<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:7368</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-03T11:43:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AMS 24/4988</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:7368">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:7368</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-30T15:20:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:7368 Rechtbank Amsterdam , 03-10-2025 / AMS 24/4988</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:7368:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Uitspraak materieel geschil naheffingsaanslag parkeerheffing bevat termijn nemen nieuwe uitspraak op bezwaar. Eiser stelt hoger beroep in. Verweerder wijst in verzet op opschortende werking artikel 8:106 Awb</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:7368:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 24/4988 V</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser, </bridgehead>
    <para>( [gemachtigde eiser] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, opposant.</bridgehead>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet op tijd nemen van een uitspraak door opposant (verweerder in de beroepszaak) op een bezwaarschrift tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting.<footnote-ref linkend="_46ff341e-3690-457f-9ee1-1389d0826913" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de uitspraak van 20 december 2024 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Opposant heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechter heeft de mogelijkheid om zonder zitting uitspraak te doen. Een voorwaarde is dat er niet getwijfeld kan worden aan het eindoordeel. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. De rechtbank heeft het beroep kennelijk  gegrond verklaard omdat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposant niet tijdig op het bezwaar heeft beslist.<footnote-ref linkend="_7b7404b6-23b5-4e1a-bfc6-9950936158da" /> Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat opposant geen verweer heeft gevoerd, zodat de rechtbank uit is gegaan van wat eiser heeft aangevoerd. </para>
    <para />
    <para>2. Als iemand tegen zo'n buiten-zittinguitspraak verzet instelt, moet de rechtbank beoordelen of zij in de beroepszaak terecht heeft geoordeeld dat het eindoordeel buiten redelijke twijfel stond. Het gaat er in deze verzetzaak dus om of buiten redelijke twijfel is dat het beroep gegrond is. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Reden van verzet</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Opposant heeft hoger beroep bij het gerechtshof ingesteld tegen de uitspraak van deze rechtbank die aan de onderhavige beroepzaak is voorafgegaan.<footnote-ref linkend="_8cf22516-a7fc-4d55-b427-ddf3ba974044" /> Opposant heeft in het verzetschrift onder verwijzing naar de Awb aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte op </para>
    <para>20 december 2024 uitspraak heeft gedaan, omdat de werking van de uitspraak van 14 juni 2024 door het ingestelde hoger beroep is opgeschort.<footnote-ref linkend="_bdf336ca-1f48-4895-ad2a-d6b7c556d057" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Beoordeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is er gebeurd?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>De verzetrechter stelt ten aanzien van AMS 23/7075 het volgende vast. </para>
        <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van 17 november 2023 over een aan hem opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.<footnote-ref linkend="_b9abd0dc-0e35-4d44-b301-481f8a91a129" /> De bestuursrechter van de rechtbank heeft uitspraak gedaan op dat beroep.<footnote-ref linkend="_b7339191-b05d-44c7-a397-377c0b77dabc" /> Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft eiser op 1 augustus 2024 hoger beroep bij het gerechtshof ingesteld.<footnote-ref linkend="_e42c4158-12e2-40d0-ba75-e42cb1495b2e" /> Eiser heeft verweerder met een brief van 12 augustus 2024 in gebreke gesteld.<footnote-ref linkend="_f3bb7c81-d7b7-485d-9692-9bc560be5cd5" /> Het gerechtshof heeft de rechtbank op 11 oktober 2024 over het ingestelde hoger beroep bericht. Het gerechtshof heeft op 22 april 2025 uitspraak gedaan op het hoger beroep.<footnote-ref linkend="_3f701f25-223d-4def-a3aa-306bf0bc8aac" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>De verzetrechter stelt ten aanzien van de onderhavige zaak het volgende vast. </para>
        <para>Eiser heeft met een brief van 29 augustus 2024, ter griffie ontvangen op 30 augustus 2024, beroep ingesteld tegen het niet op tijd nemen van een besluit.<footnote-ref linkend="_cf00e1bc-a24c-4fb7-9452-2a8a92a9f205" /> Eiser heeft gewezen op de in de uitspraak van deze rechtbank van 14 juni 2024 vermelde beslistermijn van zes weken.<footnote-ref linkend="_e65bcc99-965b-4eb0-bd36-6c1e22850baa" /> De bestuursrechter heeft op 20 december 2024 uitspraak op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gedaan. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Ten tijde van de uitspraak van 20 december 2024 was de bestuursrechter op de hoogte van het hoger beroep. Hoewel eiser bij het instellen van het beroep tegen het niet op tijd nemen van een besluit heeft verzuimd mee te delen dat hij hoger beroep had ingesteld tegen de uitspraak van 14 juni 2024 in AMS 23/7075, was de bestuursrechter door de berichtgeving op 11 oktober 2024 van het gerechtshof bekend met het hoger beroep.