<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:6674</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-10T11:05:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 25 _ 4686</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:6674">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:6674</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-10T11:04:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:6674 Rechtbank Amsterdam , 12-09-2025 / AWB - 25 _ 4686</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:6674:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vovo hangende bezwaar. Geen spoedeisend belang. Vovo afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:6674:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 25/4686 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 september 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker] , te [woonplaats] (Duitsland), verzoeker</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.I. Bal),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, </emphasis>verweerder (hierna: het UWV).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 18 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft het UWV de toekenningsbeslissing van de Zw<footnote-ref linkend="_97b3bd19-ea3b-431b-8be0-b6b8216f7f79" />-uitkering van 24 maart 2021 en de toekenningsbeslissing van de WIA<footnote-ref linkend="_7cf672c5-e657-4098-8cc4-bf0b48faea8d" />-uitkering van 28 december 2022 herzien en geconcludeerd dat verzoeker met ingang van 1 januari 2021 geen recht had op een Zw-uitkering en met ingang van<?linebreak?>26 december 2022 geen recht had op een WIA-uitkering. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hetzelfde besluit vordert het UWV de ten onrechte aan verzoeker uitbetaalde Zw-uitkering en WIA-uitkering terug.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat aan verzoeker een voorschot op een WIA-uitkering wordt uitbetaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2025. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Bal, waarnemer van de gemachtigde van verzoeker. Het UWV heeft zich voor de zitting afgemeld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Spoedeisend belang</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De voorzieningenrechter kan alleen een voorlopige voorziening treffen als “onverwijlde spoed” dat vereist.<footnote-ref linkend="_a48197b1-7af6-44ce-958c-8f8670d1865f" /> Dit betekent dat de voorzieningenrechter moet beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang, voordat hij inhoudelijk op het verzoek in kan gaan.</para>
    <para />
    <para>2. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, ligt die lat hoog. In principe kan namelijk na afloop van de beroepsprocedure het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt (zoals faillissement) of als er geen acute, financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.</para>
    <para />
    <para>3. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij geen enkele bron van inkomsten heeft en hij vanwege zijn slechte gezondheid ook niet in staat is om arbeid te verrichten. Daarnaast beschikt verzoeker niet over financiële reserves. Hij kan hierdoor niet voorzien in zijn levensonderhoud. </para>
    <para />
    <para>4. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat verzoeker onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat er sprake is van een spoedeisend belang. Verzoeker heeft zijn stellingen op geen enkele manier onderbouwd met objectieve stukken. Hij heeft bijvoorbeeld geen recente bankafschriften of een (schriftelijk) overzicht van zijn lasten overgelegd. Ook anderszins heeft verzoeker geen objectief inzicht verschaft in zijn financiële situatie. De voorzieningenrechter kan daarom niet vaststellen of verzoeker inderdaad in een zeer benarde, acute financiële noodsituatie verkeert die het treffen van een voorlopige voorziening in de vorm van een voorschot op een WIA-uitkering rechtvaardigt.</para>
    <para />
    <para>5. Nu niet is gebleken van een spoedeisend belang, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af.  </para>
    <para />
    <para>6. Overigens merkt de voorzieningenrechter op dat er op 31 juli 2025 een uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter waarin de gevraagde voorziening is toegewezen en is bepaald dat het UWV de WIA-uitkering aan verzoeker moet betalen totdat het UWV op het bezwaar van verzoeker heeft beslist. Er is ten tijde van het onderhavige verzoek nog niet op het bezwaar beslist. Dit zou betekenen dat de WIA-uitkering nog aan verzoeker wordt uitbetaald. Als het UWV deze eerdere uitspraak (nog) niet naleeft, moet verzoeker zich tot het UWV wenden.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.Y. Exterkate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 september 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier							voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_97b3bd19-ea3b-431b-8be0-b6b8216f7f79" label="1">
    <para> Ziektewet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7cf672c5-e657-4098-8cc4-bf0b48faea8d" label="2">
    <para> Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a48197b1-7af6-44ce-958c-8f8670d1865f" label="3">
    <para> Artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>