<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:808</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-02T10:39:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-02-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-02-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/4521</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:808">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:808</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-02T10:39:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:808 Rechtbank Amsterdam , 10-02-2025 / 24/4521</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:808:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep niet-ontvankelijk. Omdat de terugvordering is komen te vervallen, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank het meest gunstigste resultaat binnen deze procedure bereikt. Geen procesbelang.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:808:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>RECHTBANK AMSTERDAM</title>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 24/4521</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2025 in de zaak tussen</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [eiseres] , uit Amsterdam, eiseres,</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Dienst Toeslagen, verweerder </title>
    <para>(gemachtigden: [gemachtigde] en mr. H. Nieuwendijk).</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet-ontvankelijk verklaren van haar bezwaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft met het primaire besluit van 12 april 2024 het voorschot kinderopvangtoeslag van eiseres voor het jaar 2023 herzien. Hierdoor is er een terugvordering ontstaan van € 451,-. Met het bestreden besluit van 17 juli 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij niet binnen zes weken bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2025. Eiseres was – zonder afmelding – niet aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Totstandkoming van de besluiten</title>
    <para />
    <para>1. Eiseres ontvangt kinderopvangtoeslag over 2023 voor haar zoon [naam]. Verweerder heeft aanvankelijk het voorschot kinderopvangtoeslag vastgesteld op € 8.238,-.</para>
    <para />
    <para>2. Met het primaire besluit heeft verweerder het voorschot herzien naar € 7.787,-. In de periode na 26 november 2023 had eiseres volgens verweerder geen recht op een voorschot, omdat haar zoon niet op hetzelfde adres woonde als eiseres en er geen sprake is van<?linebreak?>co-ouderschap met de andere ouder. Verweerder heeft op 14 juni 2024 een bezwaarschrift van eiseres ontvangen. </para>
    <para />
    <para>3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij niet binnen zes weken bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. Verweerder heeft in het bestreden besluit ook opgemerkt dat de herziening van het voorschot niet klopt, omdat de zoon van eiseres wel op hetzelfde adres als eiseres woonde. Verweerder gaat daarom alsnog de kinderopvangtoeslag van eiseres opnieuw berekenen.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <?linebreak?>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>4. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiseres procesbelang heeft bij een beoordeling van haar beroep. Volgens vaste rechtspraak is er pas sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat eiseres met het indienen van beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor eiseres feitelijke betekenis heeft. </para>
    <para />
    <para>5. Verweerder heeft in de beroepsfase toegelicht dat uit de gegevens van de Basisregistratie Personen is gebleken dat de zoon van eiseres ook vanaf 2l november 2023 op hetzelfde woonadres staat ingeschreven als eiseres. Dit betekent dat eiseres ook in de</para>
    <parablock>
      <para>periode van 27 november 2023 tot en met 31 december 2023 recht heeft op een</para>
      <para>voorschot kinderopvangtoeslag. Daarmee komt de terugvordering van € 451,- te vervallen. Verweerder zal op een later moment de kinderopvangtoeslag van eiseres definitief berekenen. Als eiseres het niet eens is met de nog te nemen definitieve berekening, kan zij daartegen afzonderlijk bezwaar maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Eiseres heeft een bezwaarschrift ingediend, omdat zij het niet eens is met de terugvordering van € 451,-. Omdat de terugvordering van € 451,- is komen te vervallen, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank het meest gunstigste resultaat binnen deze procedure bereikt. Eiseres heeft dan ook geen belang meer bij een inhoudelijk oordeel van de rechtbank op de vraag of de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is. </para>
    <para />
    <para>7. Op de zitting heeft verweerder toegezegd om het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden, omdat het bestreden besluit onvoldoende duidelijkheid gaf of eiseres nog (een deel van) de terugvordering moest terugbetalen. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>8. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat verweerder de terugvordering heeft laten vervallen en niet is gebleken dat eiseres verder nog belang heeft bij een inhoudelijk oordeel van de rechtbank.</para>
    <para />
    <para>9. Verweerder heeft aangeboden het griffierecht te vergoeden. De rechtbank zal gelet daarop verweerder opdragen het griffierecht van € 51,- aan eiseres te vergoeden.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep niet-ontvankelijk; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres te vergoeden.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier<emphasis role="italic">. </emphasis>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op <?linebreak?>10 februari 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>