<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:6465</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-08T15:02:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13/182040-25</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#tussenuitspraak">Tussenuitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:6465">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:6465</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-08T13:41:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:6465 Rechtbank Amsterdam , 04-09-2025 / 13/182040-25</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:6465:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>vervolgings-EAB Polen, detentieomstandigheden, tussenuitspraak</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:6465:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 13/182040-25</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Datum uitspraak: 4 september 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">       TUSSEN-</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">    UITSPRAAK</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>op de vordering van 3 juli 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).<footnote-ref linkend="_d7b878fc-5345-471d-a74f-1778a155be76" /></para>
      <para>Dit EAB is uitgevaardigd op 16 mei 2025 door <emphasis role="italic">the Circuit Court in Opole</emphasis>, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">	[opgeëiste persoon] ,</emphasis>
      </para>
      <para>	geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1983, </para>
      <para>ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het adres </para>
      <para>
        [BRP-adres] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna ‘de opgeëiste persoon’.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesgang</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 augustus 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.<footnote-ref linkend="_19e65e88-6f79-48ba-9f99-77599ece678b" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Identiteit van de opgeëiste persoon</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">3.  	Grondslag en inhoud van het EAB</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van 6 november 2018 van <emphasis role="italic">the Circuit Court in Opole</emphasis> (referentie: III Kp 414/18).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.<footnote-ref linkend="_b04a4311-a9d1-428d-a713-bc4b8ab2bc7e" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">	lijstfeit 1: deelneming aan een criminele organisatie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman verzoekt de rechtbank om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander om zo, in geval van veroordeling tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering aan de uitvaardigende lidstaat, die straf vervolgens in Nederland te kunnen ondergaan. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij een eventuele straf in Nederland wil ondergaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat, in weerwil van wat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft geschreven over het verkregen duurzaam verblijfrecht, het beroep op gelijkstelling met een Nederlander niet slaagt. Voor het geval de rechtbank wel zou oordelen dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, heeft hij subsidiair verzocht om aanhouding om een terugkeergarantie op te kunnen vragen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op basis van artikel 6, derde lid, van de OLW zijn voldaan aan de volgende vereisten:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan het eerste vereiste. Uit de door de raadsman overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 6 november 2019 staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen op een adres in Nederland. Verder blijkt uit de jaaropgaven over de jaren 2018 tot en met 2024 dat hij al die jaren in Nederland economisch actief is geweest en dat zijn inkomen ruim 50% van de bijstandsnorm is geweest. In de brief van de IND van 14 augustus 2025 is bovendien  het volgende vastgesteld over het verblijfsrecht van de opgeëiste persoon:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">´Betrokkene heeft de Poolse nationaliteit en ontleent zijn verblijfsrecht</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">rechtstreeks aan het EU-Verdrag. Sinds 6 november 2019 is hij op basis van</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">zijn inschrijving in de Basisregistratie Persoonsgegevens (BRP) op een woon–</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">adres opgenomen als EU-burger. Uit gegevens van Suwinet is verder gebleken</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">dat hij de afgelopen vijf jaar in Nederland arbeid in loondienst heeft verricht.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Hij heeft gedurende minstens vijf jaar aan de voorwaarden voor rechtmatig</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">verblijf voldaan (artikel 8.12 van het Vreemdelingebesluit) en het verblijfsrecht</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">is daarom op enig moment duurzaam geworden (artikel 8.17 Vb).”</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de hiervoor genoemde brief heeft de IND daarnaast verklaard dat de opgeëiste persoon niet zijn verblijfsrecht zal verliezen als gevolg van een na overlevering opgelegde straf of maatregel. Dat betekent dat ook aan het tweede vereiste is voldaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opgeëiste persoon kan dus op grond van artikel 6, derde lid, OLW worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon woont hier in Nederland met zijn echtgenote en minderjarige zoon, heeft een koopwoning en werk. De overlevering kan daarom worden toegestaan wanneer gegarandeerd is dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, deze straf in Nederland mag ondergaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft ter zitting meegedeeld dat geen terugkeergarantie is opgevraagd. