<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:6699</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-17T07:48:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/6360</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:6699">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:6699</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-17T07:48:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:6699 Rechtbank Amsterdam , 12-09-2025 / 24/6360</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:6699:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing van de aanvraag voor situatiepunten voor een sociale huurwoning. Eiseres voldoet niet aan de bindingseis en de inwoningseis. Geen uitzondering op basis van de hardheidsclausule. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:6699:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 24/6360</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 september 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [plaats] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. L. Veenman),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, </emphasis>verweerder (hierna: het college).</para>
      <para>(gemachtigde: [gemachtigde] ).</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor situatiepunten voor een sociale huurwoning. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor situatiepunten. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 24 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 september 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van het college. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Eiseres is een alleenstaande vrouw en heeft een minderjarig kind. Eiseres verblijft momenteel bij een kennis aan de [adres 1] . Blijkens de BRP<footnote-ref linkend="_a33ed0c1-8cd6-41fb-9ef2-af0f0843c0fb" /> staat eiseres daar sinds [datum 1] 2024 ingeschreven met een briefadres. Hiervoor had eiseres van [datum 2] 2024 tot [datum 1] 24 een briefadres op de [adres 2] en van [datum 3] 2021 tot [datum 2] 2024 stond zij ingeschreven op het woonadres aan de [adres 3] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Eiseres heeft op 30 april 2024 situatiepunten aangevraagd. Situatiepunten kunnen eiseres helpen bij het vergroten van haar kansen op een sociale huurwoning. Het college heeft de aanvraag van eiseres afgewezen<footnote-ref linkend="_645e646a-63a9-41ee-9cf2-12b22d06e7d9" /> omdat zij niet voldoet aan alle voorwaarden voor situatiepunten. Eiseres voldoet niet aan de bindingseis omdat zij niet ten minste twee jaar aaneengesloten voorafgaand aan de aanvraag ingeschreven stond op een woonadres in de stadsregio Amsterdam. Ook voldoet eiseres niet aan de inwoningseis omdat zij niet ten minste één jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag stond ingeschreven in de BRP op het adres van de persoon bij wie zij inwoont. Het college ziet geen reden om de hardheidsclausule toe te passen nu eiseres niet in een unieke situatie verkeert en niet dakloos dreigt te worden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank </title>
    <para />
    <para>4. De voorwaarden die gelden voor het toekennen van situatiepunten zijn geregeld in artikel 2.5.2 van de Huisvestingsverordening [adres 4] (HVV). Artikel 2.5.2 van de HVV luidt als volgt: </para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold italic">1. </emphasis>
      <emphasis role="italic">Een woningzoekende kan in aanmerking komen voor een verklaring opbouw situatiepunten indien hij verkeert in een van de volgende situaties:</emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para>o <emphasis role="bold italic">a. </emphasis><emphasis role="italic">hij woont met zijn huishouden sinds ten minste een jaar voorafgaand aan de datum van aanvraag, in bij een persoon die rechthebbende is op de woning en die geen deel uitmaakt van het huishouden van woningzoekende; of,</emphasis></para>
      <para>o <emphasis role="bold italic">b. </emphasis><emphasis role="italic">hij verkeert in een situatie van echtscheiding of relatiebreuk en kan niet in de voormalig gezamenlijke woning blijven wonen en kan niet over zelfstandige woonruimte beschikken.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold italic">2. </emphasis>
      <emphasis role="italic">De woningzoekende die verkeert in een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, dient te voldoen aan de volgende voorwaarden:</emphasis>
    </para>
    <parablock>
      <para>o <emphasis role="bold italic">a. </emphasis><emphasis role="italic">de woningzoekende is in de twee jaar, voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken woonachtig geweest in de woningmarktregio blijkend uit een inschrijving op een adres in de regio in de Basisregistratie Personen;</emphasis></para>
      <para>o <emphasis role="bold italic">b. </emphasis><emphasis role="italic">de woningzoekende vormt een huishouden met ten minste één minderjarig kind; en,</emphasis></para>
