € 122.625,- als kosten voor ‘herstel na afloop’. BN betwist deze posten omdat zij stelt een overeenkomst met Schindler te hebben gesloten en zij daarom DLV niets verschuldigd is. In het tussenvonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich hierover verder uit te laten bij akte. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.49.</nr>
      <para>Volgens DLV heeft BN de kosten van onderhoud tot de tussentijdse beëindiging rechtstreeks aan Schindler betaald. Conform minderwerkopgave BV-148 gaat het om een bedrag van € 130.000,- voor 10 maanden. Na aftrek van opslagen komt DLV op een bedrag van € 10.000,- per maand. Uitgaande van een resterende periode van 10 maanden, komt DLV uit op een besparing van € 100.000,-. Herstel van de liften is op dit moment nog niet uitgevoerd. Schindler heeft opgave gedaan van de verwachtte kosten van herstel en begroot die op € 40.875,- per lift, in totaal € 122.625,-.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.50.</nr>
      <para>BN heeft bij akte de overeenkomst tussen haar en Schindler van 22 augustus 2022 overgelegd op grond waarvan Schindler in opdracht van BN het onderhoud aan de liften verricht. Ten aanzien van de herstelkosten voert BN aan dat uit de door DLV overgelegde stukken niet blijkt dat er herstelkosten nodig zijn. Ook blijkt niet dat DLV dergelijke kosten heeft gemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.51.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank zal het door DLV opgevoerde bedrag van € 222.625,- niet als besparing meenemen in de eindafrekening. BN heeft ter zake van het onderhoud van de door haar gebruikte drie liften een onderhoudsovereenkomst met Schindler gesloten op grond waarvan Schindler het onderhoud aan de liften verzorgde. Door DLV is onvoldoende gesteld om aan te nemen dat het voortijdig afbreken van de overeenkomst op dit punt leidt tot een besparing die moet worden betrokken in de eindafrekening. </para>
        <para>Voor de opgevoede herstelkosten van € 122.625,- geldt hetzelfde. DLV verwijst naar een paragraaf uit de overeenkomst tussen Schindler en BN waarop richtprijzen staan voor kritische onderdelen. Anders dan DLV stelt, blijkt hieruit niet dat Schindler voorziet dat er daadwerkelijk herstel nodig is voor een bedrag van € 40.875,- per lift en dat die kosten door Schindler bij DLV in rekening zullen worden gebracht. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">
            [post 7] , kosten bouwwarmte, r.o. 7.19 </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.52.</nr>
      <para>Hiervoor onder r.o. 4.32 heeft de rechtbank overwogen dat BN de gestelde meerkosten van de bouwwarmte zelf dient te dragen. Dit heeft tevens tot gevolg dat de besparing die BN stelt op meerwerkpost [post 7] te hebben gerealiseerd bij de berekening van de eindafrekening buiten beschouwing wordt gelaten. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie bespaarde kosten meer- en minderwerk</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.53.</nr>
      <para>In het tussenvonnis is in r.o. 7.26 overwogen dat de totale besparing op kosten in verband met meer- en minderwerk € 2.072.783,- bedraagt. Op grond van het voorgaande dient de besparing op de premie CAR-verzekering (€ 54.450,-) daarbij te worden opgeteld, zodat de totale besparing € 2.127.233,- bedraagt. Bij het opmaken van de eindafrekening zal dit bedrag worden afgetrokken van de aanneemsom. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Bespaarde herstelkosten, r.o. 8 </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.54.</nr>
      <para>De rechtbank heeft in het tussenvonnis reeds beslist over de volgende posten. Telkens wordt de rechtsoverweging in het tussenvonnis vermeld waarin hierover is beslist en het bedrag dat volgens dat vonnis als bespaarde kosten in aanmerking kan worden genomen.<?linebreak?></para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="2">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>Waterschade kalksteenwanden (8.5)</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>- €   15.840</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Vloerluiken (8.6)	</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>- €   28.280</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Loskomend stucwerk (8.10)</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>- € 205.261</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Scheurvorming kelder (8.13)</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>- €     9.600</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Zwarte schroeven gevel (8.18)</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>- €   29.400</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Vensterbanken (8.21)</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>- €   96.950</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Isolatie te hoog bij daktuin (8.34)	</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>- €   13.000</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>- € 398.331</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.55.</nr>
      <para>Voor de beoordeling van de hierna te bespreken onderwerpen heeft de rechtbank Van der Steen als bouwkundig deskundige benoemd. Partijen hebben op het rapport van Van der Steen d.d. 1 augustus 2025 gereageerd. De rechtbank bespreekt eerst de algemene bezwaren tegen het oordeel van de deskundige en daarna de verschillende onderwerpen waarover hij heeft geoordeeld.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Opleverniveau</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.56.</nr>
      <para>DLV heeft als algemeen bezwaar tegen het rapport van Van der Steen aangevoerd dat Van der Steen op verschillende punten oordeelt dat de door DLV verlangde wijze van herstel 'te ver’ zou gaan en dat kan worden volstaan met minder ingrijpende maatregelen. Waar de deskundige op verschillende punten overweegt dat er uitsluitend sprake is van een esthetisch (en geen technisch) gebrek, miskent hij dat BN verplicht was tot herstel tot opleverniveau c.q. nieuwstaat, aldus DLV.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.57.</nr>
      <para>Volgens BN bevat het bestek geen specifieke esthetische eisen. BN is op grond van de UAV 2012 in beginsel vrij in de keuze van een herstelmethode, mits met deze methode wordt voldaan aan de contractuele eisen. De door de deskundige voorgestelde herstelmethode leidt tot technische gelijkwaardigheid; hiermee wordt hetzelfde resultaat bereikt als in de situatie dat BN het gebrek zelf zou hebben hersteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.58.</nr>
      <para>De rechtbank acht het bezwaar van DLV ongegrond. Er kan vanuit worden gegaan dat Van der Steen op basis van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waaronder het bestek, waar nodig aangevuld met de maatstaf “goed en deugdelijk werk” heeft beoordeeld wat bij de geconstateerde gebreken een passende vorm van herstel zou zijn. Daarbij is mogelijk dat een gebrek hersteld wordt op andere wijze dan het geheel vervangen van een deel van het werk dat niet voldoet of dat een afwijking zo gering is dat herstel niet nodig is. Dat de deskundige bij zijn oordeel niet uit zou zijn gegaan van dat opleveringsniveau kan de rechtbank uit het rapport niet afleiden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Onderbouwing kostenramingen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.59.</nr>
      <para>DLV acht de kostenramingen van de deskundige onvoldoende onderbouwd; de rechtbank volgt haar daarin niet. Zo nodig wordt daar bij de afzonderlijke posten nog nader op ingegaan. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Geen btw en opslagen over bespaarde kosten.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.60.</nr>
      <para>BN heeft zich op het standpunt gesteld dat het gaat om bespaarde kosten en dat daarover geen btw en opslagen verschuldigd zijn. Zij wijst daarbij op de beslissing van de rechtbank in het tussenvonnis onder 8.36, waar daar ook vanuit is gegaan. De deskundige heeft op dit punt het oordeel aan de rechtbank gelaten en heeft verschillende varianten van de kostenraming in het rapport opgenomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.61.</nr>
      <para>De rechtbank heeft inderdaad in de eerdere beslissing de bespaarde kosten niet vermeerderd met btw en opslagen en blijft bij dat oordeel. Dat betekent dat de kolom B in het overzicht op pagina 168 van het rapport Van der Steen als uitgangspunt zal dienen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit overzicht luidt als volgt:</para>
      </parablock>
      <para />
      <mediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="a4806adc-96c6-4d72-b5a3-254ead8bb680" depth="492" width="605" format="image/png" />
        </imageobject>
      </mediaobject>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.62.</nr>
      <para>Volgens BN heeft de deskundige in dit overzicht ten aanzien van de onderdelen "herstelwerkzaamheden hotelkamers" en "dilataties wanden algemene ruimten" per abuis onjuiste bedragen vermeld. Uit het volledige kostenoverzicht in het deskundigenbericht (pagina's 162-166/208) volgt: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>dat de deskundige voor het onderdeel ''herstelwerkzaamheden hotelkamers'' een bedrag heeft begroot van € 69.584,- (excl. btw en opslagen) – niet € 10.700,-; </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>en voor het onderdeel ''dilataties wanden algemene ruimten'' een bedrag van <?linebreak?>€ 10.375,- (excl. btw en opslagen) – niet € 1.112,-.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>Het totaal aan bespaarde kosten excl. btw en opslagen komt derhalve uit op € 856.612,- (exclusief de post "bijdrage aan premie" ad € 100.000,-) – niet € 888.463,- aldus BN.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.63.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het overzicht op pagina 168 van het rapport Van der Steen niet geheel spoort met de daaraan voorafgaande begrotingen per post; de rechtbank zal daarom bij de beoordeling hierna uitgaan van de bedragen die staan vermeld in het kostenoverzicht op de pagina's 162-166/208 van het rapport van Van der Steen.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Door de deskundige beoordeelde geschilpunten inzake bespaarde kosten </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.64.</nr>
      <para>De rechtbank bespreekt hierna de geschilpunten waarover de deskundige heeft geoordeeld en het standpunt van partijen daarover. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Waterschade betonsparingen </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.65.</nr>
      <parablock>
        <para>Dit onderwerp is in het tussenvonnis besproken in r.o. 8.3. De deskundige heeft de kosten van herstel begroot op € 520,-. Partijen hebben hierover geen opmerkingen gemaakt. De rechtbank volgt de deskundige.</para>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">HWC plafonplaten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.66.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft in het tussenvonnis vermeld dat partijen ver uit elkaar liggen: BN begroot de herstelkosten op € 16.056,70, volgens DLV bedragen deze € 114.300,-. </para>
        <para>De deskundige heeft de kosten van herstel begroot op € 23.034,-. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.67.</nr>
      <para>DLV wijst op de maatstaf “opleverniveau”. De deskundige heeft wel vastgesteld dat er 455 platen verkleurd zijn, maar heeft voor 111 plafondplaten met een lichte verkleuring geen kosten van herstel/vervanging opgenomen. Volgens DLV zouden die platen moeten worden geverfd en de zwaarder verkleurde platen zouden moeten worden vervangen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.68.</nr>
      <para>De rechtbank verwerpt dit bezwaar en verwijst naar het opgemerkte onder 4.58. Zij zal uitgaan van de door de deskundige geraamde herstelkosten. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verankering Gibowanden (ro. 8.7) deskundige</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.69.</nr>
      <para>Uit het tussenvonnis onder 8.7 blijkt dat volgens DLV de gibowanden op de 9e t/m de 20e verdieping met te weinig veerankers zijn bevestigd aan de plafonds. De kosten van herstel begroot zij op € 60.000,-. Volgens BN is het gebrek verholpen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.70.</nr>
      <para>Van der Steen heeft een aantal gibowanden beoordeeld op de verdiepingen: 10, 12, 14, 17 en 19. Hij constateert dat bij circa 27 % van de lange wanden (&gt;3 m) veerankers bijgeplaatst moeten worden. De kosten daarvan begroot hij op € 33.943,-.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.71.</nr>
      <para>DLV stelt dat de deskundige zonder instemming van partijen een steekproef heeft gedaan, waar een volledig onderzoek was gevraagd. Zij vindt het begrote bedrag te laag. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.72.</nr>
      <para>De rechtbank acht een steekproef in dit geval een juiste onderzoeksmethode; het staat de deskundige vrij die methode toe te passen. De rechtbank ziet geen reden om van het door de deskundige begrote bedrag af te wijken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vlakheid dekvloeren</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.73.</nr>
      <parablock>
        <para>Dit onderwerp is in het tussenvonnis besproken in r.o. 8.9. De inschatting van de herstelkosten van partijen ligt ver uiteen: BN begroot de herstelkosten op € 2.408,-, volgens DLV bedragen deze € 245.280,-.</para>
        <para>De deskundige heeft patronen van het dobberen van de vloer en aftekening van leidingen van vloerverwarming vastgesteld. Er is plaatselijk sprake van vervuilingen of resten mortel op de vloer. Plaatselijk komen beschadigingen voor in de dekvloer in de vorm van kuilen. Van der Steen begroot de herstelkosten op € 156.065,-. De rechtbank volgt dit oordeel. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Diverse lekkages</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.74.</nr>
      <parablock>
        <para>Dit onderwerp is in het tussenvonnis besproken in r.o. 8.12. Volgens BN is er geen gebrek, DLV heeft twee verschillende bedragen als herstelkosten genoemd: € 20.000,- en <?linebreak?>€ 6.290,-.</para>
        <para>De deskundige heeft een steekproef genomen en op een aantal verdiepingen uitgesleten plekken in de dekvloeren aangetroffen, met als mogelijke oorzaak het druppelen van water uit installaties. Daarbij was geen actuele lekkage aanwezig, met een uitzondering. De kosten van herstel begroot hij op € 3.615,-. De rechtbank volgt dit oordeel.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wanden dagkanten </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.75.</nr>
      <parablock>
        <para>Dit onderwerp is in het tussenvonnis besproken in r.o. 8.14. Partijen zijn het niet eens over de juiste wijze van herstel en dus ook niet over de kosten daarvan: BN begroot de herstelkosten op € 941,60, volgens DLV bedragen deze € 39.200,-.</para>
        <para>De deskundige heeft vastgesteld dat er is gewerkt met montagekozijnen die in het bouwkundige kader worden geschoven; een van de twee onderdelen heeft een te kleine of te grote maatvoering. De ruimte die ontstaat bij de dagkant is opgevuld met gipsplaten. <?linebreak?>Het gaat om drie kozijnen per verdieping over acht verdiepingen. Dit resulteert in 24 na te lopen kozijnen. Herstel kan volgens de deskundige plaatsvinden door het vastzetten van de gipsplaten (opvulstroken), afwerken met gaasband en afstrijken met gips. Architraven zijn op te dikken waar nodig. Natuurlijk kunnen ook bredere architraven worden toegepast. De situatie is niet ideaal maar rechtvaardigt naar het oordeel van de deskundige niet het compleet opnieuw aanbrengen van de platen. De kosten van herstel begroot hij op € 5.092,-.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.76.</nr>
