<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:8225</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-03T15:36:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-176351-25</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteEnEnigeAanleg">Eerste en enige aanleg</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht_europeesStrafrecht">Strafrecht; Europees strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:8225">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:8225</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-03T14:55:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:8225 Rechtbank Amsterdam , 30-10-2025 / 13-176351-25</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:8225:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Executie-EAB Polen, overlevering toegestaan, artikel 12 OLW: verzamelvonnis afzien van weigeren, onderliggende vonnissen sprake van artikel 12, sub c, OLW en afzien van weigeren. Artikel 11 OLW: aanhoudingsverzoek i.v.m. eventuele schending artikel 7 en 24 Handvest afgewezen. Aanhoudingsverzoek i.v.m. opschorting van de executie in Polen afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:8225:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13-176351-25</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 30 oktober 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 22 augustus 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_ef3b85c6-fbde-4531-853b-de42821dfa4b" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 16 mei 2025 door de <emphasis role="italic">Regional Court in Kielce, </emphasis>Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold"> [de opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para> geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992, </para>
      <para>	ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para> [BRP-adres] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 oktober 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.C.M. van Dijk, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_1f5a90d5-6c79-408f-b2ce-1e9cad5efe93" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist </para>
      <para>zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag en inhoud van het EAB</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een verzamelvonnis van<emphasis role="italic"> the Local Court in Kielce </emphasis>van 4 december 2024 met referentie II K 1264/23 (hierna: verzamelvonnis). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het EAB is opgenomen dat aan het verzamelvonnis de volgende vonnissen ten grondslag liggen: </para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="loweralpha">
      <listitem>
        <para>een vonnis van <emphasis role="italic">the Local Court for Warszawa-Mokotów in Warszawa </emphasis>van 11 mei 2020 met referentie III K 174/20;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een vonnis van <emphasis role="italic">the Local Court [in Radom </emphasis>van 9 december 2020 met referentie II K 766/20;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een vonnis van<emphasis role="italic"> the Local Court in Kielce </emphasis>van 2 december 2022 met referentie II K 189/22<emphasis role="italic">. </emphasis></para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, drie maanden en veertien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_909536b2-0f0f-4582-a2aa-f2f5807ff600" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsvrouw stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW, omdat ten aanzien van het verzamelvonnis niet ondubbelzinnig is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat, gelet op de overgelegde vertaling van het verzamelvonnis, de zaak moet worden aangehouden om nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten om zo duidelijkheid te krijgen over de precieze vonnissen die zijn meegenomen in het verzamelvonnis. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie stelt zich – onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank<footnote-ref linkend="_f8b55a3a-732c-4967-a573-fbf78c61428d" /> – op het standpunt dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ten aanzien van het verzamelvonnis is de weigeringsgrond van artikel 12 van toepassing, maar kan worden afgezien van weigeren. De opgeëiste persoon wist namelijk dat er een procedure liep via de reclasseringsambtenaar en heeft ten behoeve van die procedure een advocaat gemachtigd. Verder blijkt dat de oproepen voor de betreffende zitting zijn verstuurd naar twee adressen die van de opgeëiste persoon bekend waren.</para>
        <para>Ten aanzien van het onderliggende vonnis met referentie III K 174/20 geldt dat sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub c, OLW. Het vonnis is namelijk op 10 juni 2020 aan de opgeëiste persoon betekend. Bij dit vonnis zaten ook instructies over de wijze waarop hoger beroep kon worden ingesteld. De opgeëiste persoon heeft dit heeft nagelaten. </para>
        <para>Voor het onderliggende vonnis met referentie II K 766/20 geldt dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig was bij de zitting waardoor artikel 12 OLW niet van toepassing is. </para>
        <para>Ten aanzien van het onderliggende vonnis II K 189/22 is de weigeringsgrond van artikel </para>
      </parablock>