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat dit alsnog moet gebeuren. Daarom zal de rechtbank het onderzoek heropenen om de officier van justitie een terugkeergarantie voor de opgeëiste persoon op te laten vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Artikel 11 OLW <?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU  </emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_419a655c-8348-4448-870c-402aee89f8b2" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.<footnote-ref linkend="_c88a40ed-061e-43c4-a2be-93dc35b6855d" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="bold">Detentieomstandigheden</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inleiding </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft eerder geoordeeld<footnote-ref linkend="_2e69497b-2fd1-4d0a-8b40-ce9b2e36b549" /> dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van</para>
        <para>schending van de grondrechten van gedetineerden die in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> in Polen</para>
        <para>terechtkomen. Het kernpunt is dat in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> slechts drie m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal drieëntwintig uren per dag op zijn cel doorbrengt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis>, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Teneinde te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het <emphasis role="italic">remand regime</emphasis> waar hij zal worden gedetineerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op het voorgaande heeft het Openbaar Ministerie op 13 augustus 2025 de volgende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“The Court of Amsterdam has, in other surrender procedures, assumed a real risk of inhuman or degrading treatment in remand centers in Poland.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">However, in a recent judgement (25 March 2025) the Court of Amsterdam authorized the surrender in a case where the wanted person was most likely to be placed in the prison in Opole.</emphasis>
        </para>
        <para>- <emphasis role="italic">Therefore, can you state that it is most likely that [opgeëiste persoon] will be placed in the detention center in Opole?</emphasis></para>
        <para>- <emphasis role="italic">If not, could you please confirm in which detention center [opgeëiste persoon] will most likely be placed after surrender?”</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Hierop heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 25 juli 2025 het volgende meegedeeld:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“I would kindly inform that [opgeëiste persoon] after surrender will be placed in detencion center in  Opole.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op 15 augustus 2025 heeft  het Openbaar Ministerie vervolgens de volgende e-mail met aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“We were informed that [opgeëiste persoon] after surrender will be placed in detention center in Opole.</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
        <para>A. <emphasis role="italic">Please confirm which ward [opgeëiste persoon] will be placed. Will this be Opole Remand Prison? Is this the same facility as Penitentiary No. 1 in Strzelce Opolskie.? Please specifiy if this is where the wanted person will be placed.</emphasis><?linebreak?></para>
        <para>B. <emphasis role="italic">Please confirm [opgeëiste persoon] will be placed in a cell of minimum 3 square meters excluding sanitary facilities.</emphasis><?linebreak?></para>
        <para>C. <emphasis role="italic">Please confirm whether the information attached concerning Opole Remand Prison also applies to the wanted persons’, [opgeëiste persoon] , detention after surrender.”</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Bij deze e-mail heeft het Openbaar Ministerie een in een andere zaak verstrekte e-mail van </para>
        <para>7 maart 2025 van de uitvaardigende justitiële autoriteit met informatie van <emphasis role="italic">the Penitentiary No. 1 in Strzelce Opolskie </emphasis>gevoegd (zie vraag C). Ook heeft het Openbaar Ministerie de uitspraak van deze rechtbank van 25 maart 2025 overgelegd, waarbij is geoordeeld dat de informatie in de e-mail van 7 maart 2025 een voldoende garantie bevat om het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon in die zaak weg te nemen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In antwoord op de vragen van het Openbaar Ministerie heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 21 augustus 2025 het volgende verklaard:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“By order of the District Court Judge in Opole, I hereby inform you that:</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
        <para>1. <emphasis role="italic">[opgeëiste persoon] will be held at the Opole Remand Prison. This is a separate facility from Prison No. 1 in Strzelce Opolskie.</emphasis><?linebreak?></para>
        <para>2. <emphasis role="italic">[opgeëiste persoon] will be placed in a cell with an area of at least 3 square meters, without sanitary facilities.</emphasis><?linebreak?></para>
