<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:7874</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-28T12:04:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">81/158851-22 (ontneming)</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:7874">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:7874</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-27T14:00:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:7874 Rechtbank Amsterdam , 09-10-2025 / 81/158851-22 (ontneming)</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:7874:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontneming na overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.3, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd. Betalingsverplichting van € 134.533,05.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:7874:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="293040fa-7b51-4b10-b938-f1f61f29f2c2" depth="16" width="551" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling Publiekrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 81/158851-22 (ontneming) </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 9 oktober 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegenspraak</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 81/158851-22, tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [veroordeelde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1966 in [geboorteplaats] ,</para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:</para>
      <para>
        [adres] ,</para>
      <para>hierna: veroordeelde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Onderzoek op de zitting</title>
    <para>De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en kennisgenomen van hetgeen de officier van justitie, mr. M. Blotwijk, veroordeelde en zijn raadsman, mr. R.G.J. Laan, naar voren hebben gebracht tijdens het onderzoek op de zitting 25 september 2025.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Ontnemingsvordering</title>
    <para>De vordering van de officier van justitie van 24 juni 2025 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr is geschat en de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag. De officier van justitie heeft ter zitting de geschatte vordering van € 134.533,05 vastgesteld op € 161.933,54. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Grondslag van de vordering</title>
    <para>Op grond van artikel 36e, tweede lid, Sr kan voordeel worden ontnomen dat is verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feit waarvoor diegene is veroordeeld of van andere strafbare feiten waarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de betrokkene zijn begaan. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank maakt uit de stukken waarop de vordering berust en waarnaar de officier van justitie ter onderbouwing verwijst, op dat die is gegrond op het feit waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld. Veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 9 oktober 2025 onder meer veroordeeld voor overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.3, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Wederrechtelijk verkregen voordeel</title>
    <para />
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie gaat uit van het scenario dat veroordeelde geen mest aan de covergister heeft toegevoegd. Indien er geen mest in de covergister wordt toegevoegd, mogen er volgens het verhoudingsvoorschrift uit de vergunning ook geen cosubstraten aan de covergister worden toegevoegd. Daarmee behoren alle opbrengsten van de inname van cosubstraten in die jaren tot het wederrechtelijk verkregen voordeel. De officier van justitie vindt daarom dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op € 161.933,54, zoals volgt uit de berekening van het rapport van 13 augustus 2025. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat veroordeelde in strijd heeft gehandeld met de vergunningsvoorschriften en dat hij valsheid in geschrift heeft gepleegd. Er is daarom geen onrechtmatig gebruik van de covergister geweest, zodat de vordering ontneming moet worden afgewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Oordeel van de rechtbank </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank heeft veroordeelde door middel van voornoemd strafbaar feit 1 voordeel verkregen dat de rechtbank vast stelt op € 134.533,05. De rechtbank ontleent deze vaststelling aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen van het vonnis van 9 oktober 2025 in de onderliggende strafzaak zijn vervat en het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel van 25 februari 2025. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het dossier zijn twee rapporten aanwezig waarin op verschillende wijze het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend. Dit is opgesplitst in scenario A en scenario B. Bij scenario A is het uitgangspunt dat veroordeelde in zijn geheel geen mest aan de covergister heeft toegevoegd. In scenario B wordt ervan uitgegaan dat veroordeelde de maximaal berekende hoeveelheid aanwezig mest heeft vergist. De rechtbank gaat daarbij in het voordeel van veroordeelde uit van scenario B, omdat de rechtbank niet kan vaststellen dat veroordeelde op alle momenten in de bewezenverklaarde periode geen enkele mest aan de covergister heeft toegevoegd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In het rapport van 25 februari 2025 is het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van scenario B als volgt berekend.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Onderzoek van de jaarrekeningen en auditbestanden in proces-verbaal ALG.22.01 heeft uitgewezen dat de inkoop van de co-substraten [veroordeelde] per saldo geld oplevert in plaats van dat de inkoop [veroordeelde] geld kost. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ter bepaling van het WVV van [veroordeelde] is berekend:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">1. de hoeveelheid te veel ingenomen co-substraat;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">2. de gemiddelde opbrengst per ton co-substraat;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">3. totale opbrengst van het teveel ingenomen co-substraat.</emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Te veel ingenomen co-substraten</title>
    <bridgehead role="italic">De hoeveelheid te veel ingenomen co-substraten is berekend uit het verschil tussen:</bridgehead>
    <para>a. <emphasis role="italic">a) de ingenomen hoeveelheid co-substraten; en</emphasis></para>
    <para>
      <emphasis role="italic">b) de toegestane hoeveelheid co-substraten.</emphasis>
    </para>
    <para />