      <para>DLV heeft bezwaar tegen de door Van der Steen voorgestelde aanpak. Zij acht die een lapmiddel die een geheel ander esthetisch beeld geeft dan de contractueel overeengekomen afwerking. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.77.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet niet in waarom de door de deskundige voorgestelde aanpak bouwkundig of esthetisch tekort zou schieten en zal de deskundige dan ook op dit punt volgen. <?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Balkonankers</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.78.</nr>
      <parablock>
        <para>Dit onderwerp is in het tussenvonnis besproken in r.o. 8.15. In plaats van roestvrijstalen ankers zijn thermisch verzinkte ankers toegepast. BN neemt als besparing <?linebreak?>€ 10.000,- op. DLV meent dat de ankers vervangen moeten worden. Zij becijfert de besparing op € 1.748.500,-.</para>
        <para>Van der Steen acht de aangewezen wijze van herstel om de bouten in te vetten met consistentvet met corrosiewering, zodat er geen lucht en vocht in het anker kan komen. Daarmee wordt corrosie van het anker voorkomen dan wel sterk vertraagd zodat van een wezenlijke reductie van de levensduur van de balkonankers geen sprake zou zijn. Voor zover de boutkop bij het uitdraaien beschadigd raakt, kan deze vervangen worden door een nieuwe bout. De kosten van deze vorm van herstel zijn volgens de deskundige € 50.177,-.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.79.</nr>
      <para>Met de door de deskundige voorgestelde maatregel (invetten met consistentvet) is naar overtuiging van DLV geen gelijkwaardige zekerheid met betrekking tot de levensduur van de balkonankers verzekerd. Met de toegepaste thermisch verzinkte ankers blijft het risico op roestvorming aanwezig.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.80.</nr>
      <para>De mening van DLV wijkt af van die van de deskundige. De rechtbank ziet geen reden om van het deskundig oordeel van Van der Steen af te wijken.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Magnelis coating stalen frames</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.81.</nr>
      <parablock>
        <para>Dit onderwerp is in het tussenvonnis besproken in r.o. 8.17. Niet in geschil is dat de coating van de stalen frames aan de zuidgevel onvoldoende dik is uitgevoerd. BN rekent met een besparing van € 36.450,-, DLV berekent deze op € 155.313,-.</para>
        <para>Van der Steen acht het nodig een opening te maken in het frame en het (door middel van spuiten) aanbrengen van een extra conserveringslaag en het daarna weer dichten van de wand. De deskundige acht inspectieluiken niet nodig. Mocht de rechtbank anders oordelen dan is te overwegen om op enkele plaatsen voorzieningen te maken voor een beoordeling. Dit zou met een endoscoop kunnen zodat een kleine ronde sparing voldoende is die wel wordt afgedicht. De deskundige gaat uit van 4 locaties. Uiteraard zouden deze ook nadien aangebracht kunnen worden. Om die reden is hiervoor toch een bedrag van € 353,- begroot, waarbij de deskundige het aan de rechter overlaat dit toe te wijzen. In totaal komt de deskundige op een bedrag van € 16.603,-</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.82.</nr>
      <para>DLV heeft over het rapport van Van der Steen opgemerkt dat de deskundige in het rapport is uitgegaan van te beperkte maatregelen om de gebrekkige uitvoering van BN te herstellen. BN en DLV zijn het erover eens dat coaten van de panelen niet werkt omdat niet alle delen van de panelen bereikbaar zijn. Zowel DLV als BN gaan in hun opstelling voor herstel uit van het plaatsen van inspectieluiken. DLV acht onduidelijk hoe de deskundige tot zijn raming voor de herstelkosten is gekomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.83.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank acht de door de deskundige voorgestelde wijze van herstel duidelijk en de wijze waarop de kosten van herstel zijn begroot voldoende inzichtelijk (zie de berekening op pagina 164 van het rapport van Van der Steen) en zal de geschatte herstelkosten volgen. Omdat partijen allebei uitgaan van de wenselijkheid van inspectieluiken zal de rechtbank het bedrag inclusief het daarvoor door de deskundige begrote bedrag aanhouden. De bespaarde kosten worden in totaal begroot op € 16.603,-.</para>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Dilatatie vloer t.p.v. hotel‐ en woningentree</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.84.</nr>
      <para>Dit onderwerp is in het tussenvonnis besproken in r.o. 8.19. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een gebrek. BN berekent de besparing op € 1.204,-, Volgens DLV is deze € 84.035,- Volgens Van der Steen moeten de voegen worden nagelopen en vrij worden gemaakt van vuil. Loopt de voeg niet door dan moet dit alsnog worden gedaan. De kosten voor deze werkzaamheden bij 250 hotelkamers en 310 appartementen begroot hij op € 30.254,-. De rechtbank volgt deze begroting. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kleurverschil keramiek gevel </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.85.</nr>
      <parablock>
        <para>Dit onderwerp is in het tussenvonnis besproken in r.o. 8.22. </para>
        <para>Volgens DLV zien zowel de architect als de gemeente een onacceptabel kleurverschil en zal circa 15% van het aangebrachte kramiek vervangen moeten worden. De bespaarde herstelkosten zijn volgens DLV € 952.200,-. BN vindt dat er geen kleurverschil aanwezig is en dat in ieder geval het door DLV gestelde bedrag onvoldoende is onderbouwd.</para>
        <para>De deskundige heeft de mock-up als referentie gebruikt en die vergeleken met de gemonteerde elementen. Hij heeft daarbij metingen van helderheid en kleur gedaan, 60 metingen op mock-up panelen en 80 metingen op gevelpanelen. Mede op basis van de analyse van deze metingen komt Van der Steen tot de volgende bevindingen.<?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“a) De elementen vertonen van zichzelf al nuances die visueel waarneembaar zijn. Uit het dossier is niet gebleken dat er meetbare goedkeur- en afkeurgrenzen zijn vastgelegd voor verschillen tussen de elementen. De beoordeling heeft uitsluitend visueel plaatsgevonden op basis van een mock-up.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">b) De visuele beoordeling wordt sterk bepaald door de kijkhoek. De tint verandert bij een andere hoek. Ook omgevingsaspecten spelen een rol op de waargenomen tint.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">c) Bovenstaande betekent ook dat bij een verschillende oriëntatie van een element, een geringe afwijking in hellingshoek, of in een andere omgeving al waarneembare verschillen optreden. Dit geldt zowel voor de mock-up als voor de gevelelementen.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">d) Hoewel er blijkens de metingen verschil zit in de a* en b* waarden tussen de mock-up en de gevelelementen, is dit niet bepalend voor het uiteindelijk oordeel. Het verschil laat zich niet goed verklaren anders dan dat de omgeving van het element een rol speelt.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">e) Waar het bezwaar ligt bij DLV is vooral bij tintverschillen tussen elementen, door de deskundige vertaald in ΔE-waarde. Uit de analyse blijkt dat op dit punt geen significant verschil is aangetoond.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">f) De ΔE-waarde vertoont een spreiding. Deze blijft voor zowel de mock-up als voor de gevelelementen onder een waarde van 5 die hier als richtlijn wordt gehanteerd bij gebrek aan specifieke eisen in de overeenkomst (het betreffende bestek hoofdstuk is in dit opzicht voor zo een dergelijk belangrijk onderdeel summier.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De deskundige ziet dan ook geen aanleiding voor het moeten uitwisselen van panelen.”</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.86.</nr>
      <para>DLV handhaaft haar standpunt dat wel degelijk sprake is van een aanzienlijk kleurverschil tussen de panelen op de gevel. Daarmee voldoet de gevel naar zij meent niet aan de eis in het bestek dat de keramische geveldelen moeten voldoen aan de mock-up. Het algemeen beeld van de gevel vertoont een veel 'bonter' beeld dan de mock-up. Dat verschil in beeld wordt met de door de deskundige gehanteerde theorie onvoldoende verklaard, aldus DLV.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.87.</nr>
      <para>DLV stelt terecht dat de gevel moet voldoen aan de mock-up. De deskundige stelt vast dat er binnen de mock-up aanzienlijke kleurverschillen worden gemeten en dat de kleurverschillen van zowel de mock-up als de gevelplaten onder de waarde 5 liggen. Hij wijt de verschillen in belangrijke mate aan de kijkhoek en de omgeving. Op basis van deze bevindingen kan niet worden gezegd dat de gevelplaten een ‘bonter’ beeld vertonen dan de mock-up. De rechtbank volgt dan ook de deskundige in zijn conclusie dat er geen grond is voor het uitwisselen van panelen en dat BN op dit punt dus geen kosten heeft bespaard.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vlakheid wanden gang </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.88.</nr>
      <parablock>
        <para>Dit onderwerp is in het tussenvonnis besproken in r.o. 8.25. DLV stelt dat de wanden in de gangen op de verdiepingen 9-30 onvoldoende vlak zijn. Volgens DLV bedragen de herstelkosten € 23.400,-. BN betwist dat deze wanden gebreken vertonen. </para>
        <para>De deskundige heeft geoordeeld dat het hier gaat over het vlak afwerken van wanddelen, voornamelijk bij de entree van de appartementen. Rekening houden met de STABU criteria van goed en deugdelijk werk gaat de deskundige ervan uit dat enig correctiewerk nodig is. Overgangen die niet vlak zijn moeten vlak gemaakt worden. De kosten daarvan begroot hij op € 15.496,-. De rechtbank volgt hem hierin. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Opname hotelkamers</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.89.</nr>
      <parablock>
        <para>Dit onderwerp is in het tussenvonnis besproken in r.o. 8.27. Tussen partijen is niet in geschil dat er nog herstelwerkzaamheden in de 250 hotelkamers te verrichten zijn, maar wel hoeveel werk er nog moet gebeuren en wat de bespaarde kosten zijn die daarmee gemoeid zijn; volgens BN € 10.922,- en volgens DLV € 71.120,-.<?linebreak?>Van der Steen heeft een steekproef genomen door 27 hotelkamers te beoordelen en heeft de resultaten geëxtrapoleerd. Hij stelt vast dat in het algemeen de kamers naar behoren zijn afgewerkt, of dat de beoordeling overlap heeft met andere posten (vlakheid van vloeren). Er is meer afwerktijd nodig voor kamers waar tijdens de bouw bevoorrading heeft plaatsgevonden. In deze kamers zijn de ramen en dagkanten nog niet gereed en de raamdorpels ontbreken. De deskundige is (na extrapolatie van de steekproef) tot de volgende classificatie gekomen:</para>
        <para>1) Voor 120 kamers geldt: kamer gereed, incidenteel na-rooiwerkzaamheden benodigd. Narooien tot maximaal één werkuur per kamer. Kosten per kamer € 90,-.</para>
        <para>2) Voor 93 kamers geldt: kamer gereed, aanvullend na-rooiwerkzaamheden benodigd. Narooien tot maximaal vier werkuur per kamer. Kosten per kamer € 285,-</para>
        <para>3) Voor 37 kamers geldt: kamer niet gereed, bouwkundige werkzaamheden benodigd. Werkzaamheden zijn binnen één dag uit te voeren. Kosten per kamer € 650,-.</para>
        <para>Met bijkomende kosten begroot Van der Steen de bespaarde kosten in totaal op € 69.584,-. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.90.</nr>
      <parablock>
        <para>BN kan zich hiermee niet verenigen en vindt dat de herstelkosten te hoog zijn ingeschat. De deskundige heeft per hotelkamer een beoordelingsclassificatie toegepast (1, 2 en 3). Diverse kamers zijn verkeerd ingedeeld. De hotelkamers met de classificatie 1 en 2 betreffen hotelkamers waarin nevenaannemers hun materieel hebben achtergelaten. De resterende werkzaamheden in die hotelkamers vallen niet onder de scope van de werkzaamheden van BN. BN heeft de narooiwerkzaamheden reeds vóór beëindiging van het werk in onvoltooide staat verricht en de hotelkamers aan DLV overgedragen in augustus 2022. De deskundige heeft de herstelkosten voor deze hotelkamers ten onrechte in de kostenraming betrokken. </para>
        <para>Voor de hotelkamers met beoordelingsclassificatie 3 geldt dat de bouwkundige werkzaamheden voor die kamers (afwerken en dichtmaken van de doorgangen van de wanden) niet vallen onder de scope van de werkzaamheden van BN, maar van afbouwaannemer [naam B.V. 2] . Ook de herstelkosten voor die hotelkamers zijn ten onrechte in de kostenraming betrokken, aldus BN. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.91.</nr>
      <parablock>
        <para>Dat de deskundige kamers heeft ingedeeld in classificatie 1 of 2 omdat er materiaal van nevenaannemers aanwezig is kan uit het rapport niet worden afgeleid. Wat betreft de opmerking naar aanleiding van het concept-rapport dat de narooiwerkzaamheden al hadden plaatsgevonden heeft de deskundige opgemerkt dat essentieel is of de kamers ook formeel al waren opgeleverd. Van der Steen laat het oordeel op dit punt aan de rechtbank. </para>
        <para>Gezien de tussen partijen gangbare praktijk, waarin alles van enig belang schriftelijk werd gedocumenteerd is niet aannemelijk dat een formele oplevering van de hotelkamers zou hebben plaatsgevonden zonder dat daarvan een proces-verbaal van oplevering zou zijn opgemaakt met eventuele opleverpunten. Als dat zou bestaan, zou van BN ook verwacht mogen worden dat zij dat in het geding zou brengen. BN heeft echter alleen zonder enige onderbouwing gesteld dat de hotelkamers zijn opgeleverd. De rechtbank gaat daaraan dan ook voorbij.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.92.</nr>
      <parablock>
        <para>In het commentaar op het concept heeft BN nog gesteld dat de kamers in klasse 3 op het moment van de beëindiging van de werkzaamheden op 17 februari 2023 met gesloten wanden zijn overgedragen aan DLV en dat de wanden kennelijk zijn geopend door afbouwaannemer [naam B.V. 2] . Daarin volgt de rechtbank BN niet. De reden voor de deskundige om kamers in klasse 3 in te delen is een andere, namelijk dat er meer afwerktijd nodig is voor kamers waar tijdens de bouw bevoorrading heeft plaatsgevonden. De ramen en dagkanten zijn hierbij nog niet gereed en de raamdorpels ontbreken. Dat deze werkzaamheden niet binnen de scope van BN zouden vallen heeft BN niet gesteld.</para>
        <para>Al met al ziet de rechtbank geen reden van de kostenraming van de deskundige ten aanzien van de kamers in klasse 3 af te wijken.</para>
        <para>De rechtbank zal dus de begroting van Van der Steen volgen: de bespaarde kosten bedragen € 69.584,-. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Stucwerk gangen hotel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.93.</nr>
      <parablock>
        <para>Dit onderwerp is in het tussenvonnis besproken in r.o. 8.28. Volgens DLV moet ondeugdelijk stucwerk in de gangen van de hotelverdiepingen 3 t/m 7 hersteld worden en kost dat € 29.025,-. </para>
        <para>Volgens BN is dit stucwerk niet gebrekkig. Volgens de deskundige zijn de wanden in het algemeen recht en zijn geen grote golvingen of onregelmatigheden; incidenteel is scheefstand zichtbaar. De kosten van herstel worden begroot op € 10.700,- en de rechtbank volgt de deskundige hierin. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dilataties wanden algemene ruimtes en gangen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.94.</nr>
      <parablock>