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Is terecht verzet ingesteld?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>De verzetrechter zal het verzet gegrond verklaren. De reden hiervoor is het volgende. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>In de Awb staat dat de werking van een uitspraak wordt opgeschort wanneer het gaat om een uitspraak waartegen hoger beroep bij het gerechtshof kan worden ingesteld.<footnote-ref linkend="_8a8e5879-5a7e-43a5-8263-463a775fac76" /> In de toelichting op dat artikel wordt verwezen naar de Bevoegdheidsregeling.<footnote-ref linkend="_a9e7e2dc-ed0a-4781-88f0-9ae3f292daf9" /> In de Bevoegdheidsregeling staat dat tegen besluiten die genomen zijn op grond van artikel 26 van de Wet inzake rijksbelastingen (Awir) hoger beroep bij het gerechtshof kan worden ingesteld. Het eerste lid van dit artikel heeft betrekking op de uitspraak van 14 juni 2024 en daarmee ook op de in die uitspraak de door de bestuursrechter vastgestelde beslistermijn.<footnote-ref linkend="_7db1c3f3-441c-429d-9658-e0a54ffafe82" /> Dat betekent dat door het ingestelde hoger beroep de werking van de uitspraak van 14 juni 2024 werd opgeschort. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>De verzetrechter overweegt verder het volgende. In de Awb staat dat de werking van een uitspraak niet wordt opgeschort wanneer het gaat om een uitspraak op een beroep tegen het niet op tijd nemen van een besluit.<footnote-ref linkend="_dfb65ac2-7217-48aa-8d3c-c0ac63bde4c6" /> De uitspraak van 14 juni 2024 gaat niet over het niet op tijd nemen van een besluit en dus ook niet over het nevendictum met daarin de termijnstelling voor een nieuw besluit. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>6. Uit wat opposant heeft aangevoerd, volgt dat de rechtbank in de <?linebreak?>buiten-zittinguitspraak van 20 december ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk was. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak vervalt en de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan. De bestuursrechter zal daarbij de vraag moeten beantwoorden of aan het beroep een ontvankelijke ingebrekestelling ten grondslag lag. </para>
      <para />
      <para>7. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het verzet gegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>M.P. Osinga Sanders, de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.**</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier				</para>
      <para>			rechter</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">is verhinderd te tekenen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. De behandeling van het beroep wordt voortgezet. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Coll: M.P.O.</para>
      <para>D: B</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_46ff341e-3690-457f-9ee1-1389d0826913" label="1">
    <para> 	artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7b7404b6-23b5-4e1a-bfc6-9950936158da" label="2">
    <para> 	artikel 8:54 van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8cf22516-a7fc-4d55-b427-ddf3ba974044" label="3">
    <para> 	uitspraak van 14 juni 2024, verzonden op 20 juni 2024, in AMS 23/7075</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bdf336ca-1f48-4895-ad2a-d6b7c556d057" label="4">
    <para> 	artikel 8:106, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b9abd0dc-0e35-4d44-b301-481f8a91a129" label="5">
    <para> 	dat beroep is geregistreerd onder zaaknummer AMS 23/7075</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b7339191-b05d-44c7-a397-377c0b77dabc" label="6">
    <para> 	uitspraak van 14 juni 2024</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e42c4158-12e2-40d0-ba75-e42cb1495b2e" label="7">
    <para> 	dat hoger beroep is geregistreerd onder zaaknummer 24/3412</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f3bb7c81-d7b7-485d-9692-9bc560be5cd5" label="8">
    <para> 	uitspraak van 14 juni 2024</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3f701f25-223d-4def-a3aa-306bf0bc8aac" label="9">
    <para>
      <emphasis role="underline">ECLI:NL:GHAMS:2025:1158 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:1158&amp;keyword=ECLI:NL:GHAMS:2025:1158)</emphasis>
    </para>
  </footnote>
  <footnote id="_cf00e1bc-a24c-4fb7-9452-2a8a92a9f205" label="10">
    <para> 	artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e65bcc99-965b-4eb0-bd36-6c1e22850baa" label="11">
    <para> 	als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8a8e5879-5a7e-43a5-8263-463a775fac76" label="12">
    <para> 	artikel 8:106, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a9e7e2dc-ed0a-4781-88f0-9ae3f292daf9" label="13">
    <para> 	artikel 12 van bijlage 2 (Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak) bij de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7db1c3f3-441c-429d-9658-e0a54ffafe82" label="14">
    <para> 	uitspraak in AMS 23/7075</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dfb65ac2-7217-48aa-8d3c-c0ac63bde4c6" label="15">
    <para> 	artikel 8:106, tweede lid, van de Awb</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>