        <para>3. <emphasis role="italic">[opgeëiste persoon] will be held under the same conditions.”</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de raadsman</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsman vindt dat het algemene gevaar op schending van grondrechten in detentie in Polen met de verstrekte informatie niet is weggenomen voor de opgeëiste persoon. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie vindt dat de verstrekte informatie voldoende waarborgt dat voor de opgeëiste persoon het algemene gevaar op schending van grondrechten in detentie in Polen is weggenomen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een voldoende individuele garantie waarmee het algemene gevaar op schending van grondrechten in detentie in Polen voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen. De enkele kale bevestiging van eerder, in een andere zaak, verstrekte informatie volstaat in dit geval niet. In het bijzonder omdat gezien de informatie in de e-mail en in de uitspraak van 25 maart 2025 geciteerde delen ervan nog niet precies duidelijk is wat wordt bedoeld met ‘<emphasis role="italic">the same conditions’. </emphasis> De rechtbank wenst dan ook dat  individuele, op de opgeëiste persoon toegespitste informatie  wordt verstrekt zodat duidelijk is welke garanties voor deze specifieke opgeëiste persoon zijn afgegeven. De rechtbank zal daarom ook om deze reden het onderzoek heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen die individuele detentiegarantie voor de opgeëiste persoon op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Verzoek om aanhouding van de raadsman <?linebreak?></title>
    <para>De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon in het verleden procesafspraken heeft gemaakt in Polen. Hij heeft de rechtbank verzocht de zaak aan te houden om dit met stukken te kunnen onderbouwen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie heeft zich verzet tegen aanhouding van de zaak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet geen aanleiding om het verzoek van de raadsman tot aanhouding in te willigen. Voorop staat dat de uitvaardigende justitiële autoriteit om de overlevering heeft verzocht en de rechtbank op basis van het vertrouwensbeginsel ervan uit dient te gaan dat dit op de juiste gronden is verzocht. Reeds hierom bestaat geen aanleiding om het verzoek om aanhouding toe te wijzen. De rechtbank heeft de opgeëiste persoon bovendien ondervraagd over de gestelde procesafspraken. De verklaringen van de opgeëiste persoon bevatten  geen aanknopingspunten voor de conclusie dat met hem de afspraak is gemaakt dat hij niet zou worden vervolgd. De opgeëiste persoon heeft zelf verklaard dat hij verklaringen heeft afgelegd en dat hem is toegezegd dat hij, in ruil daarvoor, alleen een voorwaardelijke straf zou krijgen, in welk verband hij  artikel 60 van de  Poolse wet heeft genoemd. De officier van justitie heeft over dit artikel opgemerkt dat de Poolse rechtbank de bevoegdheid heeft om aan  dergelijke  afspraken wel of geen gevolg te geven. De rechtbank ziet al met al dan ook niet in hoe nader onderzoek naar de gestelde procesafspraken van belang zou kunnen zijn voor de beoordeling van het overleveringsverzoek. Het verzoek om aanhouding wordt afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Slotsom</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek ter zitting heropenen met het hiervoor onder 5. en 6.2 weergegeven doel. De beslistermijn verstrijkt op 27 september 2025. Nu de rechtbank tevens onderzoek doet naar de detentieomstandigheden, ziet de rechtbank aanleiding om, in verband met de planning van de zaak op een vervolgzitting, de beslistermijn te verlengen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met 30 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) vrijheidsbeneming op grond van artikel 27, derde lid, OLW. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting zal worden geschorst voor onbepaalde tijd, met dien verstande dat de zaak binnen de verlengde termijn van 30 dagen wederom op zitting zal worden aangebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">HEROPENT </emphasis>het onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>een terugkeergarantie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een individuele detentiegarantie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">VERLENGT</emphasis> de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding met dertig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEPAALT</emphasis> dat de zaak uiterlijk 10 dagen voor het verlopen van de verlengde beslistermijn (op  27 oktober 2025) weer op zitting wordt gepland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT </emphasis>de oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en tijd, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BEVEELT</emphasis> de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de nader te bepalen datum en tijd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door</para>
      <para>mr. A.R.P.J. Davids,	  				                         		voorzitter,</para>
      <para>mrs. H.H.J. Zevenhuijzen en C.M.S. Loven, 			   		   rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten,		                         		    griffier,</para>
      <para>en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 september 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_d7b878fc-5345-471d-a74f-1778a155be76" label="1">
    <para> Zie artikel 23 Overleveringswet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_19e65e88-6f79-48ba-9f99-77599ece678b" label="2">
    <para> Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b04a4311-a9d1-428d-a713-bc4b8ab2bc7e" label="3">
    <para> Zie onderdeel e) van het EAB.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_419a655c-8348-4448-870c-402aee89f8b2" label="4">
    <para> Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c88a40ed-061e-43c4-a2be-93dc35b6855d" label="5">
    <para> Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (<emphasis role="italic">Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat))</emphasis>.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2e69497b-2fd1-4d0a-8b40-ce9b2e36b549" label="6">
    <para> Rb Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>