        <para>Dit onderwerp is in het tussenvonnis besproken in r.o. 8.29. Volgens DLV ontbreken dilataties in wanden van de algemene ruimtes en gangen op de verdiepingen 2 t/m 22 en bedragen de herstelkosten € 56.730,-. Volgens BN is er geen te herstellen gebrek.</para>
        <para>De deskundige heeft geoordeeld dat het bestek geen stucstops voorschrijft. Weefselband of het insnijden en afkitten zijn gebruikelijke werkmethoden. Weefselband voorkomt scheuren niet, maar beperkt wel de grootte daarvan. Bij de gestucte wanden is geen scheur vastgesteld. Als deze ontstaat kan deze later worden bijgewerkt. Van der Steen heeft voor “herstel nalopen wanden en herstellen, uitvlakken” een totaalbedrag begroot van € 10.375,-.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.95.</nr>
      <para>DLV heeft over het rapport van Van der Steen opgemerkt dat de deskundige overweegt dat er geen specifieke voorwaarden zijn gesteld aan de dilataties in de wanden van de algemene ruimtes en gangen. Naar overtuiging van DLV brengen de eisen van goed en deugdelijk werk mee dat de bedoelde dilatatievoegen worden aangebracht, omdat anders scheuren zullen ontstaan.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.96.</nr>
      <para>De rechtbank is met de deskundige van oordeel dat kan worden volstaan met nalopen en herstellen en dat geen dilatatievoegen behoeven te worden aangebracht. De bespaarde kosten van herstel bedragen dus € 10.375,-. <?linebreak?></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wind- en waterdichtheid</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.97.</nr>
      <parablock>
        <para>Dit onderwerp is in het tussenvonnis besproken in r.o. 8.30. Volgens DLV is het gebouw onvoldoende wind- en waterdicht, zij stelt dat dit leidt tot een besparing van <?linebreak?>€ 20.000,-. BN stelt dat dit geen bespaarde kosten zijn.</para>
        <para>De deskundige heeft op twaalf verdiepingen inspecties uitgevoerd en op diverse plaatsen situaties aangetroffen waar het gebouw niet wind- of waterdicht was. Om het gebouw wind- en waterdicht te maken begroot de deskundige per verdieping drie mandagen werk en vier dagen voor andere voorzieningen, zoals de doorvoeren op het dak. De kosten begroot hij op € 42.798,-. Hij laat het oordeel over de vraag of dit kosten van herstel zijn aan de rechtbank.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.98.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het voor de start van de fijne afbouw nodig was dat het gebouw wind- en waterdicht was en dat dit is bereikt met tijdelijke maatregelen, waarvan blijkens het rapport van Van der Steen in ieder geval een aantal ontoereikend was. Ook voor tijdelijke maatregelen geldt dat deze moeten voldoen aan de maatstaf “goed en deugdelijk werk”. Dus heeft DLV recht op herstel van tijdelijke maatregelen die niet aan deze maatstaf voldoen. De rechtbank ziet de kosten om het gebouw (hoezeer ook tijdelijk) wind- en waterdicht te maken (wat het al had moeten zijn) als bespaarde kosten van herstel en volgt de begroting van de deskundige.<?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Scheurvorming eerste verdieping </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.99.</nr>
      <para>Dit onderwerp is in het tussenvonnis besproken in r.o. 8.35. Het herstel van deze scheur kost volgens DLV € 40.000,-. BN schat het op € 16.000,-. De deskundige gaat evenals partijen er vanuit dat de scheur geïnjecteerd moet worden. Hij begroot de werkzaamheden op 17 m2 en de kosten van een injectieploeg met materiaal op € 1.600,- per dag. Van der Steen schat in dat het twee dagen werk is. Met bijkomende werkzaamheden begroot hij de kosten op € 3.532,-. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4.100.	DLV vindt dat het niet inzichtelijk is hoe de deskundige tot dit bedrag is gekomen. Naar haar overtuiging is mede gezien de door BN en DLV geraamde bedragen de begroting van de deskundige onduidelijk en niet realistisch.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>4.101.	Het valt inderdaad op dat de deskundige deze kosten veel lager begroot dan beide partijen, maar zijn schatting is voldoende onderbouwd en de rechtbank ziet geen reden daarvan af te wijken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Bespaarde onderhouds- en garantieaanspraken, r.o. 9</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>4.102.	De rechtbank heeft in het tussenvonnis onder 9.1.3 overwogen: <?linebreak?><emphasis role="italic">“Nadat DLV heeft opgegeven welke garanties BN heeft verstrekt (onderbouwd met bewijsstukken) en BN daarop heeft kunnen reageren (en de rechtbank zo nodig daarover nader heeft beslist) zal de deskundige, gezien de in het bestek opgenomen garanties, moeten waarderen welke besparing het niet nakomen van de garanties oplevert.”</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>4.103.	Van der Steen heeft een kostenraming opgesteld ten aanzien van de bespaarde garantieaanspraken. Hij begroot de daardoor bespaarde kosten op € 384.814,-. Partijen hebben die begroting niet bestreden, maar BN heeft wel de daaraan toegevoegde post "bijdrage aan premie" van € 100.000,- bestreden.</para>
        <para>De deskundige heeft die post als volgt onderbouwd: <?linebreak?><emphasis role="italic">“Gevolgschade van een gebrek kan gedekt zijn of worden op een opstalverzekering. Gelet op de nieuwbouw zal sprake zijn van een laag risico. De deskundige overweegt uit oogpunt van afdekken van deze kosten, dat een bijdrage aan de premie wordt voorzien.”</emphasis></para>
        <para>BN betwist dat dit bespaarde kosten zijn, omdat zij voor het gebouw geen opstalverzekering gesloten zou hebben, zodat zij ook geen kosten bespaard heeft. </para>
        <para>Van der Steen heeft, nadat BN op het concept-rapport op dit punt kritiek had, het oordeel aan de rechtbank gelaten.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>4.104.	De rechtbank is met BN van oordeel dat BN in verband met de door haar verstrekte garanties geen verzekering heeft gesloten en dus ook geen premie bespaard heeft, doordat zij de garanties niet meer hoeft na te komen. Dat betekent dat de rechtbank deze post niet als bespaarde kosten in aanmerking zal nemen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie bespaarde herstelkosten en onderhouds- en garantieaanspraken</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>4.105.	Per saldo zijn de volgende kosten bespaard:</para>
      </parablock>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="3">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>Omschrijving</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Bedrag herstelkosten (€)</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Rechtsoverweging</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Volgens tussenvonnis</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>398.331</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>4.54</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Waterschade betonsparingen</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>520</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>4.65</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>HWC Plafondplaten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>23.034</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>4.66</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Gibowanden</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>33.943</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>4.70</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Dekvloer</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>156.065</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>4.73</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Diverse lekkages</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>3.615</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>4.74</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>MS-wanden</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>5.092</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>4.75</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Balkonankers</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>50.177</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>4.78</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Magnelis coating stalen frames</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>16.603</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>4.83</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Dilatatie </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>30.254</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>4.84</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Vlakheid wanden gangen</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>15.496</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>4.88</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Herstelwerkzaamheden hotelkamers</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>69.584</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>4.92</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Stucwerk gangen hotel</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>10.700</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>4.93</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Dilataties wanden algemene ruimten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>10.375</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>4.96</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Wind- en waterdichtheid</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>42.798</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>4.97</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Scheuren eerste verdieping</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>3.542</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>4.99</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Garantie aanspraken</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>384.814</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>4.103</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>1.254.943</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <parablock>
        <para>4.106.	De conclusie van het voorgaand is dat bij het opmaken van de eindafrekening een bedrag van € 1.254.943,- zal worden afgetrokken ter zake van de bespaarde onderhouds- en garantieaanspraken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">CAR-verzekering r.o. 10.2</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>4.107.	DLV heeft gesteld dat door beëindiging van de bouw de kosten van de CAR-verzekering worden bespaard tot een bedrag van € 80.844,- (0,36% van het niet uitgevoerde deel van het werk). Anders dan hiervoor onder 4.14 ziet deze stelling op de CAR-verzekering die is afgesloten in het kader van de aanneemovereenkomst en is dit geen aanvullende verzekering die wordt beschouwd als meerwerk. BN heeft aangevoerd dat er geen besparing is op de CAR-verzekering omdat die premie in een keer wordt betaald.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>4.108.	De rechtbank heeft BN opgedragen bewijsstukken in geding te brengen waaruit de omvang van de premiebetalingen en eventuele restitutie blijkt. De vervolgens door BN als E-227 in geding gebrachte stukken zien zowel op de CAR-verzekering in het kader van de aanneemovereenkomst, als op de verzekering van de nevenaannemers/meerwerk. Daarmee heeft BN haar standpunt onderbouwd dat zij de CAR-verzekering in het kader van de aanneemovereenkomst in een keer heeft betaald. Nu DLV in haar nadere akte alleen heeft gereageerd op de stukken die zien op de meerwerkposten, gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van DLV dat de voortijdige beëindiging van de bouw tot een besparing van de kosten van de CAR-verzekering in het kader van de aanneemovereenkomst heeft geleid. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Precario, r.o. 6.4 </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>4.109.	Tijdens de mondelinge behandeling op 10 september 2025 heeft DLV het voorstel van BN om de door BN niet betaalde precario van € 679.032,- in mindering te brengen op de eindafrekening tegen finale kwijting, geaccepteerd. De rechtbank zal daarom dit bedrag in mindering brengen op de eindafrekening.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Conclusie eindafrekening</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>4.110.	Het voorgaande leidt tot de volgende opstelling:</para>
      </parablock>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="5">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <colspec colname="colE" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>bij/af</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>Bedrag (€)</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Totaal (€)</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>r.o.</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>bij</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Aanneemsom</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="bold">71.150.000,-</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>bij</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Overeengekomen meer- en minderwerk en stelposten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>    8.720.461,-</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>4.21</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>bij</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Lopend meer- minderwerk</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>      550.467,-</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>4.33</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>bij</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Kosten als gevolg van de niet voltooiing</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>    4.299.288,-</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>4.43</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>Totaal bij aanneemsom</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="bold"> 13.570.216,-</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>af</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Bespaarde directe kosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>   11.312.008,-</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>4.44</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>af</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Bespaarde indirecte kosten </para>
              </entry>
              <entry>
                <para>    1.871.572,-</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>4.44</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>af</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Bespaarde kosten meer- en minderwerk</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>    2.127.233,-</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>4.53</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>af</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Bespaarde herstelkosten, onderhouds- en garantieafspraken</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>     1.254.943,-</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>4.106</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>Totaal aan besparingen </para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="bold">16.565.756,-</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>af</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Reeds betaald</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="bold"> 51.344.182,-</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>af</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Precario</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="bold">     679.032,-</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>Totaal door DLV te betalen </para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para>