    <para>a. <emphasis role="underline italic">a) Ingenomen hoeveelheid co-substraten</emphasis></para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Uit onderzoek beschreven in proces-verbaal bevindingen FIN.11.01 (dossierpagina 217-218) is gebleken dat de hoeveelheden ingenomen co-substraten per jaar minimaal als volgt zijn geweest:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">2018 inname 24.947,738 ton;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">2019 inname 20.686,708 ton;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">2020 (tot en met november) inname 13. 718,430 ton.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De berekende innamehoeveelheid betreft, ten gunste van [veroordeelde] , een minimumpositie aangezien alleen met de vier grootste leveranciers van co-substraten rekening is gehouden.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="underline italic">b) Toegestane hoeveelheid co-substraten</emphasis>
    </para>
    <bridgehead role="italic">Conform de vergunningsvoorwaarden van [veroordeelde] was het niet toegestaan om meer co-substraten in de vergister te verwerken dan mest, het minimale aandeel mest moest 50% zijn (Verhoudingsvoorschrift 6.5.6 uit de vergunning (conform BIJL:01, dossierpagina 516). Concreet betekent dit dat er niet meer co-substraat in de vergister mag worden gedaan dan er mest is toegevoegd.</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De maximale hoeveelheid beschikbare mest was, zoals berekend door de NVWA:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">- 2018 maximaal 3.102,00 ton;</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- 2019 maximaal 2.926,39 ton;</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- 2020 maximaal 3.502,43 ton;</emphasis>
    </para>
    <bridgehead role="italic">(conform achtereenvolgens: ALG.11.01, dossierpag. 292, ALG.12.01, pag. 303 en ALG.13.01, pag. 309). De maximaal beschikbare mest is, gelet op vergunningsvoorschrift 6.5.6, gelijk aan de maximaal toegestane inname van co-substraten.</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Berekening te veel ingenomen co-substraten</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het verschil tussen de hierboven onder a) berekende ingenomen hoeveelheid co-substraten in ton per jaar en onder b) berekende maximaal toegestane hoeveelheid co-substraten in ton per jaar geeft als resultaat de door [veroordeelde] te veel ingenomen co-substraten in ton per jaar, zijnde:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="b8e1d3ff-14af-4394-88f6-0af7f859ffa9" depth="113" width="545" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Gemiddelde opbrengst per ton co-substraat</title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In het proces-verbaal van bevindingen FIN.11.01 is de gewogen gemiddelde prijs per ton berekend die [veroordeelde] heeft ontvangen voor de inname van co-substraten per jaar:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">2018: €1,73;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">2019: € 3,52;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">2020: € 3,35;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(conform FIN 11.01, dossierpagina 218).</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Totale opbrengst van het te veel ingenomen co-substraat</title>
    <bridgehead role="italic">Het wederrechtelijk verkregen voordeel van [veroordeelde] bestaat uit de totale opbrengst van het te veel ingenomen co-substraat. Dit is berekend door het onder 1. berekende te veel ingenomen cosubstraten in tonnen te vermenigvuldigen met de onder 2. genoemde gemiddelde opbrengst per ton co-substraat per jaar:</bridgehead>
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="e56b3dbd-3ebb-4047-8c74-de88fa1dddca" depth="140" width="545" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op grond van het vorenstaande wordt gesteld dat [veroordeelde] een wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen van € </emphasis>
        <emphasis role="bold italic">134.533,05 </emphasis>
        <emphasis role="italic">in de onderzoeksperiode.”.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen de berekening is geen verweer gevoerd. De rechtbank neemt deze conclusie in het rapport over en stelt de hoogte van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 134.533,05. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Verplichting tot betaling</title>
    <para>De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 134.533,05.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De verdediging heeft verzocht om de betalingsverplichting maximaal te matigen en rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank wijst dit verzoek af. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat in de ontnemingsprocedure alleen grond voor matiging van de betalingsverplichting bestaat als aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. Het gaat dan om het geval waarin de rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat de betrokkene op het moment van de ontnemingsprocedure geen draagkracht heeft en dat het zeer waarschijnlijk is dat daarin in de toekomst geen verandering zal komen.<footnote-ref linkend="_fbb464e4-bfad-4e9a-afe6-3074cc62f39c" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om aan te nemen dat veroordeelde draagkracht heeft dan wel in de toekomst niet zal kunnen hebben.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft verder geconstateerd dat sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De rechtbank is echter van oordeel dat veroordeelde al voldoende is gecompenseerd door matiging van de in de strafzaak aan hem opgelegde straf wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank volstaat daarom in deze ontnemingszaak met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para>De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 134.533,05 (honderdvierendertigduizend vijfhonderddrieëndertig euro en vijf eurocent).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt op aan <emphasis role="bold">[veroordeelde] </emphasis>de verplichting tot betaling van € 134.533,05 (honderdvierendertigduizend vijfhonderddrieëndertig euro en vijf eurocent) aan de Staat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 1.080 (duizendtachtig) dagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door </para>
      <para>mr. M.C.H. Broesterhuizen, voorzitter,</para>
      <para>mrs. J.M van Hall en M. Smayel, rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp, griffier,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 oktober 2025.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_fbb464e4-bfad-4e9a-afe6-3074cc62f39c" label="1">
    <para> Hoge Raad 16 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:376.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>