<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBAMS:2025:6185</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-12T08:49:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Amsterdam" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Amsterdam</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-08-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">25/1444</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:6185">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:6185</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-11T08:36:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBAMS:2025:6185 Rechtbank Amsterdam , 21-08-2025 / 25/1444</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBAMS:2025:6185:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het Uwv heeft op de juiste gronden de uitkering op grond van de Ziektewet ingetrokken. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische onderzoek onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daarnaast is door de  verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht geconcludeerd dat de klachten van eiser – die in het najaar van 2024 zijn ontstaan – niet meegenomen moesten worden in de beoordeling omdat deze zijn ontstaan na de datum in geding. Het beroep is ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBAMS:2025:6185:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK AMSTERDAM</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AMS 25/1411 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [plaats] , eiser,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</emphasis> (het Uwv)</para>
      <para>(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Met een besluit van 7 augustus 2024 heeft het Uwv de aan eiser toegekende uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) per 19 augustus 2024 beëindigd. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Met een besluit van 4 februari 2025 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en het beëindigingsbesluit gehandhaafd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser en de gemachtigde van het Uwv zijn verschenen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Standpunten partijen</title>
    <para />
    <para>2. Eiser stelt dat de ZW-uitkering ten onrechte is beëindigd. Het medisch onderzoek is volgens hem onzorgvuldig geweest, omdat hij gedurende de bezwaarprocedure niet opnieuw fysiek is onderzocht door een andere verzekeringsarts. Eiser stelt daarnaast dat het nog slechter met hem gaat dan op het moment dat hij de ZW-uitkering ontving. Eiser heeft pijn aan zijn rug door een beknelde zenuw. Deze pijn straalt uit naar zijn linkervoet en been. Hij heeft hierdoor ook krachtverlies. Eiser stelt daarnaast dat er in november 2024 diabetes bij hem is geconstateerd waardoor hij aanvullende klachten heeft. Hij is niet in staat om te werken en moet werken aan zijn gezondheid.</para>
    <para />
    <para>3. Het Uwv stelt dat eiser op de datum in geding – 19 augustus 2024 – zijn arbeid kon verrichten, namelijk het werk dat hij deed voordat hij ziek werd. <footnote-ref linkend="_617fad62-6e47-4de9-846d-8f79a5ba83eb" /> Hierbij wordt verwezen naar de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 3 maart 2025. Het Uwv stelt dat eiser niet heeft onderbouwd dat zij de medische beperkingen onjuist zouden hebben vastgesteld. Ten aanzien van de medische klachten die zijn ontstaan na de datum in geding stelt het Uwv dat deze terecht niet zijn meegenomen, hierbij wijst het Uwv naar het aanvullende rapport van 24 juli 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>4. De rechtbank beoordeelt of het Uwv terecht heeft bepaald dat eiser op 19 augustus 2024 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.</para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Heeft het Uwv zorgvuldig onderzoek verricht naar de medische klachten van eiser?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. Eiser stelt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat hij gedurende de bezwaarprocedure niet opnieuw fysiek is onderzocht door een andere verzekeringsarts. Hij voelt zich niet serieus genomen door de eerste verzekeringsarts.</para>
    <para />
    <para>7. Het Uwv mag zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiser om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten waarop het Uwv zijn besluiten baseert niet aan deze drie voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling niet klopt. Voor het aannemelijk maken dat de medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk.<footnote-ref linkend="_aab580db-7e16-4b56-9446-eadeff69e870" /></para>
    <para />
    <para>8. Eiser heeft voorafgaand aan het primaire besluit het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts die hem psychisch en lichamelijk heeft onderzocht. In bezwaar is de situatie van eiser opnieuw beoordeeld door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, maar is er niet opnieuw een fysiek spreekuur gehouden. </para>
    <para />
