<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:8694</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-19T16:42:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-11-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/229935-25</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:8694">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:8694</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-14T17:12:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:8694 Rechtbank Amsterdam , 13-11-2025 / 13/229935-25</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:8694:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pools EX-EAB. Tussenuitspraak. Vragen gesteld met betrekking tot artikel 12 OLW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:8694:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/229935-25</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 13 november 2025 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">TUSSEN-UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 2 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_2e15423d-19e1-4be3-820e-11440cd060de" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juli 2021 door de <emphasis role="italic">Regional Court in Poznań</emphasis>, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[de opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1987, </para>
      <para>	ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>	[adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. W.L. M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_091c9783-042d-4881-ba6c-104ddbc8d630" /> Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een <emphasis role="italic">judgment of the District Court in Gniezno of 20 April 2017, reference number II K 910/14</emphasis> en een <emphasis role="italic">decision of 13 December 2017, reference number II Ko 1920/17 from the District Court in Gniezno</emphasis> waarmee de bij het vonnis van 20 april 2017 opgelegde vrijheidsbeperkende straf is vervangen door  een vrijheidsbenemende straf van 150 dagen (vijf maanden). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 5 maanden, waarvan 4 maanden en 29 dagen resteren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_cdfef85b-9689-48cf-97ec-4f9df52fca1d" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Vonnis van 20 april 2017 (referentie II K 910/14)</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis van 20 april 2017 terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit onderdeel d) van het EAB blijkt dat opgeëiste persoon een adres had doorgegeven en dat op dit adres twee keer is geprobeerd de opgeëiste persoon op te roepen voor de zitting. De opgeëiste persoon had een adresinstructie ontvangen, waarin de opgeëiste persoon onder meer is gewezen op zijn verplichting om adreswijzigingen door te geven. De rechtbank stelt dan ook vast dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank ziet daarom af van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beslissing van 13 december 2017 (referentie II Ko 1920/17)</emphasis>
        </para>
        <para>De vraag is vervolgens of de beslissing van 13 december 2017 tot oplegging van de vrijheidsbenemende straf valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW en dus eveneens aan die bepaling moet worden getoetst.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) van 23 maart 2023<footnote-ref linkend="_4bd499b0-e08b-4725-a0b9-da735b121f9e" /> volgt dat een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf, in beginsel geen beslissing vormt die valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. Daarnaast volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 9 oktober 2025<footnote-ref linkend="_7f23f57a-4f9e-4c70-9407-011ebac2f94a" /> dat van een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf die onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt sprake is indien (kort gezegd) aan de betrokkene – ter vervanging van een eerder opgelegde vrijheidsbeperkende straf – alsnog een vrijheidsbenemende straf wordt opgelegd waartoe hij nog niet eerder, ook niet in voorwaardelijke zin, was veroordeeld en waarbij de rechter heeft beschikt over een beoordelingsbevoegdheid (om de vrijheidsbeperkende straf om te zetten in een vrijheidsbenemende straf). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de aanvullende informatie van 27 oktober 2025 volgt dat de Poolse rechter beoordelingsbevoegdheid toekwam bij de vraag of de voorwaarden  van  het vonnis van 20 april 2017 waren geschonden. Het is echter niet duidelijk  of de Poolse rechter bij de beslissing van 13 december 2017 beoordelingsbevoegdheid had bij het omzetten van de vrijheidsbeperkende werkstraf in de vrijheidsbenemende straf. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank zal daarom het onderzoek ter zitting heropenen en schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit vragen te stellen met betrekking tot deze omzettingsbeslissing. Indien blijkt dat de Poolse rechter beoordelingsbevoegdheid had, dient ook aanvullende informatie opgevraagd te worden met betrekking tot de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon bij deze beslissing. De rechtbank legt de volgende vragen voor om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te laten stellen:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Had de rechter beoordelingsbevoegdheid bij het omzetten van de vrijheidsbeperkende werkstraf in een vrijheidsbenemende straf in die zin dat hij als gevolg van de vaststelling dat de voorwaarden van het vonnis van 20 april 2017 waren geschonden niet verplicht was om over te gaan tot oplegging van een vrijheidsstraf? En, zo ja:</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">kan onderdeel d) van het EAB ingevuld worden ten aanzien van de beslissing van 13 december 2017? Indien de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces en er – kort gezegd – geen sprake is van één van de in artikel 4 bis, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ genoemde omstandigheden, kunnen dan de volgende vragen worden beantwoord:</emphasis>