      <para>12 OLW van toepassing, maar kan worden afgezien van weigeren. Hiervoor kan worden aangesloten bij de tussenuitspraak van 22 januari 2025.<footnote-ref linkend="_83de5919-e1b8-4957-8b83-7d815c02b88c" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>Zoals onder 3 is vastgesteld, betreft het EAB een verzamelvonnis met drie onderliggende vonnissen. Zowel de procedures die tot de onderliggende vonnissen hebben geleid als de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid, vallen onder de reikwijdte van artikel </para>
      </parablock>
      <para>12 OLW. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verzamelvonnis met referentie II K 1264/23</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van het verzamelvonnis van 4 december 2024, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren om de volgende redenen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit de aanvullende informatie van 27 juni en 29 september 2025 blijkt het volgende. Het verzamelvonnis is <emphasis role="italic">ex officio</emphasis> gewezen. Een reclasseringsambtenaar is op verzoek van de Poolse rechtbank op 21 februari 2024 een onderzoek gestart naar het adres van de opgeëiste persoon. Die ambtenaar heeft op 22 en 26 februari 2024 contact gehad met de opgeëiste persoon en hem geïnformeerd over de procedure. Uit het onderzoek van deze ambtenaar zijn twee adressen naar voren gekomen. Op het ene adres stond de opgeëiste persoon ingeschreven, maar daar woonde hij niet. Op het tweede adres woonde de opgeëiste persoon wel, zo verklaarde hij tegenover de ambtenaar. De oproepingen voor de zittingen zijn naar deze beide adressen verstuurd. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij de oproepingen niet heeft ontvangen, omdat hij in Nederland was.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt op grond van bovenstaande vast dat de opgeëiste persoon van de procedure op de hoogte was, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van zijn verdedigingsrechten oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al dan niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Vonnis met referentie III K 174/20</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid. Uit de aanvullende informatie van 29 september 2025 blijkt dat het vonnis op 10 juni 2020 aan de opgeëiste persoon in persoon is betekend en de opgeëiste persoon daarbij in een “<emphasis role="italic">guidance note</emphasis>” uitdrukkelijk is geïnformeerd over zijn recht op hoger beroep en het tijdbestek waarbinnen dit moest worden ingesteld. De opgeëiste persoon heeft geen hoger beroep ingesteld binnen het voorgeschreven tijdsbestek. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub c, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Vonnis met referentie II K 766/20</emphasis>
        </para>
        <para>Uit de aanvullende informatie van 29 september en 6 oktober 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij de zitting van 9 december 2020 die tot dit vonnis heeft geleid. Daarom is artikel 12 OLW niet van toepassing. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Vonnis met referentie II K 189/22</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De Poolse autoriteiten hebben op 25 april 2024 een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de bij dit vonnis opgelegde vrijheidsstraf. Dit Europees aanhoudingsbevel is op de zitting van 8 januari 2025 behandeld door deze rechtbank, waarna op 22 januari 2025 een tussenuitspraak is gewezen.<footnote-ref linkend="_456d2861-a1e7-45ff-b252-e14e29d021c4" /> In die tussenuitspraak is geoordeeld dat het toestaan van de overlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de bij dit vonnis opgelegde vrijheidsstraf geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is niet op de hoogte van nieuwe informatie die dit oordeel anders zou kunnen maken. De rechtbank overweegt daarom, overeenkomstig de genoemde tussenuitspraak, dat artikel 12 OLW niet aan de overlevering in de weg staat.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
        <para>Uit wat hiervoor is overwogen ten aanzien van het verzamelvonnis en de drie onderliggende vonnissen volgt dat het toestaan van de overlevering geen schending oplevert van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon. Artikel 12 OLW staat dus niet aan overlevering in de weg. De rechtbank ziet – anders dan de raadsvrouw – dan ook geen aanleiding om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit hierover. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De feiten leveren naar Nederlands recht op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	diefstal door twee of meer verenigde personen;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">overtreding van artikel 160 Wegenverkeerswet 1994;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">oplichting;</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">medeplegen van oplichting.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_145324ef-5109-4d73-a50a-f9a1af34bb46" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandelingen van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_d561b0cc-0816-437f-a342-5bf169e0068e" /></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Aanhoudingsverzoeken</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsvrouw verzoekt de behandeling van het EAB aan te houden, omdat een Poolse advocaat namens de opgeëiste persoon in Polen heeft verzocht om de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf uit te stellen tot nadat de moeder van zijn minderjarige kinderen haar gevangenisstraf heeft uitgezeten. Mocht dit verzoek namelijk worden toegewezen, zou dit ertoe kunnen leiden dat het EAB wordt ingetrokken. </para>