                  <emphasis role="bold">16.131.246,-</emphasis>
                </para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <parablock>
        <para>4.111.	De conclusie is dat in het kader van de eindafrekening de door BN onder 3.1.1 gevorderde hoofdsom voor een bedrag van € 16.131.246,- zal worden toegewezen.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Rente over de eindafrekening en de openstaande termijnen</title>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Over de eindafrekening vordert BN wettelijke handelsrente vanaf 17 februari 2023, verhoogd met 2 % vanaf 14 dagen na 19 juli 2023 (datum conclusie na tussenvonnis). BN beroept zich daarbij op de in de aanneemovereenkomst toepasselijk verklaarde § 45. lid 1 en 2 UAV: </para>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">“1.Indien de opdrachtgever de in gevolge de overeenkomst verschuldigde betalingen niet tijdig verricht en de vertraging niet het gevolg is van een omstandigheid waarvoor de aannemer verantwoordelijk is, heeft deze aanspraak op vergoeding van rente tegen het wettelijk percentage met ingang van de dag, waarop de betaling uiterlijk had moeten geschieden. De rentevordering van de aannemer zal nimmer omvatten rente van rente.</emphasis>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">2.Indien na verloop van twee weken sedert de dag waarop de betaling uiterlijk had moeten geschieden, deze nog niet heeft plaats gevonden en een nadien door de aannemer verzonden schriftelijke aanmaning na verloop van veertien dagen evenmin tot betaling heeft geleid, wordt het in het voorgaande lid bepaalde percentage na het verstrijken van die veertien dagen met 2 verhoogd (…)”.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Over de openstaande termijnen als genoemd in productie E-123a vordert BN de wettelijke handelsrente, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Wettelijke handelsrente is verschuldigd als schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een geldsom die voortvloeit uit een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW. De tussen partijen gesloten aanneemovereenkomst is een overeenkomst tussen rechtspersonen om baat die beide partijen verplichten iets te geven of te doen en is daarom een handelsovereenkomst. Dat tussen partijen bovendien de onder 5.1 genoemde verhoging van 2% is overeengekomen, is niet in geschil.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>BN heeft de wettelijke handelsrente over de te laat betaalde facturen en over de ingediende maar nog openstaande facturen per 17 februari 2023 berekend op € 752.674,-, zoals blijkt uit productie E-123a. Zij brengt daarop in mindering de rente als opgenomen in het rapport van Vijverberg d.d. 12 juli 2023 ad € 333.927,-, aangezien deze rente anders dubbel zou worden gevorderd. BN vordert bovendien de contractueel overeengekomen verhoging van 2%.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>DLV betwist dat zij facturen te laat heeft betaald; zij betwist dat de reguliere termijnen, die geen enkele relatie hadden met de voortgang van het werk, aan BN verschuldigd zouden zijn. Deze discussie heeft uiteindelijk geleid tot het arrest in kort geding van het hof Amsterdam van 9 november 2022 (ECLI:NL:GHAMS:2022:3208). DLV moest toen 3 miljoen euro betalen, waarmee de discussie tot op dat moment beslecht was. Voor de toekomst heeft het hof een ordemaatregel getroffen die erop neerkwam dat DLV per maand achteraf € 1.825.000,- aan BN moest betalen, mits BN voortvarend zou doorwerken. Omdat DLV vond dat BN niet voortvarend doorwerkte, heeft DLV niet betaald. Daarop heeft BN haar werkzaamheden geschorst, het retentierecht uitgeoefend en uiteindelijk haar werkzaamheden in onvoltooide staat beëindigd. Mogelijke door DLV aan BN verschuldigde bedragen maken onderdeel uit van de afrekening in het kader van die beëindiging en gaan daar als het ware in op; de eindafrekening betreft een schadeloosstelling die losstaat van eventuele primaire betalingsverplichtingen uit hoofde van de aanneemovereenkomst, aldus DLV.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank zal DLV veroordelen tot betaling van de wettelijke handelsrente, vermeerderd met 2% over zowel de openstaande bedragen als de eindafrekening. Het verweer van DLV dat sprake is van een schadeloosstelling wordt verworpen.</para>
        <para>In het tussenvonnis van 17 mei 2023 (r.o. 5.1-5.2) heeft de rechtbank overwogen dat BN het werk mocht beëindigen in onvoltooide staat. In r.o. 5.4. van dat vonnis is geoordeeld dat BN op grond van § 45 lid 2 en 14 lid 10 UAV 2012 recht heeft op de aanneemsom, vermeerderd met de kosten die Ballast Nedam als gevolg van de niet voltooiing heeft moeten maken en verminderd met de door de beëindiging bespaarde kosten. Omdat de basis van de eindafrekening dus de aanneemsom is, met de voor dit geval in de overeenkomst bepaalde correcties, is de eindafrekening verschuldigd op grond van de overeenkomst en geldt ook voor de eindafrekening de voor de vertraagde betaling van de aanneemsom overeengekomen rente. De beëindiging in onvoltooide staat heeft op 17 februari 2023 plaatsgevonden, zodat DLV de wettelijke handelsrente verschuldigd is over de eindafrekening met ingang van 17 februari 2023. BN vordert de verhoging van 2% vanaf 14 dagen na 19 juli 2023, en de verhoging zal dus pas vanaf dat moment (2 augustus 2023) worden toegewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>Wat de openstaande bedragen betreft is het verweer van DLV dat deze niet te laat zijn betaald omdat deze geen enkele relatie hadden met de voortgang van het werk al verworpen in het tussenvonnis van 17 mei 2023 (r.o. 5.2.2). De openstaande bedragen waren primaire betalingsverplichtingen en niet is in te zien waarom deze dat karakter zouden verliezen op het moment dat zij deel uit gaan maken van de eindafrekening.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>DLV heeft de berekening van de rente over openstaande bedragen in productie 123a van BN niet bestreden. De rechtbank neemt deze daarom ook als uitgangspunt. BN heeft de gevorderde rente ter voorkoming van dubbeltelling gecorrigeerd met haar vordering van rentekosten wegens latere ontvangst van AK &amp; Winst, door Vijverberg berekend op € 333.927,- en komt daarmee op een rentebedrag van € 418.747,-. Dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 19 juli 2023 tot aan de dag van volledige voldoening. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Vertragingsschade</title>
    <bridgehead role="italic">Inleiding</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Beide partijen hebben vorderingen ingesteld in relatie tot de ontstane vertraging. In het tussenvonnis van 17 mei 2023 heeft de rechtbank overwogen dat indien de vertraging <emphasis role="underline">alleen in de invloedssfeer van BN</emphasis> ligt, BN geen recht heeft op verlenging van de bouwtijd en vertragingsschade. DLV kan in die situatie wel aanspraak maken op de overeengekomen korting op de aanneemsom uit artikel 12 van de overeenkomst.</para>
        <para>Als de vertraging <emphasis role="underline">alleen in de invloedsfeer van DLV</emphasis> ligt, heeft BN zowel recht op verlenging van de bouwtijd als op vergoeding van vertragingsschade. </para>
        <para>Als de vertraging <emphasis role="underline">gelijktijdig </emphasis>door BN én door DLV optreedt kan BN wel aanspraak maken op termijnverlenging (en dus heeft DLV geen recht op korting uit artikel 12), maar niet op vergoeding van vertragingsschade. Dit betekent dat voor door BN gevorderde vertragingsschade slechts relevant is de schade die alleen in de invloedsfeer van DLV ligt. </para>
        <para>Voor de door DLV gevorderde korting/vertragingsschade is relevant of BN recht heeft op verlenging van de bouwtijd en dus of de vertraging door DLV is opgetreden, ongeacht of die vertraging gelijktijdig met die van BN optreedt. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Bresters heeft op verzoek van de rechtbank onderzoek gedaan naar de opgetreden vertragingen, de oorzaken daarvan en de daaraan te verbinden gevolgen. In zijn rapport van 12 augustus 2024 heeft Bresters zijn bevindingen als volgt samengevat:</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <inlinemediaobject>
            <imageobject>
              <imagedata align="center" scale="100" fileref="b1a98f23-1d95-4592-959a-874296988f67" depth="331" width="605" format="image/png" />
            </imageobject>
          </inlinemediaobject>Kort samengevat komt zijn analyse erop neer dat BN over de periode van de schorsing (28 kalenderweken/25 werkweken) en de vertraging door de bestekswijziging van de 1e en 2e verdiepingsvloer (5 kalenderweken/3 werkweken), recht heeft op vertragingsschade. </para>
        <para>In het werk aan de eerste tot derde verdiepingsvloer is volgens Bresters 11 werkweken vertraging opgetreden, waarvan er 8 aan BN zijn te wijten (naast de drie genoemde werkweken vertraging door bestekwijziging ten laste van DLV).</para>
        <para>Vanaf de start van de 4e verdiepingsvloer tot beëindiging in onvoltooide staat op 17 februari 2023 is volgens Bresters sprake van samenlopende vertraging. De rechtbank komt hierop terug in r.o. 6.21 en volgende. <?linebreak?>In deze periode constateert Bresters de volgende vertragingen. </para>
        <para>De wijziging in de uitvoeringsfasering van de 8e verdieping heeft tot 9 weken vertraging geleid, waarvan volgens Bresters 6 weken voor rekening van BN komt en 3 weken voor rekening van DLV. </para>
        <para>Volgens Bresters hebben de werkzaamheden aan de gevel tijdelijk stilgelegen doordat BN de onderaannemer Leebo heeft vervangen. De netto vertraging begroot Bresters op 22 werkweken. Ook de stort van de vloeren is vertraagd en wel met 25 werkweken. Daarvan kwamen 6 werkweken voor rekening van DLV en 19 van BN.</para>
        <para>Bresters stelt vast dat DLV op diverse punten informatie te laat heeft verstrekt. Daarbij is het meest bepalend dat de opdracht voor de stelpost systeemplafonds (uitgaande van de planning die was bijgesteld na de schorsing) 2 jaar en 3,5 maand te laat is verstrekt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De aan DLV toe te rekenen vertragingen </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>Bresters heeft vastgesteld dat het werk geschorst is geweest van 12 juli 2019 tot en met 1 november 2019. Die schorsing was een vertragingsoorzaak aan de zijde van DLV en lag op het kritieke pad. Na de schorsing was mobilisatie nodig, die een direct gevolg is van de schorsing en moet worden meegerekend. Door de schorsing is de oplevering van het werk met 28 kalenderweken/25 werkweken verschoven. DLV is voor de gevolgen daarvan aansprakelijk. Bresters begroot de vertraging als gevolg van bestekwijzigingen op 5 kalenderweken/3 werkweken op het kritieke pad. Ook deze vertraging is aan DLV te wijten. In totaal is de vertraging die aan DLV is te wijten dus 33 kalenderwerken/28 werkweken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <para>DLV heeft aangevoerd dat er ten tijde van de schorsing al een vertraging van tien weken was opgetreden en dat die vertraging op de vertraging door de schorsing in mindering moet worden gebracht. Bresters heeft in zijn rapport (pagina 11) uiteengezet waarom dit onjuist is en de rechtbank volgt de deskundige op dit punt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Schade door vertraging die toerekenbaar is aan DLV</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.6.</nr>
      <para>
        <inlinemediaobject>
          <imageobject>
            <imagedata align="center" scale="100" fileref="f90ee704-75fc-4409-a911-5bed5f6b0302" depth="205" width="605" format="image/png" />
          </imageobject>
        </inlinemediaobject>In totaal begroot Bresters de aan DLV toerekenbare vertraging op 33 werkweken. De schade heeft hij als volgt begroot <?linebreak?></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>- <emphasis role="italic">Algemene bouwplaatskosten</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.7.</nr>
      <parablock>
        <para>De deskundige begroot de algemene bouwplaatskosten op € 1.004.013,-. DLV stelt dat BN aanspraak heeft gemaakt op een bedrag van € 478.892,- en dat dit de bovengrens is. </para>
        <para>Wat het materieel betreft wijst DLV op de opstellingen van Vijverberg en BNN: deze werd door de deskundige begroot op € 32.265,-. Vijverberg begroot deze kosten op € 7.450,- en BNN kwam op een vergelijkbaar bedrag. Ook voor ketenpark, werkterrein, tijdelijke installaties en verbruikkosten heeft de deskundige hogere bedragen begroot dan Vijverberg. <?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.8.</nr>
      <para>Het feit dat partijen of een van hen eerder een bepaalde post lager begroot hebben dan de deskundige is geen reden om van de begroting van de deskundige af te wijken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.9.</nr>
      <para>DLV heeft verder gewezen op de door de deskundige begrote post precario (€ 109.368,-). Inmiddels is gebleken dat BN geen precario betaald heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.10.</nr>
      <para>Ter zitting heeft BN bevestigd dat zij geen precario betaald heeft; de rechtbank zal deze post schrappen. Dit brengt de Algemene bouwplaatskosten op € 1.004.013,- minus € 109.368,- = € 894.645,-.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>- <emphasis role="italic">Car-verzekering en bankgarantie</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.11.</nr>
      <para>DLV stelt dat ook de post CAR-verzekering onterecht is, omdat BN door de voortijdige beëindiging kosten bespaard heeft op de CAR-verzekering.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.12.</nr>
      <para>Bresters heeft hier uitsluitend de gevolgen van de voor rekening van DLV komende vertraging beoordeeld en terecht vastgesteld dat een verlenging van de bouwtijd die ten laste komt van DLV ook extra kosten van de CAR-verzekering tot gevolg heeft. Of de beëindiging in onvoltooide staat tot een besparing heeft geleid wat de CAR-verzekering betreft is een vraag die hier los van staat en die hiervoor onder 4.107 is beoordeeld. De rechtbank zal op dit punt niet afwijken van de schadeopstelling van de deskundige en een bedrag toekennen van € 74.151,-. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.13.</nr>
      <para>Tijdens de mondelinge behandeling heeft DLV aangevoerd dat Bresters in zijn deskundigenbericht ten onrechte een bedrag van € 59.400,- aan extra premie voor de CAR-verzekering heeft opgenomen omdat de rechtbank dit bedrag reeds als meerwerkfactuur [post 5] in de voorlopige eindafrekening had opgenomen (zie 5.11 spreekaantekeningen DLV). DLV wordt daarin niet gevolgd. Uit hetgeen hiervoor onder r.o. 4.17 is overwogen blijkt dat [post 5] ziet op de CAR-premie die door BN is betaald voor nevenaannemers, terwijl het door Bresters in het deskundigenbericht genoemde bedrag van € 59.400,- aan extra CAR-premie ziet op de vertragingsschade die BN heeft opgelopen in de periode van 33 weken tijdens de schorsing en de vertraging door de bestekwijziging van de 1e en 2e verdiepingsvloer (zie bladzijde 57 en tabel 5.13 deskundigenbericht Bresters). In die periode lag de vertraging geheel en alleen in de invloedsfeer van DLV, zodat BN recht heeft op vergoeding van door die vertraging geleden schade, waaronder de premie voor de CAR-verzekering. Anders dan DLV stelt gaat het hier dus niet om een dubbeltelling van een reeds in de voorlopige eindafrekening opgenomen bedrag. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>- <emphasis role="italic">AK onderdekking en winstderving</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.14.</nr>
      <para>DLV stelt dat de schorsing lang van tevoren was aangekondigd, zodat BN haar personeel elders had kunnen en moeten inzetten, waardoor zij geen recht heeft op schadevergoeding over de periode van de schorsing.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.15.</nr>