      <para>o <emphasis role="bold italic">c. </emphasis><emphasis role="italic">de woningzoekende staat sinds ten minste één jaar, voorafgaand aan de datum van aanvraag, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres van de persoon bij wie hij inwoont.</emphasis></para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Volgens eiseres is er voldaan aan de in artikel 2.5.2 lid 2 van de HVV genoemde voorwaarden voor situatiepunten. Ten aanzien van de bindingseis stelt eiseres dat er voorafgaand aan de aanvraag weliswaar sprake was van briefadressen, maar dat dit niet betekent dat zij op dat moment niet in Amsterdam verbleef. Eiseres heeft zich, nadat zij plotseling de woning aan de [adres 3] moest verlaten, ingeschreven op een briefadres aan de [adres 2] , het daklozenloket van de gemeente Amsterdam. Op die manier bleef zij bereikbaar voor instanties en heeft ze problemen met haar uitkering en zorgverzekering weten te voorkomen. Daarna kon eiseres zich met een briefadres inschrijven op het adres [adres 1] waar zij bij een kennis verblijft. Eiseres heeft in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken in Amsterdam verbleven. Ten aanzien van de inwoningeis stelt eiseres zich op het standpunt dat zij in het jaar voorafgaand aan de aanvraag inwonend was bij anderen. Dat zij zich niet direct kon inschrijven bij de persoon waar zij ten tijde van de aanvraag inwonend was, betekent niet dat er geen sprake was van een inwoonsituatie. Daarnaast heeft eiseres ter zitting toegelicht dat uit de tekst van artikel 2.5.2 lid 2 onder c van de HVV niet blijkt dat het bij de inwoningseis moet gaan om inwoning bij één en hetzelfde huishouden. Volgens eiseres kan aan de inwoningseis ook worden voldaan als iemand in het jaar voorafgaand aan de aanvraag op meerdere adressen heeft ingewoond. Tot slot doet eiseres een beroep op de hardheidsclausule. Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat zij niet veel langer kan blijven bij haar kennis aan de [adres 1] en ze heeft geen andere plek om naar toe te gaan. Eiseres heeft psychische klachten door de hele situatie en zij is inmiddels in behandeling bij een psycholoog. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Ten aanzien van de regiobinding overweegt de rechtbank als volgt. In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 januari 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat iemand niet voldoet aan de bindingseis indien degene in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag ook enige tijd ingeschreven heeft gestaan op een briefadres.<footnote-ref linkend="_d9aaf627-b66b-420d-8c0b-5deb01a627a5" /> De rechtbank stelt vast dat eiseres blijkens de BRP van [datum 1] 2024 tot en met [datum 4] 2024 stond ingeschreven op briefadressen. Omdat deze periode valt in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag voldoet eiseres niet aan de voorwaarde in artikel 2.5.2 lid 2 onder a van de HVV (de bindingseis). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Ten aanzien van de inwoning overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat eiseres in het jaar voorafgaand aan de aanvraag in ieder geval op twee verschillende adressen heeft gewoond, namelijk aan de [adres 3] en aan de [adres 1] . Voor wat betreft de uitleg van artikel 2.5.2 lid 2 onder c van de HVV volgt de rechtbank de uitleg van het college dat er sprake moet zijn van inwoning op hetzelfde adres in het jaar voorafgaand aan de aanvraag. Het college heeft op de zitting toegelicht dat als de HVV op een andere manier wordt gelezen, de kans op oneigenlijk gebruik van de regeling wordt vergroot en er te veel situatiepunten worden toegekend waardoor de regeling niet meer effectief is. Situatiepunten zijn volgens het college bedoeld voor een specifieke groep die al langere tijd bij eenzelfde huishouden inwonend zijn en om die reden dringend een eigen woning nodig hebben. De rechtbank kan deze uitleg van het college volgen en ziet geen reden om artikel 2.5.2 lid 2 onder c van de HVV anders uit te leggen. Eiseres stond voorafgaand aan de datum van de aanvraag niet ten minste één jaar ingeschreven in de BRP op het adres van de persoon bij wie zij op dat moment inwoonde. Eiseres voldoet hierdoor niet aan de voorwaarde uit artikel 2.5.2 lid 2 onder c van de HVV (inwoningseis). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>In artikel 2.5.5, derde lid, van de HVV is bepaald dat het college bevoegd is in gevallen waarin toepassing van de regels naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van de bepalingen in de HVV. Het college heeft ten aanzien van het beroep op de hardheidsclausule beoordelingsvrijheid. Het gebruik van deze vrijheid moet door de rechter terughoudend worden getoetst. Voor toepassing van de hardheidsclausule moet het, gelet op de enorme schaarste aan betaalbare huurwoningen in Amsterdam, gaan om een zeer uitzonderlijke situatie. De rechtbank kan het college volgen dat de situatie van eiseres en haar kind niet zodanig uitzonderlijk of schijnend is dat zij op grond van de hardheidsclausule toch voor situatiepunten in aanmerking zou moeten komen. Eiseres en haar kind zijn niet dakloos en de situatie is niet uniek. Er zijn helaas veel woningzoekenden in Amsterdam die in een vergelijkbare situatie verkeren. Er is daarom geen reden om voor eiseres een uitzondering te maken op de regelgeving. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5.	Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>E.V.V.C. Raap, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 12 september 2025. </para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_a33ed0c1-8cd6-41fb-9ef2-af0f0843c0fb" label="1">
    <para> Basisregistratie Personen</para>
  </footnote>
  <footnote id="_645e646a-63a9-41ee-9cf2-12b22d06e7d9" label="2">
    <para> Op grond van artikel 2.5.2, tweede lid onder a en c, van de Huisvestingsverordening 2024 (HVV).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d9aaf627-b66b-420d-8c0b-5deb01a627a5" label="3">
    <para> ECLI:NL:RVS:2024:151.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>