          </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <parablock>
        <para>- <emphasis role="italic">was de opgeëiste persoon op de hoogte van het proces dat heeft geleid tot de beslissing van 13 december 2017?</emphasis></para>
        <para>- <emphasis role="italic">heeft de opgeëiste persoon in de strafrechtelijke procedure een adres verstrekt waarop hij gedurende de strafrechtelijke procedure bereikbaar zou zijn voor de Poolse autoriteiten? En, zo ja:</emphasis></para>
        <para>o <emphasis role="italic">is hem meegedeeld dat hij iedere adreswijziging aan de Poolse autoriteiten moest doorgeven? </emphasis></para>
        <para>o <emphasis role="italic">gold deze zogenoemde ‘adresinstructie’ voor de gehele procedure (dus ook voor de ‘vervangingsprocedure’)?</emphasis></para>
        <para>o <emphasis role="italic">was het voor de opgeëiste persoon duidelijk en kenbaar dat de adresinstructie zich ook tot de ‘vervangingsprocedure’ uitstrekte? </emphasis></para>
        <para>o <emphasis role="italic">is de oproeping/zijn de oproepingen voor het proces dat tot de beslissing van 13 december 2017 heeft geleid ook daadwerkelijk aan het door de overgeleverde persoon opgegeven adres gezonden? </emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het feit levert naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	medeplegen van mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:</para>
    </parablock>
    <para>1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;</para>
    <para>2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman </emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander. De opgeëiste persoon staat vanaf 2017 ingeschreven in Nederland en werkt onafgebroken sinds 2016. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gelijkstellingsverweer niet kan slagen. Primair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de stukken te laat zijn aangeleverd en dat de rechtbank deze stukken dan ook buiten beschouwing dient te laten. De officier van justitie heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank.<footnote-ref linkend="_7f1031ae-d403-4381-90a6-4e04895da3e9" /> In deze uitspraak wordt benadrukt dat volgens vaste jurisprudentie van de rechtbank Amsterdam een termijn van uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting redelijk wordt geacht om stukken voor onderbouwing van een gelijkstellingsverweer in te dienen. </para>
      <para>Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat als de stukken bekeken worden, niet aangetoond is dat de opgeëiste persoon vijf jaar in Nederland heeft verbleven. De opgeëiste persoon heeft in 2022 niet genoeg verdiend en daarmee dan ook niet voldaan aan de eisen voor een geslaagd gelijkstellingsverweer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank </emphasis>
      </para>
      <para>Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat op dit moment niet is voldaan aan het eerste vereiste voor gelijkstelling, omdat met de overgelegde stukken niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van het inkomen is namelijk onvoldoende aangetoond dat van een ononderbroken rechtmatig verblijf sprake is. In 2022 heeft de opgeëiste persoon minder dan 50 procent van de bijstandsnorm verdiend. Dat de opgeëiste persoon een aanzienlijk deel van dit jaar ziek is geweest en daardoor minder heeft verdiend, is onvoldoende onderbouwd door de raadsman. De opgeëiste persoon komt vooralsnog dan ook geen beroep op gelijkstelling toe. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank komt echter pas toe aan een definitief oordeel over de weigeringsgrond van artikel 6a OLW wanneer zij over de aanvullende informatie beschikt die nodig is om te kunnen oordelen over de weigeringsgrond van artikel 12 OLW, zoals onder 3 is overwogen. De mogelijkheid bestaat immers dat die informatie ertoe leidt dat de overlevering wordt geweigerd op grond van artikel 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT </emphasis>het onderzoek ter zitting onder gelijktijdige <emphasis role="bold">SCHORSING</emphasis> voor onbepaalde tijd teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 3.1 vermelde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEPAALT </emphasis>dat de zaak uiterlijk één week voor 28 november 2025 (het einde van de 90-dagen beslistermijn) weer op zitting wordt gepland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsman tegen het nader te bepalen tijdstip.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen het nader te bepalen tijdstip.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. E.G.M.M. van Gessel,		                        					voorzitter,</para>
      <para>mrs. R.A. Sipkens en D.L.S. Ceulen,	   						   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. F.K. Verbruggen,	                                     		    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 november 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_2e15423d-19e1-4be3-820e-11440cd060de" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_091c9783-042d-4881-ba6c-104ddbc8d630" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cdfef85b-9689-48cf-97ec-4f9df52fca1d" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4bd499b0-e08b-4725-a0b9-da735b121f9e" label="4">
    <para> HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (<emphasis role="italic">Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting)</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7f23f57a-4f9e-4c70-9407-011ebac2f94a" label="5">
    <para>HvJ EU 9 oktober 2025, C798/23, ECLI:EU:C:2025:763 (<emphasis role="italic">Abbottly</emphasis>).</para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_7f1031ae-d403-4381-90a6-4e04895da3e9" label="6">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2025:697.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>