      <para>BN stelt dat zij haar personeel tijdens de schorsing niet elders heeft kunnen inzetten omdat zij langlopende projecten uitvoert, met een strakke planning. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.16.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank volgt de begroting van de schade van de deskundige. De deskundige heeft de onderdekking AK en winstderving over de aan DLV toe te rekenen vertraging van 33 kalenderweken berekend, maar tekent daarbij aan dat het aan de rechtbank is deze eventueel te matigen omdat personeel elders ingezet zou kunnen worden. De rechtbank ziet aanleiding voor deze matiging. BN wist al enige maanden voor de schorsing plaatsvond dat deze mogelijk zou plaatsvinden. Dat betekent dat BN ten minste rekening moest houden met de mogelijkheid dat haar personeel tijdelijk niet op het project Galaxytower kon worden ingezet. Gezien haar schadebeperkingsplicht mocht van BN worden verwacht dat zij zich er voor zou inspannen dat haar personeel elders zou worden ingezet. Gezien de vraag naar personeel in de bouw in de betrokken periode is niet aannemelijk dat al het personeel tijdens de schorsing werkeloos thuis heeft gezeten. Evenmin kan worden aangenomen dat al het personeel volledig aan het werk is geweest. Ook is van belang dat de bouwvak in de schorsing viel. Verder betrekt de rechtbank bij haar beslissing dat de aanloop naar de schorsing onrustig is verlopen. Er was stevige discussie over de gevolgen van de schorsing voor de overeenkomst en uit het dossier blijkt dat nadat eerder een mogelijke schorsing ter sprake was gekomen eind januari 2019 nog een bericht kwam van DLV dat er van schorsing geen sprake zou zijn. Uiteindelijk is die schorsing er dan toch wel gekomen.</para>
        <para>Dit alles maakt dat de rechtbank de inzet van personeel elders stelt op 25 % van € 1.113.816,-. Dus wordt deze post gematigd tot driekwart, te weten tot € 835.362,-.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.17.</nr>
      <para>DLV stelt dat sprake is van dubbeltelling, omdat BN door de beëindiging in onvoltooide staat al een volledige vergoeding van AK en winst ontvangt. BN betwist dat sprake is van dubbeltelling.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.18.</nr>
      <para>Van dubbeltelling is geen sprake. Als het project volledig was uitgevoerd zou BN immers ook recht hebben gehad op de oorspronkelijk overeengekomen AK en winst en daarnaast een vergoeding daarvan over de aan DLV toe te rekenen vertraging.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>- <emphasis role="italic">Claims onderaannemers</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.19.</nr>
      <para>Bresters heeft de volgende volgens opgave van BN door onderaannemers in rekening gebrachte kosten, als uitgangspunt genomen:</para>
      <mediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="5df51832-af0e-40a9-ab9a-cf94f7e110a7" depth="144" width="385" format="image/png" />
        </imageobject>
      </mediaobject>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.20.</nr>
      <para>In haar reactie op het concept-deskundigenbericht (en nogmaals in haar conclusie na deskundigenbericht) heeft DLV opgemerkt dat de € 300.000,- van [naam B.V. 1] B.V. ziet op een periode van 52 weken. De deskundige heeft deze post op basis van de door hem vastgestelde vertragingsperiode gecorrigeerd naar 33/52 x € 300.000,- is € 190.385,- en het bedrag voor M&amp;C ook: 28 werkweken x € 1.000,- is € 28.000,-. Naar aanleiding van deze opmerkingen heeft de deskundige ook besloten het bedrag van Leebo te corrigeren naar € 182.610,- (28/46 x € 300.000,-). Het te vergoeden bedrag voor ‘claims onderaannemers’ komt daarmee uit op € 696.126,-.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.21.</nr>
      <para>DLV heeft in reactie op het deskundigenrapport een verdere correctie bepleit op basis van een gestelde vertraging van 18 weken. De rechtbank volgt DLV daarin niet, omdat DLV hierbij kennelijk uitgaat van het onder 6.5 al besproken en verworpen standpunt dat BN voor de schorsing 10 weken vertraagd was en dat die vertraging in mindering komt op de DLV te verwijten vertraging.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.22.</nr>
      <para>Met inachtneming van deze wijzigingen komt de rechtbank tot de volgende opstelling van de vertragingsschade als gevolg van de aan DLV toerekenbare schorsing. </para>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="3">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>Kostenpost</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Kosten (€)</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>Rechtsoverweging</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Algemene bouwplaatskosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>894.645</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>6.10</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>CAR-verzekeringen en Bankgarantie</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>74.151</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>6.12</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Ak-onderdekking en Winstderving</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>835.362</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>6.16</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Claims onderaannemers</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>696.126</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>6.21</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>=======</para>
                <para>2.500.284</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Samenlopende vertragingsoorzaken</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.23.</nr>
      <para>Omdat het in deze zaak gaat om een beëindiging in onvoltooide staat, hoeft de rechtbank alleen te oordelen over de vertragingen die zijn opgetreden voorafgaand aan die beëindiging, dus over het uitgevoerde werk. Voor zover partijen en de deskundige zich hebben gebaseerd op de te verwachten totale duur van het project gaat de rechtbank daaraan voorbij.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.24.</nr>
      <para>De rechtbank is met de deskundige van oordeel dat het wind- en waterdicht maken van het gebouw aanvankelijk op het kritieke pad lag. In de tijd dat dat zo was, is vertraging opgetreden door langzamer werken dan gepland. Door tijdelijke maatregelen heeft BN het gebouw op 20 juli 2022 ‘wind- en waterdicht’ gemaakt. Met de deskundige is de rechtbank van oordeel dat vanaf dat moment de afbouw op het kritieke pad lag.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.25.</nr>
      <para>De gegevens die DLV te laat heeft aangeleverd waren volgens de deskundige nodig voor de afbouw. Na het verstrekken van de gegevens inzake de plafonds (en het daarvoor verstrekken van een opdracht) was een periode van 33 weken nodig alvorens deze werkzaamheden daadwerkelijk konden beginnen. <?linebreak?>Voor het zonder vertraging kunnen afbouwen was dus enerzijds nodig dat het gebouw wind- en waterdicht was en anderzijds dat de benodigde gegevens 33 weken voor het begin van de afbouw beschikbaar waren. Dat betekent dat BN op 1 december 2021, 33 weken voor 22 juli 2022, over de gegevens moest kunnen beschikken. Het verstrekken van deze gegeven ligt dus op het kritieke pad vanaf 1 december 2021.<?linebreak?>6.26.	De opdrachtverstrekking vond plaats op 21 november 2022 en was dus te laat, dus dit is een aan DLV toe te rekenen vertraging op het kritieke pad. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.27.</nr>
      <para>De deskundige heeft vastgesteld dat de werkzaamheden tot het moment van het wind- en waterdicht maken met een jaar zijn uitgelopen. Volgens ATS 1.5 VN (regel 496: Wind- en Waterdicht, Verdieping 23-dak) zou dit gereed moeten zijn op 1 juli 2021, in werkelijkheid was het gebouw op 20 juli 2022 wind- en waterdicht. De oorzaak hiervan ligt voornamelijk in het langzamer werken aan de gevels als gevolg van het wisselen van onderaannemer. Dit is een vertraging op het kritieke pad die voor rekening van BN komt.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.28.</nr>
      <para>Per saldo was er in de periode van 1 juli 2021 tot 1 december 2021 een vertraging op het kritieke pad die uitsluitend aan BN was toe te rekenen, maar in de periode van 1 december 2021 tot en met 21 juli 2022 waren er samenlopende vertragingen op het kritieke pad. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.29.</nr>
      <parablock>
        <para>Gevolg hiervan is dat BN over de periode van 1 december 2021 tot en met 21 juli 2022 bouwtijdverlenging krijgt, maar dat zij voor de vertraging over de periode van 1 juli 2021 tot en met 1 december 2021 (een periode van 153 dagen) aansprakelijk is voor de gevolgen van de vertraging, te weten de overeengekomen contractuele korting. </para>
        <para>De bouwtijdverlenging is in dit geding niet relevant omdat de bouw niet is voltooid. Op de korting komt de rechtbank hierna terug.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.30.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank wijkt hier af van het oordeel van de deskundige, omdat dat oordeel is gebaseerd op de te verwachten totale duur van het project. De deskundige heeft echter ook het volgende opgemerkt:<?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“In ATS 1.5 VN zou op 2 april 2021 gestart worden met de plafonds op de 9e verdieping (regel 669). Bij de beantwoording van vraag 1 is aangegeven dat op basis van de in ATS 1.5 Stelposten opgenomen doorlooptijd na opdrachtvertrekking tot start uitvoering de opdracht op 7 augustus 2020 (week 32-2020) had moeten worden verstrekt. Als gevolg van de te late opdrachtverstrekking op 22 november 2022 zou de opleverdatum 2 jaar en 3 maanden verschuiven. In voorgaande is aangegeven dat de fijne afbouw op de 9e verdieping 1 jaar later dan gepland in ATS 1.5 VN is gestart (februari 2021 ➔ februari 2022). Vervolgens ontstond in de cementdekvloeren 3 maanden vertraging. De plafonds zouden door deze vertragingen zo’n 1 jaar en 3 maanden later hebben kunnen starten. Indien naar het verschoven kritieke pad wordt gekeken is de opdracht circa 1 jaar te laat verstrekt.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De deskundige komt hier op grond van het <emphasis role="italic">verschoven kritieke pad</emphasis> tot een ander oordeel dan bij de beantwoording van de vragen, waarin hij uitgaat van de bijgestelde planning na de schorsing en een vertraging van 2 jaar en 3 maanden. Daarbij merkt de rechtbank op dat ook deze analyse berust op een analyse op grond van de te verwachten datum van oplevering, terwijl in deze zaak alleen vertragingen op het kritieke pad in de periode tot de beëindiging in onvoltooide staat relevant zijn. De rechtbank ziet daarin aanleiding ook deze analyse niet te volgen, maar in plaats daarvan uit te gaan van de onder 6.28 genoemde aan elk van partijen toe te rekenen vertraging.<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.31.</nr>
      <para>In bovenstaande benadering is rekening gehouden met de volgende door partijen geuite kritiek op het rapport van Bresters, te weten (kort samengevat):<?linebreak?>-	DLV: De deskundige heeft zijn oordeel ten onrechte gebaseerd op mogelijke in de toekomst vertragingen, die zich ten tijde van de beëindiging nog niet hadden voorgedaan.</para>
      <para>- BN: De deskundige heeft zijn analyse ten onrechte niet gebaseerd op onderdelen van het werk die op 17 februari 2023 nog niet uitgevoerd konden worden wegens vertraging in de voorbereiding van de werkzaamheden wegens het ontbreken van de daarvoor benodigde gegevens. </para>
      <para>- BN: Anders dan de deskundige meent eindigt de samenloop op het moment dat de gevel niet meer op het kritieke pad lag.</para>
      <para>- BN: De deskundige heeft er ten onrechte geen rekening mee gehouden dat het kritieke pad gedurende een project kan veranderen; of een event tot vertraging heeft geleid moet worden bepaald aan de hand van het kritieke pad op het moment dat het event zich voordoet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.32.</nr>
      <para>De rechtbank verwerpt het standpunt van BN dat de vertraagde verstrekking van gegevens door DLV het kritieke pad bepaalden en dat daarom geen sprake is van samenloop. Immers de deskundige heeft vastgesteld dat de werkzaamheden aan de gevel tijdelijk hebben stilgelegen doordat BN de onderaannemer Leebo heeft vervangen en dat de stort van de vloeren is vertraagd. Deze werkzaamheden lagen eveneens op het kritieke pad tot het gebouw wind- en waterdicht was en zouden tot vertraging hebben geleid, ook als DLV de informatie over de plafonds tijdig zou hebben aangeleverd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.33.</nr>
      <para>BN heeft in haar reactie op het rapport van Bresters ook nog enige onjuistheden gesignaleerd en stelt dat het rapport niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, althans dat de deskundige nadere vragen zouden moeten worden gesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.34.</nr>
      <para>De rechtbank acht de feitelijke onjuistheden – wat daar ook van zij – niet zodanig bepalend voor de conclusies van de deskundige dat het rapport daarom onjuist of onbruikbaar zou zijn. De rechtbank acht het rapport bruikbaar en baseert daarop haar oordeel zoals hiervoor uiteengezet. Voor het stellen van nadere vragen aan de deskundige of aanvulling van het rapport ziet de rechtbank geen aanleiding.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Aan BN toe te rekenen vertraging; de korting van artikel 12 bij te late oplevering</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.35.</nr>
      <para>Zoals onder 6.3 vermeld is aan BN door langzamer werken aan de eerste tot derde verdiepingsvloer een vertraging van 8 weken toe te rekenen. Daarnaast is BN zoals onder 6.29 overwogen aansprakelijk voor de vertraging van 1 juli 2021 tot en met 1 december 2021 (een periode van 153 dagen). <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.36.</nr>
      <parablock>
        <para>DLV heeft zich beroepen op de in de aanneemovereenkomst bepaalde korting bij vertraging (artikel 12 van de aanneemovereenkomst). Volgens deze bepaling geldt een korting per kalenderdag dat meer dan veertien dagen te laat wordt opgeleverd van € 5.000,- voor het hotel en € 50,- per appartement. Omdat er 317 appartementen zijn is dat 317 x 50 + 5.000 = € 20.850,- exclusief BTW per kalenderdag. De korting bedraagt volgens genoemde bepaling maximaal € 1.000.000,- en heeft te gelden als een gefixeerde schadevergoeding.</para>
        <para>DLV stelt dat de vertragingsschade zeer veel meer bedraagt dan € 1.000.000,- zodat de rechtbank zou moeten terugkomen van haar eerdere oordeel (in 5.14 van het tussenvonnis van 17 mei 2023) dat BN een beroep toekomt op het in artikel 12 bepaalde maximum. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.37.</nr>
      <para>BN acht artikel 12 niet toepasselijk omdat er niet is opgeleverd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.38.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat artikel 12 naar de letter niet van toepassing is, omdat er niet is opgeleverd. In de overeenkomst is niet geregeld welke consequenties worden verbonden aan door de aannemer veroorzaakte vertragingen in het geval het werk in onvoltooide staat wordt beëindigd. Dat is een leemte in de overeenkomst. Dat vertragingen in dat geval geen gevolg zouden hebben is een onaannemelijk resultaat. De rechtbank is daarom van oordeel dat op grond van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid artikel 12 van de tussen partijen gesloten aanneemovereenkomst van overeenkomstige toepassing moet zijn op de situatie dat de aannemer vertraging heeft veroorzaakt van meer dan veertien dagen en het werk is beëindigd in onvoltooide staat.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.39.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet geen aanleiding terug te komen van het in het tussenvonnis van 17 mei 2023 onder 5.14 gegeven oordeel dat de korting maximaal € 1.000.000,- bedraagt en er geen aanleiding is dat maximum te doorbreken.</para>