      <para>Daarnaast verzoekt de raadsvrouw om aanhouding van de behandeling van het EAB in afwachting van de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie ) op de prejudiciële vragen die zijn voorgelegd door deze rechtbank bij uitspraak van 31 januari 2025.<footnote-ref linkend="_f610f0fb-8108-46d9-9593-143ec7f7f1ee" /> Het gaat er daarbij om of – in het licht van de artikelen 7 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) – de overlevering kan worden toegestaan gelet op gevolgen daarvan voor het minderjarige kind van de opgeëiste persoon, die kampt met ernstige gezondheidsproblemen. Ook hier is sprake van een opgeëiste persoon met minderjarige kinderen, waarvan één kampt met ernstige gezondheidsproblemen. Reden waarom het van belang is de antwoorden op de prejudiciële vragen af te wachten voordat een beslissing wordt genomen op het overleveringsverzoek ten aanzien van de opgeëiste persoon, aldus de raadsvrouw. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie verzet zich tegen inwilliging van de aanhoudingsverzoeken. Wat betreft het verzoek om uitstel van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voert zij aan dat het vooralsnog onduidelijk is of dit verzoek zal worden ingewilligd, terwijl er vooralsnog sprake is van een EAB waaraan een voor ten uitvoerlegging vatbaar vonnis ten grondslag ligt. </para>
      <para>Wat betreft het verzoek om de zaak aan te houden vanwege de lopende prejudiciële procedure bij het Hof van Justitie , heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat de door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheden geen aanleiding zijn om de overlevering niet toe te staan nu – zoals ook meermaals door deze rechtbank is geoordeeld – de overleveringsprocedure een gerechtvaardigde inbreuk oplevert van het recht op <emphasis role="italic">family life</emphasis> zoals neergelegd in artikel 7 van het Handvest. Dit kan mogelijk anders zijn onder zeer uitzonderlijke omstandigheden, maar van dergelijke omstandigheden is niet gebleken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank wijst het verzoek af om aanhouding van de behandeling van het EAB in afwachting van de uitkomst van de procedure in Polen. Ter beoordeling ligt voor of er een reële verwachting bestaat, gelet op wat de opgeëiste persoon heeft aangevoerd, dat het in Polen ingediende verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde gevangenisstraf, tot intrekking van het EAB zal leiden. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende onderbouwd dat dit het geval zal zijn. </para>
      <para>De rechtbank ziet verder ook geen aanleiding om de behandeling van het EAB aan te houden om de antwoorden op de prejudiciële vragen af te wachten, omdat de betreffende vragen in hun geheel niet van toepassing zijn op de onderhavige zaak, althans is daarvan niet gebleken. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wetsbepalingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De artikelen 47, 311 en 326 Wetboek van Strafrecht, de artikelen 9, 160 en 177 Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">STAAT TOE</emphasis> de overlevering van <emphasis role="bold">[de opgeëiste persoon]</emphasis> aan <emphasis role="italic">the Regional Court in Kielce , </emphasis>Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. E.G.M.M. van Gessel, voorzitter,</para>
      <para>mrs. M.C.M. Hamer en C.M.S. Loven, rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van M.C. Hooibrink, griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 oktober 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_ef3b85c6-fbde-4531-853b-de42821dfa4b" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1f5a90d5-6c79-408f-b2ce-1e9cad5efe93" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_909536b2-0f0f-4582-a2aa-f2f5807ff600" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f8b55a3a-732c-4967-a573-fbf78c61428d" label="4">
    <para> Rechtbank Amsterdam 19 juli 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5267, Rechtbank Amsterdam 24 december 2024, ECLI:NL:RBAMS:2025:8205 en Rechtbank Amsterdam 22 januari 2025. ECLI:NL:RBAMS:2025:462.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_83de5919-e1b8-4957-8b83-7d815c02b88c" label="5">
    <para> ECLI:NL:RBAMS:2025:462. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_456d2861-a1e7-45ff-b252-e14e29d021c4" label="6">
    <para> Rechtbank Amsterdam 22 januari 2025. ECLI:NL:RBAMS:2025:462.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_145324ef-5109-4d73-a50a-f9a1af34bb46" label="7">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d561b0cc-0816-437f-a342-5bf169e0068e" label="8">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f610f0fb-8108-46d9-9593-143ec7f7f1ee" label="9">
    <para> Rechtbank Amsterdam 31 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:626.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>