    <para>9. Welke onderzoeksactiviteiten in bezwaar moeten worden verricht is - onder meer - afhankelijk van de medische situatie van eiser, de gronden in bezwaar en de vraag of in de primaire fase sprake is van een gebrek dat moet worden hersteld. Bij betwisting van de medische grondslag in bezwaar is het dus niet altijd vereist dat een verzekeringsarts bezwaar en beroep eiser onderzoekt op een spreekuur. Afhankelijk van wat in bezwaar in de concrete situatie speelt, kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep er ook voor kiezen gebruik te maken van een of meer andere onderzoeksmogelijkheden, zoals dossieronderzoek, het vragen van een expertise, het opvragen van medische informatie en het bijwonen van de hoorzitting en die keuze waar nodig toelichten. <footnote-ref linkend="_07428f75-9c6c-4aee-b885-ceab4c9b6bf6" /></para>
    <para />
    <para>10. In onderhavige zaak heeft er in de bezwaarprocedure een hoorzitting en een dossieronderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 3 februari 2025 toegelicht waarom hij van een fysiek spreekuur heeft afgezien. Er waren voldoende medische gegevens aanwezig voor een beoordeling. Ook is er in de primaire fase een fysiek spreekuur gehouden door een geregistreerde verzekeringsarts en daarvan is een consistente, uitgebreide rapportage aanwezig in het dossier. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom de verzekeringsarts in bezwaar van een fysiek spreekuur heeft afgezien. </para>
    <para />
    <para>11. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beperkingen van eiser goed in kaart gebracht. Eiser benoemt de rugpijn door een beknelde zenuw en de verschillende gevolgen daarvan. Deze zijn alle benoemd en erkend door de verzekeringsartsen. </para>
    <para />
    <para>12. Gelet op al het bovenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde medische onderzoek onzorgvuldig tot stand is gekomen. De primaire verzekeringsarts heeft eiser lichamelijk en psychisch onderzocht, er is dossieronderzoek verricht en de informatie van de behandelend sector is bestudeerd en in de beoordeling betrokken. De rechtbank is daarom van oordeel dat in deze zaak een zorgvuldig medisch onderzoek is verricht.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Had het Uwv de nieuwe medische klachten van eiser mee moeten nemen?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>13. Eiser stelt dat er in het najaar van 2024 is geconstateerd dat hij diabetes heeft. In het najaar van 2024 heeft hij wonden op zijn voeten gekregen die niet goed genezen. Ook is er sindsdien sprake van een klapvoet. Mede hierdoor is nu ook een orthopedische schoen nodig. </para>
    <para />
    <para>14. Op grond van artikel 19 van de Ziektewet heeft de verzekerde – kort gezegd – recht op ziekengeld bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek. Onder ‘zijn arbeid’ wordt verstaan de laatstelijk voor ziekmelding verrichte arbeid.<footnote-ref linkend="_0a28bb8e-73ab-4d70-a075-4028bf3f227c" /> In het geval van eiser is getoetst of eiser op 19 augustus 2024 in staat was om zijn werk als financieel administratief medewerker te verrichten. Dat betekent dat 19 augustus 2024 de datum in geding is.</para>
    <para />
    <para>15. Het Uwv heeft de nieuwe medische klachten voorgelegd aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In het aanvullende rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 juli 2025 is uiteengezet dat deze klachten ruim na datum in geding zijn ontstaan. Eiser heeft op de zitting desgevraagd onderkend dat de diabetes en de klachten die daaruit zijn ontstaan dateren van na de datum in geding.</para>
    <para />
    <para>16. Gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van de rechtbank door de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht geconcludeerd dat de klachten van eiser – die in het najaar van 2024 zijn ontstaan – niet meegenomen moesten worden in de beoordeling.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>17. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het Uwv op juiste gronden heeft besloten om de ZW-uitkering van eiser per 19 augustus 2024 te beëindigen. Het beroep is daarom ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.A. van der Heijden, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Bakker, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">de griffier is buiten staat </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">deze beslissing te ondertekenen. </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_617fad62-6e47-4de9-846d-8f79a5ba83eb" label="1">
    <para> In rechtsoverweging 14 wordt het begrip ‘datum in geding’ uitgelegd. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_aab580db-7e16-4b56-9446-eadeff69e870" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 29 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4449).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_07428f75-9c6c-4aee-b885-ceab4c9b6bf6" label="3">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 januari 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:99).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0a28bb8e-73ab-4d70-a075-4028bf3f227c" label="4">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 19 november 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2899)</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>