        <para>Op grond van de opgetreden vertragingen van 8 weken – 14 dagen + 153 dagen = 195 dagen zou de korting uitkomen op 195 x € 20.850,- = € 4.065.750,-. Het maximum bedraagt echter € 1.000.000,-. De rechtbank zal dat bedrag als korting op de aanneemsom in de berekening opnemen. Het bedrag wordt van de aanneemsom afgehaald, niet van de vertragingsschade (hetgeen gevolgen zou kunnen hebben voor verschuldigde rente), omdat artikel 12 van de aanneemovereenkomst bepaalt dat de aanneemsom wordt gekort. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie vertragingsschade</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.40.</nr>
      <para>Het voorgaand leidt tot de conclusie dat BN ter zake van de vertragingsschade recht heeft op een bedrag van € 2.500.284,-.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Rente over de vertragingsschade</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.41.</nr>
      <para>De wettelijke rente over de vertragingsschade zal worden toegewezen als gevorderd vanaf de dag van de dagvaarding. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Door DLV getrokken bankgarantie en rente</title>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>In het tussenvonnis is voor twee bankgaranties een voorlopige voorziening getroffen (r.o. 12.9). Deze twee bankgaranties worden in deze en de volgende paragraaf behandeld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>In het tussenvonnis is bij wijze van voorlopige voorziening de vordering van BN tot terugbetaling van de door DLV getrokken bankgarantie van € 3.625.000,- toegewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3.</nr>
      <para>Een voorlopige voorziening als de onderhavige is naar haar aard een beslissing die gegeven wordt in afwachting van, en vooruitlopend op, de beslissing in de hoofdzaak. Vanaf de datum waarop het desbetreffende vonnis in de hoofdzaak is uitgesproken, heeft dit vonnis rechtskracht en vervangt het daarmee het provisionele vonnis voor zover daarin is beslist op een vordering die vooruitloopt op dezelfde vordering in de hoofdzaak. De rechtbank zal de vordering van BN onder 3.1.4, onder verwijzing naar de beoordeling als opgenomen in r.o. 12.4 t/m 12.9 van het tussenvonnis van 5 juni 2024, daarom ook in de hoofdzaak toewijzen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Omdat het onterecht uitwinnen van de door BN gestelde bankgarantie schade oplevert, zal de rechtbank de wettelijke rente over de bankgarantie als gevorderd onder 3.1.4 en 3.1.8 toewijzen vanaf de dag waarop de bankgarantie aan DLV is uitgekeerd tot aan de dag der algehele voldoening, te weten een bedrag van € 334.507,76, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2025. </para>
        <para>
          <emphasis role="bold">8.	Kosten, rente en teruggaaf van de door BN gestelde bankgarantie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>In het tussenvonnis van 5 juni 2024 (r.o. 12.9) is bij wijze van voorlopige voorziening beslist dat de vordering van BN tot retournering van de bankgarantie met nummer [nummer] , op straffe van een dwangsom wordt toegewezen. Onder verwijzing naar hetgeen vermeld onder r.o. 7.3, zal deze vordering ook in de hoofdzaak worden toegewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2.</nr>
      <para>BN vordert betaling van € 618.639,- aan kosten voor het stellen van de bankgarantie en gederfde rente wegens latere betaling door derden van wege het door DLV gelegde beslag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.3.</nr>
      <para>DLV stelt dat het <emphasis role="underline">beslag </emphasis>niet onrechtmatig is. Uit hetgeen hiervoor onder r.o. 8.1 is overwogen blijkt dat de ter opheffing van het beslag gestelde bankgarantie moest worden teruggegeven, omdat de vordering tot zekerheid waarvan het beslag was gelegd en de vervangende zekerheid was gesteld niet bestond. Daaruit volgt dat het leggen van het beslag onrechtmatig is geweest, zodat DLV aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.4.</nr>
      <para>BN heeft de kosten van het stellen van de <emphasis role="underline">bankgaranti</emphasis>e onderbouwd met de als E-131 in het geding gebrachte factuur van Zurich van € 299.691,70 te betalen voor 12 februari 2023. DLV heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot deze kosten of de gevorderde wettelijke rente daarover. De rechtbank zal de wettelijke rente over € 299.692,- toewijzen vanaf de gevorderde datum (19 juli 2023).<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.5.</nr>
      <para>BN heeft de gederfde rente vanwege de latere <emphasis role="underline">betaling door derden</emphasis> aan BN vanwege het door DLV gelegde beslag onder deze derden berekend op € 388.947,- (productie E-132). <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.6.</nr>
      <para>DLV stelt dat de vordering tot betaling van de gederfde rente vanwege de latere betaling door derden aan BN vanwege het door DLV gelegde beslag, moet worden afgewezen. BN had het zelf in de hand om de periode tussen het leggen van het beslag (7 september 2022) en het stellen van zekerheid (23 december 2022) zo kort mogelijk te houden. Dat BN bijna 4 maanden heeft gewacht met het entameren van een opheffingskort geding of het stellen van genoegzame zekerheid, in welke periode de beslagen derden geen betalingen aan BN konden verrichten, ligt in de risicosfeer van BN, aldus DLV. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.7.</nr>
      <para>Met haar stellingen doet DLV een beroep op de schadebeperkingsplicht van BN. Dit beroep slaagt gedeeltelijk. Onder professionele partijen is voldoende bekend dat een beslag kan worden opgeheven als vervangende zekerheid wordt gesteld en dit mag dan ook behoudens bijzondere omstandigheden als schadebeperkende maatregel worden verwacht. De rechtbank acht een termijn van zes weken voldoende om vervangende zekerheid te kunnen stellen. In dit geval is de vervangende zekerheid gesteld na 15 weken. De rechtbank zal daarom 6/15 = 40% van de gestelde schade toewijzen (40% van 388.947 = € 155.579,-), met de wettelijke rente daarover vanaf 6 weken na beslaglegging, dus met ingang van 19 oktober 2022.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Doorlopende kosten</title>
    <paragroup>
      <nr>9.1.</nr>
      <para>BN vordert in totaal € 784.608,- aan doorlopende (tijdgeboden) kosten tot en met 1 juli 2025. Het gaat om: </para>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="2">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>stafkosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 354.873</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>opslagkosten bouwmaterialen</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 341.859</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>kosten liftinstallaties</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>   € 7.128</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>levering- en verbruikskosten elektra, water, etc</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>  € 80.748</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Stafkosten BN van 1 januari 2024 tot en met 1 juli 2025 </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.2.</nr>
      <para>Eerder heeft de rechtbank overwogen dat BN aanspraak kan maken op daadwerkelijke loonkosten in verband met de niet-voltooiing van het werk (zie 5.3 t/m 5.4.3 van het tussenvonnis van 5 juni 2024). BN vordert nu kosten die betrekking hebben op reguliere bezoeken ten behoeve van de beveiliging en veiligheid van het gebouw, huismeestertaken, de begeleiding van de kwaliteitsdeskundige in het kader van het onderzoek naar de bespaarde herstelkosten, het verschaffen van toegang aan toezichthouders van de gemeente Utrecht, het registreren en doorgeven van meterstanden, het afsluiten van aanvullende overeenkomsten voor de opslag van bouwmaterialen en het tijdelijk afdichten van de daken op diverse verdiepingen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.3.</nr>
      <para>DLV heeft hier tegenin gebracht dat deze kosten niet voor haar rekening kunnen worden gebracht. Als de kosten al daadwerkelijk zijn gemaakt – wat DLV betwist – zien de kosten op interne bedrijfsvoering en komen ze daarom niet voor vergoeding in aanmerking. DLV wijst erop dat het onaannemelijk is dat bijvoorbeeld een <emphasis role="italic">commercial manager</emphasis> 1.462 uur is ingezet in verband met het uitoefenen van het retentierecht door BN en dat stafkosten die zien op begeleiding van de door de rechtbank aangewezen deskundigen niet voor vergoeding in aanmerking komen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.4.</nr>
      <para>BN heeft met de omschrijving van de werkzaamheden van haar medewerkers, die ondersteuning vinden in het kostenoverzicht, voldoende gemotiveerd onderbouwd dat het gaat om werkzaamheden in verband met de niet-voltooiing van het werk. Er is geen grond om te twijfelen aan het daadwerkelijk uitvoeren van die werkzaamheden, aangezien BN inderdaad diverse taken heeft verricht als retentor. Dat is anders voor zover het gaat om kosten voor de begeleiding van de deskundige in het kader van het onderzoek naar de bespaarde herstelkosten. De kosten die partijen in dat kader maken worden meegenomen bij de proceskosten (zie artikel 6:96 lid 3 BW) en kan BN dus niet apart vorderen. De uren van de medewerkers van BN die blijkens het rapport van deskundige Van der Steen bij de voorbespreking (23 januari 2025) en voorschouw (30 januari 2025) aanwezig waren, zullen in mindering worden gebracht op de gedeclareerde stafkosten. De rechtbank rekent de uren van die twee weken toe aan kosten in het kader van het deskundigenonderzoek. Het gaat om: </para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>mw. [naam 1] 10 + 12 uur à € 79,- is € 1.738,-</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dhr. [naam 2] 3 + 8 uur à € 126,- is € 1.386,-</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dhr. [naam 3] 4 uur à € 105,- is € 420,-</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dhr. [naam 4] 10 + 17 uur à € 119,- is € 3.213,-</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dhr. [naam 5] 8 uur à € 65,- is € 520,-</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>In totaal zal daarmee € 7.277,- in mindering worden gebracht op de stafkosten (van € 354.873,-) en zal dus € 347.596,- worden toegewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Opslagkosten bouwmaterialen tot 1 juli 2025</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.5.</nr>
      <para>BN vordert in totaal € 341.859,- aan opslagkosten, bestaande uit kosten voor de opslag van bouwmaterialen bij:</para>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="2">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>Timmerfabriek De Kroon</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 59.400</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Staalbouw Nagelhout Bakhuizen</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 6.000</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Kingspan</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 66.132</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>HSE (Daloc)</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 82.555</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Theuma</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 11.105</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Van Boxtel tot 1 april 2025</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 92.202</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Van Boxtel van 1 april 2025 t/m 1 juli 2025</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 24.465</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.6.</nr>
      <para>Voor zover het gaat om de opslag van materiaal waarover is geoordeeld dat BN dit materiaal voor het werk heeft afgenomen en dat het door haar niet meer te gebruiken is, dient DLV de opslagkosten te vergoeden. Het gaat om bouwmateriaal van Kingspan (zie hiervoor onder 4.38) en om bouwmaterialen van Timmerfabriek De Kroon, Staalbouw Nagelhout Bakhuizen, HSE (Daloc) en Theuma (de niet uitgezonderde bouwmaterialen van productie E-120, zie 5.20 van het tussenvonnis). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.7.</nr>
      <para>DLV betwist dat BN daadwerkelijk kosten heeft gemaakt voor de opslag bij de vijf leveranciers (Timmerfabriek De Kroon, Staalbouw Nagelhout Bakhuizen, Kingspan, HSE (Daloc) en Theuma). En als dat wel zo is, dan zijn die kosten niet redelijk volgens DLV, omdat de opslag nauwelijks iets behelst en goedkoper had gekund, bijvoorbeeld bij Van Boxtel of op het bouwterrein van Galaxy. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.8.</nr>
      <para>Op grond van de door BN overgelegde facturen en betaalbewijzen komt de rechtbank tot de conclusie dat BN deze opslagkosten inderdaad heeft gemaakt. Over de facturen van HSE (Daloc) had DLV nog opgemerkt dat die op onderdelen onleesbaar zijn en bewerkt lijken. Er lijkt inderdaad iets te zijn misgegaan bij het uitdraaien van die facturen, maar op grond van hetgeen wel leesbaar is, in combinatie met de betaalbewijzen, stelt de rechtbank vast dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Dat BN – zoals DLV voorstelt – al deze bouwmaterialen ook bij een andere opslag of op het bouwterrein zelf had kunnen opslaan en zo minder kosten had kunnen maken, is zonder nadere toelichting niet waarschijnlijk, alleen al omdat de ruimte op het bouwterrein van Galaxy niet onbeperkt is. De gevorderde opslagkosten bij de vijf leveranciers zullen dan ook worden toegewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.9.</nr>
      <para>BN heeft uitgelegd dat zij de overige materialen die op de lijst van E-120 staan heeft overgebracht naar Van Boxtel. Zij vordert € 92.202,- voor het transport en de opslag van die materialen, omdat dit de kosten zijn die Van Boxtel bij haar in rekening heeft gebracht. DLV betwist niet dat het inderdaad gaat om de materialen van andere leveranciers en dat BN deze rekeningen van Van Boxtel heeft voldaan. De kosten die BN heeft moeten maken om deze materialen naar Van Boxtel over te brengen en op te slaan dient DLV te vergoeden, met uitzondering van de materialen die op het bouwterrein of in de kelder van Galaxy lagen. Het gaat om pallets tegels. Het is niet duidelijk waarom het noodzakelijk was om deze materialen elders op te slaan, zoals DLV terecht heeft opgemerkt. Uit de factuur van Van Boxtel van 5 september 2024 volgt dat BN in de periode van 1 juli 2024 t/m 11 juli 2024 in totaal 327 pallets tegels vanaf Galaxy naar Van Boxtel heeft laten overbrengen. De daarmee gepaard gaande kosten (uurtarief Van Boxtel, inslagkosten, brandstofkosten, heftruckkosten) hoeft DLV niet te betalen. Het gaat om:</para>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>1 juli 2024: 32 pallets € 2.015,31 (75,00 + 514,50 + 15,44 + 464,00 + 13,92 + 75,00 + 832,50 + 24,98) </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>2 juli 2024: 101 pallets € 3.661,59 (75,00 + 638,25 + 19,15 + 75,00 + 666,00 + 19,98 + 75,00 + 582,75 + 17,48 + 75,00 + 749,25 + 22,48 + 646,25)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>3 juli 2024: 54 pallets € 1.493,38 (75,00 + 721,50 + 21,65 + 75,00 + 582,75 + 17,48) </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>4 juli 2024: 60 pallets € 2.597,35 (1.221,00 + 36,63 + 75,00 + 75,00 + 471,75 + 14,15 + 75,00 + 610,50 + 18,32)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>5 juli 2024: 20 pallets € 1.122,00 (75,00 + 860,25 + 25,81 + 156,25 + 4,69)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>9 juli 2024: 50 pallets € 1.293,30 (582,75 + 17,48 + 75,00 + 527,25 + 15,82 + 75,00)</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>10 juli 2024: 10 pallets € 2.093,18 (1.000,00 + 200,00 + 475,00 + 406,00 + 12,18 )</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>11 juli 2024: inslag tegels uit Galaxytoren € 75,00</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dat betekent dat in totaal € 14.351,11 aan transport- en inslagkosten minder zal worden toegewezen. Ook de gevorderde opslagkosten worden verminderd. De opslagkosten voor de tegels worden begroot op € 22.726,50- (327 m2 à 6,75 per maand vanaf 1 juli 2024 tot 1 januari 2024 en à € 7,25 van 1 januari 2025 tot 1 april 2025) en hoeft DLV dus niet te betalen. </para>
        <para>Van de gevorderde € 92.202,- wordt derhalve afgerond € 55.124,- toegewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.10.</nr>
      <para>Voor de periode van 1 april 2025 tot 1 juli 2025 heeft Van Boxtel nog geen facturen aan BN verstuurd, maar volgens BN zal zij voor deze drie maanden nog een factuur van in totaal (drie maanden à € 8.155,- is) € 24.465,- ontvangen. Dit is dan ook het bedrag dat zij alvast vordert. DLV heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt, zodat ook de rechtbank deze kosten zal toewijzen, minus een bedrag van € 7.112,25 voor de tegels (drie maanden 327 m2 à € 7,25) is afgerond € 17.353,-. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.11.</nr>
      <para>In totaal dient DLV dan ook € 72.477,- (€ 55.124,- en € 17.353,-) aan opslagkosten Van Boxtel te betalen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.12.</nr>
      <para>De totale opslagkosten komen op € 297.669,- en bestaan uit:</para>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="2">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>Timmerfabriek De Kroon</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 59.400</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Staalbouw Nagelhout Bakhuizen</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 6.000</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Kingspan</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 66.132</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>HSE (Daloc)</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 82.555</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Theuma</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 11.105</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Van Boxtel tot 1 april 2025</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€ 72.477</para>
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kosten liftinstallaties tot 1 juli 2025</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.13.</nr>
      <para>BN vordert van DLV € 7.128,- aan kosten die Schindler bij BN in rekening heeft gebracht. Het gaat om een factuur van januari 2025 voor servicekosten en periodieke keuringen in de periode van oktober 2024 t/m januari 2025, en een factuur van februari 2025 voor het verhelpen van een storingsmelding. Liftkosten komen ook voor bij de besparingen op het meer/minderwerk (zie 7.17 en verder van het tussenvonnis en 4.48 van dit vonnis), maar bij de post van € 7.128,- gaat het om liftkosten sinds de beëindiging van het werk. Dit is een kostenposten als gevolg van de niet voltooiing van het werk en als gevolg van het door BN uitgeoefende retentierecht. BN heeft in principe recht op vergoeding van deze kosten door DLV.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.14.</nr>
      <para>DLV heeft tegen toewijzing van deze kosten ingebracht dat partijen o.a. deze kosten hebben meegenomen bij het opheffen van het retentierecht in september 2025, wat volgens haar blijkt uit de door BN op 8 september 2025 verstuurde creditnota’s voor het gebruik en onderhoud van de (bouw)lift vanaf april 2025. Tot en met maart 2025 heeft DLV aan BN maandelijks € 1.900,- voor de bouwlift betaald, waarmee DLV de kosten al heeft voldaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.15.</nr>
      <para>BN heeft in haar akte uitlating producties van 8 oktober 2025 erop gewezen dat deze kosten niet zijn meegenomen bij het opheffen van het retentierecht. Voor zover BN in deze akte heeft geciteerd uit niet-overgelegde producties wordt op dat deel van de akte geen acht op geslagen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.16.</nr>
      <para>Dat deze facturen van januari en februari 2025 zijn meegenomen in de overeenkomst van 3 september 2025 over het opheffen van het retentierecht volgt de rechtbank niet, omdat dit door BN wordt betwist en deze kosten niet met zoveel woorden zijn genoemd in de overeenkomst van 3 september 2025 (G-161). Daarnaast is het zo dat uit de door DLV overgelegde creditnota’s (G-162) blijkt dat deze zijn verstuurd over de periode vanaf april 2025, dus januari en februari 2025 vallen daar niet in. De betwisting van DLV slaagt op dit punt dus niet, en zij moet de kosten van de liftinstallaties van € 7.128,- aan BN betalen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Leverings- en verbruikskosten van elektra en water, afvalinzameling en onderhoud installaties tot 1 juli 2025</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.17.</nr>
      <para>BN heeft facturen en betaalbewijzen in het geding gebracht voor elektra, water, afvalinzameling en onderhoud aan diverse installaties. BN vordert in totaal afgerond € 80.748,-.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.18.</nr>
      <para>Volgens DLV heeft BN op dit punt niets meer te vorderen, waarbij zij opnieuw verwijst naar de overeenkomst van 3 september 2025 (G-161). DLV heeft aan BN in het kader van de opheffing van het retentierecht een bedrag betaald voor de lopende onderhouds- en leveringscontracten. DLV wijst op de volgende passage in de overeenkomst van 3 september 2025:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…) 10. DLV neemt per 1 september 2025 alle contracten (huurovereenkomsten, leveringsovereenkomsten (o.a. nuts, expliciet leveringsovereenkomst provisorium), alles in de ruimste zin des woords) over tussen BN en Vitens, Stedin, Joulz, Bouwwatch en [naam B.V. 3] (en BN Materieel indien aan de orde), en BN vrijwaart DLV voor aanspraken van genoemde leveranciers tot 1 september 2025 en stelt uiterlijk vrijdag 5 september 2025 17:00 uur de contracten ter beschikking;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.19.</nr>
      <para>BN had al op de zitting van 10 september 2025 benadrukt dat de leverings- en gebruikskosten die zij hier vordert niet in het totaalbedrag zitten dat op 3 september 2025 is betaald. De rechtbank volgt BN hierin, omdat uit de door DLV in het geding gebrachte overeenkomst niet blijkt dat de al door BN betaalde facturen daarin zijn meegenomen. Het geciteerde deel gaat over het overnemen van contracten vanaf 1 september 2025 en over aanspraken van leveranciers op DLV, niet over de leverings- en gebruikskosten die BN al aan leveranciers heeft betaald. DLV zal deze kosten van in totaal € 80.748,- dan ook moeten betalen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.20.</nr>
      <para>Het voorgaande leidt tot de conclusie dat een bedrag van € 733.141,- (€ 347.596,- + € 297.669,- + € 7.128,- + € 80.748,-) aan doorlopende (tijdgeboden) kosten zal worden toegewezen. De hierover gevorderde wettelijke handelsrente zal worden afgewezen. Doorlopende tijdgebonden kosten zijn een vorm van schadevergoeding en maken geen deel uit van de contractuele verplichtingen van partijen in het kader van een handelsovereenkomst, zodat daarop de gewone wettelijke rente van toepassing is en niet de wettelijke handelsrente. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 18 augustus 2025.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>10</nr>Zorgplicht retentor</title>
    <paragroup>
      <nr>10.1.</nr>
      <para>In de akte van 18 augustus 2025 heeft BN € 84.434,56 gevorderd voor het uitvoeren van werkzaamheden aan de gevel in het kader van haar zorgplicht als retentor. Tijdens een inspectie heeft de gemeente in de omgeving van de Galaxy Tower loszittend zwart glasvlies aangetroffen dat afkomstig is van de gevel. De gemeente heeft BN op 17 juli 2025 verzocht uiterlijk 1 oktober 2025 alle loszittende delen te verwijderen. BN heeft de werkzaamheden aanvankelijk begroot op € 83.434,56 en DLV gevraagd om een voorschot van € 60.000,-, hetgeen DLV heeft geweigerd. De werkzaamheden zijn uitgevoerd en hebben uiteindelijk € 46.918,- gekost. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.2.</nr>
      <para>DLV voert aan dat zij BN herhaaldelijk heeft verzocht de werkzaamheden niet uit te voeren. Zij heeft de situatie door een eigen deskundige laten onderzoeken en deze begroot de werkzaamheden op circa € 2.000,-. BN is hierover geïnformeerd en heeft desalniettemin de werkzaamheden zelf laten uitvoeren. BN heeft daarbij meer gedaan dan door de gemeente was gevraagd. BN heeft ook isolatiemateriaal verwijderd, terwijl het verzoek van de gemeente slechts zag op het loszittende folie. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.3.</nr>
      <para>Uitgangspunt bij de beoordeling is dat redelijke kosten die BN maakt ter zake van door haar krachtens de wet ten aanzien van het werk te betrachten zorg, vergoed moeten worden. Vast staat dat de door de gemeente verzochte werkzaamheden moesten worden uitgevoerd. De kosten die BN daarvoor heeft gemaakt, komen de rechtbank niet onredelijk voor. Uit de offerte kan de rechtbank niet opmaken dat ook isolatiemateriaal moet worden verwijderd, zodat zij ervan uitgaat dat dit niet is gebeurd. Dat DLV aanvankelijk is verzocht om een hoger voorschot te betalen dan de uiteindelijke factuur is ongelukkig, maar maakt niet dat de daadwerkelijke kosten niet vergoed moeten worden. De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van DLV dat het werk ook kon worden verricht voor € 2.000,- omdat zij dit niet nader met stukken heeft onderbouwd zodat de rechtbank niet kan beoordelen welke werkzaamheden voor dit bedrag zouden worden uitgevoerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.4.</nr>
      <para>De conclusie van het voorgaande is dat de uiteindelijke kosten van € 46.918,- zullen worden toegewezen. De hierover gevorderde wettelijke handelsrente zal worden afgewezen. De gemaakte kosten maken geen deel uit van de contractuele verplichtingen van partijen in het kader van een handelsovereenkomst, zodat daarop de gewone wettelijke rente van toepassing is en zal worden toegewezen, als gevorderd, vanaf 18 augustus 2025.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>11</nr>Proceskosten in conventie</title>
    <paragroup>
      <nr>11.1.</nr>
      <para>Over de kosten van de deskundige Van der Steen (waarvan DLV het voorschot heeft voldaan) heeft BN aangevoerd dat die kosten geheel ten laste van DLV moeten blijven. De rechtbank stelt vast dat het onderzoek in totaal 19 onderwerpen betreft. In 16 gevallen heeft de deskundige geoordeeld dat er van bespaarde herstelkosten sprake was en heeft hij deze begroot. Daarbij is in drie gevallen overwegend het standpunt van BN gevolgd en in acht gevallen dat van DLV. Al met al acht de rechtbank het in overeenstemming met deze uitkomst dat de kosten van het deskundigenrapport van Van der Steen ad € 53.540,99, inclusief btw, gelijkelijk tussen partijen wordt verdeeld, aldus dat BN de helft hiervan (€ 26.770,50) aan DLV zal moeten betalen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>11.2.</nr>
      <para>Ook de kosten van het inschakelen van de deskundige Bresters (waarvan het voorschot is betaald door BN) zullen bij helfte over de partijen worden verdeeld. Beide partijen hebben zich op het standpunt gesteld dat de vertraging in de bouw grotendeels aan de ander te wijten is, en zij hebben daar ook alle twee vorderingen aan verbonden. Om die vorderingen goed te kunnen beoordelen was het inschakelen van Bresters noodzakelijk. Dat heeft voor beide partijen anders uitgepakt dan zij voorstonden. De aan BN toegewezen vertragingsschade is aanzienlijk lager dan gevorderd, maar houdt meer in dan waarop zij volgens DLV recht had. In die omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om ook de kosten van deze deskundige ad € 55.660,-, inclusief btw, gelijkelijk tussen partijen te verdelen, aldus dat DLV de helft hiervan (€ 27.830,-) aan BN zal moeten betalen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>11.3.</nr>
      <para>Per saldo rest er met betrekking tot de kosten van de deskundigen dus een door DLV aan BN te betalen bedrag van € 1.059,50 (= € 27.830 minus € 26.770,50). DLV zal tot betaling van dat bedrag worden veroordeeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>11.4.</nr>
      <para>BN vordert de beslagkosten. Deze vordering is toewijsbaar voor zover het ziet op het beslagrekest van 1 maart 2022. De vordering voor wat betreft het beslagrekest van 20 april 2021 zal worden afgewezen, nu niet is gebleken dat dit beslagrekest aan de derde is betekend binnen de in artikel 721 Rv gestelde termijn van acht dagen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De beslagkosten worden aldus vastgesteld op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>- deurwaardersexploten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>1.514,26</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- griffierecht</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>676,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- salaris advocaat</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>4.357</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(1 punt × € 4.357)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>6.547,26</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>11.5.</nr>
      <para>Een aanzienlijk deel van de vorderingen van BN wordt toegewezen, zodat DLV in de proceskosten zal worden veroordeeld. Die kosten worden als volgt begroot:</para>
      <para />
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>- dagvaardingskosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>103,33</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- griffierecht</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>7.167,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para> (verminderd met griffierecht voor beslag)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- salaris advocaat</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>30.499,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para> (7 punten × € 4.357,-)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- nakosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>178,00</para>
              </entry>
              <entry>
                <para> (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>37.947,33</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>11.6.</nr>
      <para>De over voormelde proceskosten gevorderde wettelijk rente zal eveneens worden toegewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beoordeling in reconventie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>12</nr>Verklaring voor recht met betrekking tot de contractuele oplevertermijn</title>
    <paragroup>
      <nr>12.1.</nr>
      <para>DLV vordert een verklaring voor recht dat BN door overschrijding van de contractuele oplevertermijn tekort is geschoten in de nakoming van de aanneemovereenkomst en dat a) DLV terecht de korting van € 1.000.000,- heeft ingehouden op de aanneemsom en b) dat BN aansprakelijk is voor de door haar geleden en nog te lijden schade als gevolg van de vertraging voor zover die het maximum van € 1.000.000,-, te boven gaat. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>12.2.</nr>
      <para>Hiervoor in conventie is al vastgesteld dat een deel van de vertraging aan BN te wijten valt, op grond waarvan DLV inderdaad aanspraak kan maken op de korting van € 1.000.000,- (zie r.o.6.35 en verder). De verklaring voor recht dat BN door overschrijding van de contractuele oplevertermijn tekort is geschoten in de nakoming van de aanneemovereenkomst kan dan ook worden toegewezen. Dat is anders voor de verklaringen sub a) en sub b). Ten tijde van de beëindiging van het werk op 17 februari 2023 was de betalingsachterstand zo groot dat de rechtbank in haar vonnis van 17 mei 2023 heeft geoordeeld dat BN het werk om die reden mocht neerleggen. Daaruit volgt dat DLV die korting toen niet alvast had mogen inhouden, zodat sub a) wordt afgewezen. Voor sub b) verwijst de rechtbank naar r.o. 6.39 van dit vonnis waarin staat dat er geen aanleiding is om terug te komen op het eerdere oordeel dat de korting maximaal € 1.000.000,- bedraagt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>13</nr>Verklaring voor recht met betrekking tot beëindiging en retentierecht</title>
    <paragroup>
      <nr>13.1.</nr>
      <para>In het tussenvonnis van 17 mei 2023 is in r.o. 5.3 is reeds overwogen dat dit deel van de reconventionele vordering zal worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>14</nr>Verklaring voor recht met betrekking tot coördinatieverplichtingen van BN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>14.1.</nr>
      <para>DLV vordert een verklaring voor recht dat BN tekortgeschoten is in haar coördinatieverplichtingen uit hoofde van de aanneemovereenkomst. In het tussenvonnis van 5  juni 2024 is in r.o. 12.8 overwogen dat de door DLV gestelde schade als gevolg van de schending van deze verplichting bestaat uit vertragingsschade. Deze schade valt daarmee onder het bereik van artikel 12 van de aanneemovereenkomst en daarmee onder de maximaal overeengekomen korting van € 1.000.000,-. Nu in r.o. 6.39 reeds is overwogen dat deze korting zal worden toegekend, kan schending van de coördinatieverplichtingen niet leiden tot schade die vergoed moet worden en heeft DLV geen belang meer bij dit onderdeel van haar vordering. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>15</nr>Betaling van € 401.640,- </title>
    <paragroup>
      <nr>15.1.</nr>
      <para>DLV vordert in reconventie betaling van € 401.640,- voor het aanpassen van het ontwerp voor de gevel (zie akte DLV van 18 oktober 2023). De achtergrond is dat BN op enig moment afscheid heeft genomen van haar onderaannemer Leebo, waardoor niet langer gebruik kon worden gemaakt van de geplande gevelelementen. Als gevolg van de wijziging van de opzet van de gevel heeft DLV naar eigen zeggen extra advieskosten gemaakt. DLV vordert deze kosten onder verwijzing naar het bestek waarin staat dat extra kosten voor het wijzigen van bestaande tekeningen op voorstel van de aannemer voor rekening van de aannemer zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>15.2.</nr>
      <para>BN heeft in haar akte van 8 november 2023 hierop gereageerd en aangevoerd dat het ontwerp van de gevel niet is gewijzigd en dat de door of namens DLV opgestelde tekeningen van de gevel – op basis waarvan BN het werk diende uit te voeren – ook ongewijzigd zijn gebleven. DLV heeft volgens haar dus geen extra werk gehad. DLV moet op grond van het bestek zelf de kosten dragen voor het beoordelen en goedkeuren van werktekeningen, tenzij er een wijziging is die noopt tot het maken van nieuwe tekeningen. Dat was hier niet zo. Het enige verschil is volgens BN dat de gevelelementen van Leebo van staal zouden zijn en de nieuwe gevelelementen van hout. De maatvoering, het keramiek en de bevestiging van het keramiek zijn volgens BN ongewijzigd gebleven. Omdat hier volgens BN geen sprake is van het wijzigen van bestaande tekeningen, en DLV niet eerst alle werktekeningen van Leebo had beoordeeld en goedgekeurd om vervolgens opnieuw de nieuwe werktekeningen te beoordelen, blijven de kosten voor rekening van DLV. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>15.3.</nr>
      <para>Van de kant van DLV is hier verder geen reactie op gevolgd. Dat had wel op haar weg gelegen. Bij deze stand van zaken kan de rechtbank niet vaststellen dat DLV extra kosten heeft moeten maken als gevolg van het beëindigen van de relatie met de onderaannemer Leebo en wordt dit deel van de reconventionele vordering afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>16</nr>Opheffen retentierecht en beslagen</title>
    <paragroup>
      <nr>16.1.</nr>
      <para>Nu het retentierecht en de door BN gelegde beslagen op 3 september 2025 zijn opgeheven, heeft DLV geen belang meer bij dit onderdeel van de vordering en zal die worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>17</nr>Verbod om beslag te leggen</title>
    <paragroup>
      <nr>17.1.</nr>
      <para>DLV vordert dat BN verboden wordt om ten laste van DLV conservatoir beslag te leggen. Deze vordering is door DLV niet nader onderbouwd. Nu de gelegde beslagen inmiddels zijn opgeheven, ziet de rechtbank geen aanleiding om een dergelijk verstrekkend verbod voor de toekomst toe te wijzen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>18</nr>Proceskosten in reconventie</title>
    <paragroup>
      <nr>18.1.</nr>
      <para>De vorderingen in reconventie worden grotendeels afgewezen, wat ertoe leidt dat DLV de proceskosten van BN in reconventie zou moeten voldoen. De reconventie houdt evenwel zozeer verband met het debat in conventie, dat deze kosten op nihil worden gesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>19</nr>Uitvoerbaar bij voorraadverklaring in conventie en reconventie</title>
    <paragroup>
      <nr>19.1.</nr>
      <para>DLV heeft verzocht om het vonnis in conventie niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren als de rechtbank tot het eindoordeel komt dat DLV geen aanspraak kan maken op vertragingsschade van meer dan 1 miljoen euro. DLV wijst erop dat zij in totaal al € 18.625.000,- heeft betaald (€ 3.625.000,- + € 15.000.000,-) en een bankgarantie heeft gesteld voor € 10.575.000,-. Zodoende beschikt BN volgens haar over voldoende zekerheid, terwijl het restitutierisico groot is als DLV nog meer moet betalen. In dat kader wijst DLV erop dat BN op verschillende grote projecten aan de kant is gezet en wordt geconfronteerd met claims van honderden miljoenen euro’s. Ook blijkt dit volgens DLV uit het op 17 maart 2023 gepubliceerd jaarverslag waarin staat dat deze tak van BN haar activiteiten zal afbouwen. Bij een succesvol hoger beroep is het volgens DLV nog maar de vraag of BN in staat zal zijn de vordering van DLV alsnog te voldoen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>19.2.</nr>
      <para>De rechtbank wijst de uitvoerbaar bij voorraadverklaring in conventie toe. Uitgangspunt is dat een partij die een veroordeling tot betaling van een geldsom krijgt, zoals BN in conventie, wordt vermoed het vereiste belang te hebben bij het direct kunnen (laten) uitvoeren van dat vonnis. Het daar tegenover gestelde restitutierisico is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden. De verwijzing naar lopende claims is niet concreet, terwijl ook de opmerking in het jaarverslag dat BN een andere koers gaat varen niet meebrengt dat er een reëel restitutierisico is. Bij deze stand van zaken weegt het belang van BN bij uitvoerbaar bij voorraadverklaring dan ook zwaarder dan het belang van DLV, en zal de rechtbank daartoe overgaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>19.3.</nr>
      <para>In reconventie wordt alleen een verklaring voor recht gegeven; die naar zijn aard zich niet leent voor uitvoerbaar bij voorraadverklaring. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>20</nr>Conclusie in conventie en reconventie</title>
    <bridgehead role="underline">In conventie</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>20.1.</nr>
      <para>DLV zal in het kader van de eindafrekening worden veroordeeld tot betaling van € 15.131.246,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 17 februari 2023 en de renteverhoging van 2% vanaf 2 augustus 2023 (r.o. 5.6). Het bedrag van de eindafrekening volgt uit de opstelling in r.o. 4.111, verminderd met de vertragingsschade van € 1 miljoen euro (r.o. 6.39).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>20.2.</nr>
      <para>BN heeft ook gevorderd de eindafrekening te vermeerderen met btw. De btw is toewijsbaar over het onder 20.1 berekende bedrag van de eindafrekening, minus de daar genoemde korting, omdat dit bedrag wordt toegewezen op grond van de tussen partijen gesloten aanneemovereenkomst. Over de overige bedragen die worden toegewezen als schadevergoeding wordt geen btw toegewezen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>20.3.</nr>
      <para>Aan rente zal DLV worden veroordeeld tot betaling van € 418.747,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2023 (r.o. 5.8).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>20.4.</nr>
      <para>De door DLV te vergoeden vertragingsschade is vastgesteld op € 2.500.284,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaardingsdatum, dus 11 maart 2022 (r.o. 6.40 en 6.41). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>20.5.</nr>
      <para>De vordering van BN onder 3.1.4 wordt onder verwijzing naar de beoordeling in r.o. 12.4 t/m 12.9 van het tussenvonnis toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag waarop de bankgarantie aan DLV is uitgekeerd tot aan de dag der algehele voldoening, te weten een bedrag van € 334.507,76, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2025.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>20.6.</nr>
      <para>Ook de vordering tot retournering van de bankgarantie met nummer [nummer] zal op straffe van een dwangsom worden toegewezen, onder verwijzing naar de beoordeling in het tussenvonnis. Van de gevorderde kosten voor het stellen van de bankgarantie en gederfde rente (vordering onder 3.1.5) wordt toegewezen: </para>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>€ 299.692,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2023 en</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>€ 155.579,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2022. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>20.7.</nr>
      <para>Aan doorlopende (tijdgebonden) kosten dient DLV in totaal € 733.141,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 augustus 2025. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>20.8.</nr>
      <para>De proceskosten in conventie, zijnde in totaal € 45.554,-, komen voor rekening van DLV. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">In reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>20.9.</nr>
      <para>De verklaring voor recht dat BN door overschrijding van de contractuele oplevertermijn tekort is geschoten in de nakoming van de aanneemovereenkomst, wordt toegewezen. De andere vorderingen worden afgewezen. De proceskosten van BN zijn op nihil gesteld. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>21</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in conventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>21.1.</nr>
      <para>veroordeelt DLV tot betaling aan BN van € 15.131.246,- (zegge: vijftien miljoen honderdeenendertig duizend en tweehonderdzesenveertig euro) (de eindafrekening) te vermeerderen met btw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 17 februari 2023 en te verhogen met de 2% rente vanaf 2 augustus 2023, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>21.2.</nr>
      <para>veroordeelt DLV tot betaling aan BN van € 418.747,- (zegge: vierhonderdachttien duizend en zevenhonderd zevenenveertig euro) (de wettelijke handelsrente over de openstaande termijnen) te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 19 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>21.3.</nr>
      <para>veroordeelt DLV tot betaling aan BN van € 2.500.284,-. (zegge: twee miljoen vijfhonderd duizend en tweehonderdvierentachtig euro) (de vertragingsschade) te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 11 maart 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>21.4.</nr>
      <para>veroordeelt DLV tot betaling aan BN van € 3.625.000,- (de bankgarantie) te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de datum waarop de bankgarantie is uitgekeerd aan DLV tot aan de dag der algehele voldoening, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>21.5.</nr>
      <para>veroordeelt DLV tot betaling aan BN van € 334.507,76 (de wettelijke rente over de getrokken bankgarantie), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 18 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>21.6.</nr>
      <para>veroordeelt DLV de namens BN gestelde bankgarantie met nummer [nummer] binnen 2 dagen na dagtekening van dit vonnis aan BN te retourneren,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>21.7.</nr>
      <para>bepaalt dat DLV een dwangsom van € 250.000,- verbeurt voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 21.6 voldoet, tot een maximum van € 25.000.000,- is bereikt,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>21.8.</nr>
      <para>veroordeelt DLV tot betaling aan BN van € 299.691,70 (kosten voor stellen bankgarantie), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 19 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>21.9.</nr>
      <para>veroordeelt DLV tot betaling aan BN van € 155.579,-, (gederfde rente wegens latere betaling aan derden vanwege het door DLV gelegde beslag), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 19 oktober 2022,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>21.10.</nr>
      <para>veroordeelt DLV tot betaling aan BN van € 733.141,- (de doorlopende (tijdgebonden) kosten), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 18 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>21.11.</nr>
      <para>veroordeelt DLV tot betaling aan BN van € 46.918,- (de kosten voor het uitvoeren van de werkzaamheden als retentor), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 18 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>21.12.</nr>
      <para>veroordeelt DLV tot betaling aan BN van € 1.059,50 aan kosten deskundige, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als deze kosten niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>21.13.</nr>
      <para>veroordeelt DLV in de beslagkosten, aan de zijde van BN begroot op € 6.547,26, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als de beslagkosten niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>21.14.</nr>
      <para>veroordeelt DLV in de proceskosten, aan de zijde van BN begroot op € 37.947,33, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als de proceskosten niet binnen veertien dagen na heden zijn voldaan,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>21.15.</nr>
      <para>verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>21.16.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af,</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>21.17.</nr>
      <para>verklaart voor recht dat BN door overschrijding van de contractuele oplevertermijn tekort is geschoten in de nakoming van de aanneemovereenkomst,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>21.18.</nr>
      <para>veroordeelt DLV in de kosten van deze procedure in reconventie, aan de zijde van BN begroot op nihil,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>21.19.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink, mr. R.H.C. Jongeneel en mr. M.R. Jöbsis, rechters, bijgestaan door mr. P.J. van Vliet, griffier, en in het openbaar uitgesproken op </para>
        <para>19 november 2025.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>